Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP1299

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/944
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 13 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 1 mei 2003 strekkende tot gedeeltelijke weigering van slachtpremie op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/944 19 mei 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. ir. J.L. Mieras, werkzaam bij ZLTO te Goes.

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 13 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen verweerders besluit van 1 mei 2003 strekkende tot gedeeltelijke weigering van slachtpremie op grond van de Regeling dierlijke EG-premies.

Verweerder heeft op 31 oktober 2003 een verweerschrift ingediend.

Op 9 april 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, bij welke gelegenheid partijen, appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) luidt, voor zover hier van belang:

" Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(...)

hh. deelnamemelding: melding als bedoeld in artikel 34 van verordening 2342/1999;

(...)

Artikel 2.3

(...)

2. Terzake van het slachten of uitvoeren naar een derde land van een rund dat op de datum van de slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, blijkens de gegevens uit het I&R-systeem rund tenminste acht maanden

oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en verordeningen 1254/1999 en 2342/1999 aan producenten premie verstrekt.

Artikel 2.4a

1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2.4b, een deelnamemelding in.

2. In de deelnamemelding verklaart de producent in ieder geval in aanmerking te willen komen voor premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, alsmede dat terzake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze producent door het betrokken abattoir wordt ingediend.

3. Indien zich wijzigingen voordoen in de door de producent op de deelnamemelding vermelde gegevens stelt hij LASER daarvan in kennis door middel van een nieuwe deelnamemelding, welke moet zijn ontvangen binnen veertien dagen nadat de desbetreffende wijziging is opgetreden.

Artikel 2.4b

1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.

(...)”

Artikel 2.5

1. Voor iedere aanvraag, met uitzondering van een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir, mededeling of deelnamemelding, in het kader van deze regeling maakt de producent gebruik van een daartoe door LASER vastgesteld formulier dat door de producent volledig en naar waarheid wordt ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

2. Bij de indiening van een formulier, of het verstrekken van een mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt de producent alle bewijsstukken over die LASER nodig acht voor de beoordeling of aanspraak op premie kan worden gemaakt.

3. De producent is verplicht degene die belast is met de uitvoering van deze regeling op diens verzoek alle ter zake van die gegevens gewenste nadere inlichtingen terstond en naar waarheid te verstrekken.

Artikel 4.6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

a. op zijn bedrijf, blijkens het I&R-systeem rund gedurende de aanhoudperiode zijn aangehouden;

b. blijkens het I & R-systeem rund na afloop van de in onderdeel a genoemde periode binnen één maand worden geslacht in een abattoir waarvan de houder overeenkomstig de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 een

bedrijfsregister bijhoudt of met het oog op slacht naar een andere lidstaat worden verzonden, dan wel binnen twee maanden in geval van uitvoer naar een derde land, en

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 29 december 1999 heeft verweerder van appellant een ingevuld en ondertekend formulier ontvangen voor deelname aan de slachtpremieregeling. Deze melding had betrekking op het bedrijf van appellant gevestigd te C (Noord-Brabant), bekend onder Uniek Bedrijfs Nummer (UBN) *, welk nummer op de deelnamemelding staat vermeld.

- Eind juni 2002 heeft appellant verweerder door middel van een algemeen verhuisbericht in kennis gesteld van de aanstaande verplaatsing van zijn bedrijf van C naar B (Zeeland).

- Op 3 juli 2002 heeft verweerder appellant voor het bedrijf te B een nieuw UBN-nummer (**) toegekend.

- Op 2 juli 2002 is in het I&R-register het tot UBN * behorende veebeslag geregistreerd als zijnde afgevoerd en zijn deze dieren geregistreerd als te zijn aangevoerd op het bedrijf onder UBN **. Een rund is echter pas op

25 juli 2002 als afgevoerd geregistreerd.

- In september 2002 heeft appellant op het bedrijf te B van verweerder een statusoverzicht ontvangen met betrekking tot namens hem ingediende aanvragen om slachtpremie.

- Bij besluit van 1 mei 2003 heeft verweerder naar aanleiding van over het jaar 2002 namens appellant ingediende aanvragen meegedeeld dat de aanvragen gedeeltelijk zijn gehonoreerd en dat appellant recht heeft op een bedrag aan slachtpremie voor tien runderen van NLG 1.108,52 en dat tien andere dieren niet voor premie in aanmerking komen.

- Op 9 mei 2003 heeft appellant, met gebruikmaking van het daartoe door LASER voorgeschreven formulier, verweerder een deelnamemelding doen toekomen voor het bedrijf onder UBN **.

- Bij brief van 19 mei 2003 heeft appellant tegen het besluit van 1 mei 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 8 juli 2003 heeft appellant zijn bezwaar telefonisch toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en de daarbij gegeven toelichting

Verweerder heeft in het bestreden besluit onder - samengevat - het volgende aangevoerd.

De reden waarom voor de tien betrokken dieren geen slachtpremie kan worden verleend, is dat deze dieren niet binnen één maand na afvoer van het bedrijf met UBN * zijn geslacht. Genoemde dieren zijn wel geslacht binnen een maand na afvoer van het bedrijf met UBN **, doch voor dit bedrijf was ten tijde van de aanvragen voor deze dieren nog geen deelnamemelding ontvangen. Er kan slechts slachtpremie worden aangevraagd indien vóór het tijdstip van de slachtmelding al een deelnamemelding is ingediend.

Ter zitting heeft verweerder - samengevat - nog het volgende aangevoerd.

Kern van de zaak is dat appellant de verplaatsing van zijn bedrijf, voor wat betreft zijn beoogde voortgezette deelname aan de slachtpremieregeling, niet (tijdig) aan verweerder heeft gemeld met gebruikmaking van het daartoe door LASER vastgestelde formulier. Het UBN staat vermeld op de deelnamemelding en appellant had na het verkrijgen van het nieuwe UBN deze wijziging op de voorgeschreven wijze aan verweerder moeten melden indien hij ook voor het bedrijf onder het nieuwe UBN als deelnemer aangemerkt had willen worden. Nu appellant dat (aanvankelijk) heeft nagelaten kan hij voor de periode tot 9 mei 2003 met het bedrijf onder UBN ** niet als deelnemer aan de slachtpremieregeling worden aangemerkt. Derhalve heeft verweerder de slachtpremie voor de tien betrokken dieren, geslacht in de periode van 23 augustus 2002 tot en met 30 oktober 2002, terecht geweigerd. Verweerder acht een strikte toepassing van artikel 2.5 van de Regeling noodzakelijk omdat eenduidig moet kunnen worden vastgesteld wie wel en wie geen deelnemer aan de slachtpremieregeling is.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Hij heeft op 26 juni 2002 zijn bedrijf verplaatst van C naar B. Kort voor de verhuizing heeft hij LASER Deventer een algemeen verhuisbericht gezonden. Hierop heeft hij op 3 juli 2002 een nieuw UBN van verweerder ontvangen. Bij het daarbij gevoegde schrijven is hij gewezen op de noodzaak zorg te dragen voor het correct overschrijven van zijn vee en het overschrijven van de oormerken, doch hij is niet gewezen op de kennelijk vereiste wijzing van zijn deelnamemelding.

Mede omdat hij in september 2002 op zijn nieuwe adres een statusoverzicht ten behoeve van de slachtpremieregeling had ontvangen, en zijn verhuizing derhalve ook in het kader van de uitvoering van deze regeling bekend was, ging hij er vanuit dat alles goed geregeld was.

Pas achteraf bleek uit telefonisch overleg dat de deelnamemelding niet geheel in orde was en dat hij een nieuw formulier had moeten inzenden.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat door de verhuizing van het bedrijf van appellant naar B, waarbij aan appellant een nieuw UBN is toegekend, een wijziging is opgetreden in de gegevens zoals vermeld op de door verweerder op 29 december 1999 ontvangen deelnamemelding van appellant. Mitsdien was appellant gehouden verweerder van deze wijziging in kennis te stellen opdat hij ook na de verhuizing aan de slachtpremieregeling zou kunnen deelnemen.

Appellant heeft deze wijziging pas op 9 mei 2003 met gebruikmaking van het daartoe door Laser vastgestelde formulier aan verweerder gemeld. Appellant heeft verweerder echter voorafgaand aan de verhuizing in kennis gesteld van de aanstaande bedrijfsverplaatsing door het zenden van een algemeen verhuisbericht, waarvan de ontvangst door verweerder niet is ontkend, zodat verweerder reeds op dat moment feitelijk bekend was met de wijziging. Aldus kan niet gesteld worden dat appellant de betrokken wijziging in het geheel niet heeft doorgegeven. Hij heeft genoemde wijziging alleen niet op de voorgeschreven wijze gemeld.

Verweerder heeft het College niet duidelijk kunnen maken op grond waarvan hij tot het oordeel gekomen is dat aan een dergelijke administratieve onvolkomenheid zonder meer de conclusie verbonden moet worden dat appellant met zijn bedrijf niet langer aan de slachtpremieregeling kan deelnemen. De Regeling dwingt daartoe naar het oordeel van het College in elk geval geenszins. Het College tekent hierbij aan dat blijkens de naar het nieuwe adres toegezonden statusoverzichten, het dienstonderdeel belast met de uitvoering van de slachtpremieregeling kennelijk reeds bekend was met de bedrijfsverplaatsing. Bovendien heeft verweerder ter zitting desgevraagd verklaard dat er nimmer enige twijfel heeft bestaan omtrent de feitelijke bedrijfsvoering door appellant. Derhalve kan niet gesteld worden dat het verweerder in de periode vóór 9 mei 2003 aan gegevens heeft ontbroken om eventueel de juistheid van de premieaanvragen van appellant te beoordelen.

Het bestreden besluit, dat er vanuit gaat dat appellant met zijn bedrijf onder UBN ** in de periode vóór 9 mei 2003 niet kan worden aangemerkt als deelnemer aan de slachtpremieregeling, wordt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet gedragen door een deugdelijke motivering en kan derhalve niet in stand blijven.

Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 23 juli 2003;

- bepaalt dat verweerder op het bezwaar van appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak

overwogene;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure welke aan de zijde van appellant worden vastgesteld op € 322,--

(zegge: driehonderdtweeentwintig euro), te betalen door de Staat;

- bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- (zegge: honderdzestien euro) door de Staat

aan hem wordt vergoed.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2004.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.P.H. Rozenbrand