Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP1017

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/1059
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 29 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op appellants aanvraag om steun ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/1059 12 mei 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: E.Smolders, werkzaam bij Smolders AGRO Advies te Reusel,

tegen

de Minister van Landbouw Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. F. Lobles, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Op 29 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op appellants aanvraag om steun ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 6 november 2003 de op deze procedure betrekking hebbende stukken overgelegd en op 8 december 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2004. Partijen hebben aldaar hun standpunt bij monde van hun gemachtigden toegelicht. Voorts is appellant in persoon verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidt, voor zover hier van belang:

"Artikel 8

Wijzigingen in de steunaanvraag "oppervlakten"

1. Onverminderd het bepaalde in lid 3, mogen na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag "oppervlakten" individuele voor de landbouw gebruikte percelen die nog niet in de steunaanvraag waren aangegeven, worden toegevoegd, en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling worden aangebracht, voorzover alle krachtens de op de betrokken steunregeling van toepassing zijnde sectorspecifieke voorschriften geldende voorwaarden in acht worden genomen.

2. De toevoeging van percelen landbouwgrond en wijzigingen als bedoeld in lid 1 moeten schriftelijk aan de bevoegde instantie worden meegedeeld tot uiterlijk de datum die voor de inzaai of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999 is vastgesteld.

Het bepaalde in artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 is van overeenkomstige toepassing.

3. (...)

Artikel 12

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.”

Artikel 9 van de Regeling luidt voor zover hier van belang:

“1. Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

2. (...)

3. (...)

4. In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

5. (...)”

In de Regeling vaststelling indieningsperiode 2002 aanvraag oppervlakten (Stcrt. 2002, nr. 60) is als periode voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie op grond van de Regeling vastgesteld de periode die loopt van 1 april 2002 tot en met 15 mei 2002.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 14 mei 2002 heeft appellant een formulier “Gecombineerde opgave 2002 voor landbouwtelling, gebruik gewaspercelen en aanvraag oppervlakten” bij verweerder ingediend. Op het in dit formulier opgenomen overzicht gewaspercelen heeft hij onder meer maïspercelen met een totale oppervlakte van 13.09 ha voor akkerbouwsteun opgegeven. Daarnaast heeft hij onder meer 6 percelen groene braak met bijdragecode 999 (geen bijdrage) op dit overzicht vermeld.

- Bij besluit van 2 december 2002 heeft verweerder appellant naar aanleiding van zijn aanvraag een bedrag van € 4951,30 aan akkerbouwsubsidie toegekend.

- Bij brief van 4 januari 2003 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In zijn bezwaarschrift heeft appellant verzocht hem als nog subsidie toe te kennen voor de 6 percelen groene braak.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

“Als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor uw rekening te blijven. Artikel 9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld. Echter, ingeval van een door LASER erkende kennelijke fout kan de aanvraag ook na deze datum worden verbeterd.

Er is sprake van een kennelijke fout in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie nr. AGR 49533/2002, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing en redelijkerwijs is uitgesloten dat ten tijde van de opgave deze conform uw bedoeling was. Objectief moet derhalve vast staan dat de destijds gedane opgave kennelijk fout was.

Ik ben van mening dat in uw geval geen sprake was van een duidelijke fout. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig noch inconsequent ingevuld.

Het staat de producent vrij om voor een perceel- waar mogelijk- al dan niet een subsidie aan te vragen. Het is niet de taak van LASER om zich in uw motieven te verdiepen of te beoordelen, of u door wijziging van de aanvraag niet een hoger bedrag aan steun zou kunnen verwerven. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde.”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep – samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het per abuis niet aanvragen van subsidie voor één of meer subsidiewaardige percelen dient wél als een klaarblijkelijke fout te worden gezien. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt bezien is het immers niet logisch wel groene braak op te geven, maar daarvoor geen subsidie te vragen.

Natuurlijk moet verweerder zich wel verdiepen in de motieven van een aanvrager van subsidie. Indien dat niet gebeurt heeft het immers geen zin een gemotiveerd bezwaarschrift in te dienen.

Reeds het feit dat de meeste percelen met groene braak in 2001 al met een bijdragecode voor subsidie werden opgegeven had verweerder tot de conclusie moeten brengen dat er sprake was van een kennelijke fout.

5. De beoordeling van het geschil

Hetgeen partijen verdeeld houdt is of in het geval van appellant sprake is van een klaarblijkelijke fout, welke na de indiening van de aanvraag op elk moment kan worden gewijzigd. Slechts indien van zodanige fout sprake is geweest kan, zoals verweerder terecht heeft aangegeven, aan het bezwaar van appellant tegemoet worden gekomen en alsnog akkerbouwsteun voor de 6 percelen groene braak worden toegekend.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke fout indien objectief kan worden vastgesteld dat de aanvankelijk gedane opgave kennelijk fout was. Zulks is het geval wanneer uit de aanvraag oppervlakten zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

Verweerder heeft zich in het onderhavige geval terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag geen ongerijmdheden bevat. Een producent is zelf verantwoordelijk voor hetgeen hij in de aanvraag oppervlakten opgeeft. Het staat hem daarbij vrij om, om hem moverende redenen, een of meer percelen niet voor subsidie in aanmerking te brengen of minder subsidie te vragen dan mogelijk zou zijn. Het is niet de taak van verweerder zich te verdiepen in de motieven van de aanvrager of te beoordelen, of een aanvrager, door de opgave anders in te vullen, wellicht een hogere subsidie zou kunnen verkrijgen. Evenmin is verweerder gehouden om, teneinde te onderzoeken of een aanvraag wel conform de bedoeling van de aanvrager kan zijn, de betreffende aanvraag te toetsen aan de aanvragen die in voorgaande jaren werden gedaan.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld, dat verweerder gehouden was anders te beslissen dan hij heeft gedaan. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas