Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP1010

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
08-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/890
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 1 augustus 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 25 juni 2003 van verweerder. Bij dat besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij verweerder met verwijzing naar het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv) heeft geweigerd appellant A een varkensrecht toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

Nr. AWB 03/890 18 mei 2004

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te X, appellanten,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedure

Op 1 augustus 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 25 juni 2003 van verweerder. Bij dat besluit is ongegrond verklaard het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij verweerder met verwijzing naar het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv) heeft geweigerd appellant A een varkensrecht toe te kennen.

Bij brief van 29 september 2003 hebben appellanten de gronden van hun beroep ingediend.

Bij brief van 28 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak ter behandeling gevoegd met vijf samenhangende zaken, in welke zaken de gezamenlijke mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 april 2004. Ter zitting hebben de hierboven genoemde gemachtigden de standpunten van partijen nader toegelicht.

2. De beoordeling van het beroep

2.1 Ingevolge artikel 25 van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) kunnen bij algemene maatregel van bestuur, voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 Whv leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 Whv afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Bij deze regels kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld.

Het Bhv is de in artikel 25 Whv bedoelde algemene maatregel van bestuur.

2.2 Hoofdstuk 2, § 3, Bhv voorziet in de mogelijkheid het varkensrecht of fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf te vergroten indien, voorzover hier van belang, met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens een milieuvergunning is aangevraagd, die naar aanleiding van deze aanvraag uiterlijk op 1 januari 2001 is verleend.

In onder meer zijn uitspraken van 8 april 2003 (02/913 e.a.; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AF7722) en 1 april 2004 (onder meer 02/1003; LJN-nummer AO7744) heeft het College geoordeeld dat aan hoofdstuk 2, § 3, Bhv slechts aanspraak op een (extra) varkensrecht kan worden ontleend, indien vóór 10 juli 1997 sprake is van een duidelijke relatie tussen voorheen niet-benutte mestproductierechten en de ter benutting voor de varkenshouderij van deze rechten aangevraagde en verleende milieuvergunning.

2.3 In het bestreden besluit heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat evenbedoelde duidelijke relatie in het geval van appellanten niet aanwezig is. Aan dit standpunt heeft verweerder het argument ten grondslag gelegd dat de (rechtsvoorganger van de) verpachter van de door appellanten gepachte stal niet zelf beschikte over de landbouwgrond waarop de latente grondgebonden mestproductierechten rusten.

Naar het oordeel van het College berust verweerders standpunt dat meerbedoelde duidelijke relatie in het geval van appellanten ontbreekt niet op een deugdelijke motivering. Noch de tekst van, noch de toelichting bij artikel 9 Bhv biedt steun aan verweerders (in het bestreden besluit niet nader toegelichte) hiervoor weergegeven stelling. Bovendien heeft verweerder, uitgaande van een onjuiste rechtsopvatting, ten onrechte nagelaten te onderzoeken of de omstandigheden van het geval de conclusie kunnen rechtvaardigden dat, hoewel de milieuvergunning niet is aangevraagd door, onderscheidenlijk verleend aan het bedrijf van appellanten, dat bedrijf niettemin geacht zou moeten worden "het desbetreffende bedrijf" in de zin van de aanhef van artikel 9, eerste lid, Bhv te zijn.

2.4 Het College zal derhalve het beroep van appellanten gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het College zal bepalen dat het door appellanten betaalde griffierecht van € 116,-- door verweerder aan hen wordt vergoed.

Voorts zal het College verweerder veroordelen in de door appellanten terzake van het onderhavige beroep gemaakte proceskosten, welke kosten zijn toe te rekenen aan de door hun gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 161,--. Dit bedrag is als volgt berekend. Zowel voor het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting wordt 1 punt ter waarde van € 322,-- toegekend. Het hieruit volgende bedrag (€ 644,--) wordt vermenigvuldigd met 1 (zaak van gemiddeld gewicht) en 1,5 (vier of meer samenhangende zaken). Het totaalbedrag van € 966,-- aan proceskosten dient vervolgens in zes gelijke delen te worden toegerekend aan de zaken 03/890 tot en met 03/893, 03/1123 en 03/1125, zodat aan appellanten een zesde deel van € 966,--, dat is € 161,--, aan proceskosten toekomt.

2.5 Nu verweerder ter zitting heeft gesteld dat nader onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak reeds op grond van de ingangsdatum van de pachtovereenkomst nooit kan leiden tot toepassing van de in artikel 9 Bhv geregelde hardheidscategorie, zal het College om redenen van proceseconomie beoordelen of appellanten niettemin terecht een beroep op dit artikel hebben gedaan.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

2.6 Naar het oordeel van het College bestaat tussen de door appellanten overgelegde aanvraag om een milieuvergunning en de door appellanten gepachte stalruimte geen verband dat toepassing van hoofdstuk 2, § 3, Bhv kan rechtvaardigen.

Ook indien zou worden aangenomen dat de voor het oprichten en gebruiken van de inrichting aan K te Y vereiste milieuvergunning in het in artikel 9, eerste lid, Bhv genoemde tijdvak is aangevraagd en verleend, wat op grond van de gedingstukken niet vaststaat, was naar het oordeel van het College vóór 10 juli 1997 geen sprake van een duidelijke relatie tussen die milieuvergunning en de op de landbouwgrond van appellanten rustende latente mestproductierechten.

Het College neemt hierbij in aanmerking dat de overeenkomst waarbij appellanten de varkensstal aan K hebben gepacht niet vóór 10 juli 1997 is gesloten en in werking is getreden. In die - pas op 31 december 1997 ondertekende en op 24 februari 1998 door de grondkamer ontvangen - overeenkomst is immers als ingangsdatum 1 augustus 1997 vermeld. Appellanten hebben geen objectief verifieerbare feiten of omstandigheden gesteld die grond zouden kunnen vormen voor het oordeel dat reeds vóór 10 juli 1997 sprake was van een zodanige situatie dat, hoewel het bedrijf van appellanten de milieuvergunning niet heeft aangevraagd, dat bedrijf niettemin zou kunnen worden aangemerkt als "het desbetreffende bedrijf" in de zin van de aanhef van artikel 9, eerste lid, Bhv te zijn.

2.7 Gezien het voorafgaande is het standpunt van appellanten dat zij op grond van hoofdstuk 2, § 3, Bhv aanspraak kunnen maken op een varkensrecht naar het oordeel van het College niet houdbaar. Gelet hierop zal het College met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat het door appellanten betaalde griffierecht van € 116,-- (zegge: honderdzestien euro) door verweerder aan hen

wordt vergoed;

- veroordeelt verweerder in de door appellanten gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 161,-- (zegge:

honderdeenenzestig euro);

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze bedragen, in totaal € 277,-- (zegge:

tweehonderdzevenenzeventig euro), aan appellanten zal vergoeden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.

w.g. M.A. van der Ham w.g. B. van Velzen