Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP0987

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
AWB 04/347
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Op 21 april 2004 heeft verweerder het besluit Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 genomen. Dit besluit is op 22 april 2004 in de Staatscourant gepubliceerd.

Bij brief van 28 april 2004 hebben verzoeksters bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 28 april 2004 hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek dit besluit bij wege van voorlopige voorziening te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2004/95 met annotatie van Van Herwijnen

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 04/347 28 mei 2004

32010 Bestrijdingsmiddelenwet

Toelating

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, te Rotterdam,

2. de Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht,

verzoeksters,

gemachtigde: mr. drs. J. Rutteman, werkzaam bij verzoekster sub 1,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. J.H. Geerdink en mr. R.J.M. van den Tweel, beiden advocaat te Den Haag,

aan welk geding voorts als partij deelneemt:

de vereniging LTO Nederland, gevestigd te Den Haag,

gemachtigden: ir. J.J.G.W. Ottenheim en G. Jasperse, werkzaam bij LTO-Nederland.

1. De procedure

Op 21 april 2004 heeft verweerder het besluit Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004 genomen. Dit besluit is op 22 april 2004 in de Staatscourant gepubliceerd.

Bij brief van 28 april 2004 hebben verzoeksters bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 28 april 2004 hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek dit besluit bij wege van voorlopige voorziening te schorsen.

Op 3 mei 2004 is LTO-Nederland (hierna: LTO) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid heeft LTO gebruik gemaakt.

Op 17 mei 2004 heeft het College van verzoeksters een schrijven met een bijlage ontvangen.

Op 18 mei 2004 heeft het College van verweerder een verweerschrift alsmede op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 19 mei 2004. Alhier hebben de hierboven genoemde gemachtigden hun respectievelijke standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de preambule van de richtlijn van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (Richtlijn 91/414/EEG; Pb L230, p. 1), zoals nadien gewijzigd (hierna: richtlijn), is onder meer het volgende overwogen.

"(…)

Overwegende dat, gezien de gevaren, in de meeste Lid-Staten voorschriften gelden met betrekking tot de toelating van gewasbeschermingsmiddelen; dat tussen deze voorschriften verschillen bestaan die niet alleen het handelsverkeer in gewasbeschermingsmiddelen, maar ook het handelsverkeer in plantaardige produkten belemmeren en die daardoor rechtstreeks een ongunstige invloed hebben op de totstandkoming en de werking van de interne markt;

Overwegende dat het derhalve gewenst is deze belemmeringen door onderlinge aanpassing van de betrokken voorschriften van de Lid-Staten weg te nemen;

Overwegende dat in de Lid-Staten eenvormige voorschriften inzake de voorwaarden en procedures voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen moeten gelden;

Overwegende dat in die voorschriften moet worden bepaald dat gewasbeschermingsmiddelen niet zonder officiële toelating op de markt mogen worden gebracht of mogen worden gebruikt en dat zij, rekening houdend met de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding, op gepaste wijze moeten worden gebruikt;

Overwegende dat de toelatingsvoorwaarden een zodanig hoge mate van bescherming moeten garanderen dat met name wordt voorkomen dat gewasbeschermingsprodukten worden goedgekeurd waarvan de risico's voor de gezondheid, het grondwater en het milieu niet op adequate wijze zijn onderzocht; dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang moet hebben op het streven naar een betere plantaardige produktie;

Overwegende dat bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen moet worden nagegaan of zij bij een voor het beoogde doel juiste toepassing in voldoende mate werkzaam zijn, geen onaanvaardbare uitwerking hebben op planten en plantaardige produkten, geen onaanvaardbare nadelige uitwerking hebben op het milieu in het algemeen en in het bijzonder geen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier of voor het grondwater;

Overwegende dat de toelating beperkt moet blijven tot gewasbeschermingsmiddelen die bepaalde werkzame stoffen bevatten welke op basis van de toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen ervan op communautair niveau nader zijn gespecificeerd;

Overwegende dat derhalve een communautaire lijst van toegelaten werkzame stoffen moet worden vastgesteld;

(…)

Overwegende dat de communautaire procedure een Lid-Staat niet mag beletten om op zijn grondgebied voor een beperkte periode gewasbeschermingsmiddelen toe te laten die een werkzame stof bevatten welke nog niet in de communautaire lijst is opgenomen, mits vaststaat dat de belanghebbende een dossier heeft ingediend dat met de communautaire eisen overeenstemt en de betrokken Lid-Staat van oordeel is dat verwacht mag worden dat de werkzame stof en de gewasbeschermingsmiddelen aan de desbetreffende communautaire voorschriften voldoen;

(…)

Overwegende dat de Lid-Staten evenwel gewasbeschermingsmiddelen moeten kunnen toelaten die niet aan de bovenvermelde voorwaarden voldoen, wanneer de plantaardige produktie door onvoorzienbare, op geen andere manier te bestrijden gevaren wordt bedreigd; dat een dergelijke toelating door de Commissie, in nauwe samenwerking met de Lid-Staten, in het Permanent Planteziektenkundig Comité moet worden onderzocht;

(…)."

In de richtlijn is onder meer het volgende bepaald.

"(…)

Algemene bepalingen

Artikel 3

1. De Lid-Staten bepalen dat een gewasbestrijdingsmiddel alleen op hun grondgebied op de markt mag worden gebracht en gebruikt, indien zij het betrokken gewasbeschermingsmiddel overeenkomstig deze richtlijn hebben toegelaten, tenzij het beoogde gebruik valt onder het bepaalde in artikel 22.

(…)

Verlening, herziening en intrekking van toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen

Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien:

a) de werkzame stoffen die het bevat in bijlage I zijn vermeld en indien aan de voorwaarden van die bijlage is voldaan;

en indien, wat de punten b), c), d) en e) betreft, na toepassing van de uniforme beginselen van bijlage VI:

b) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van het onderzoek van het dossier overeenkomstig bijlage III, is vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 3, wordt gebruikt en rekening wordt gehouden met alle normale omstandigheden waaronder het kan worden gebruikt, en met de gevolgen van het gebruik:

i) voldoende werkzaam is,

ii) geen onaanvaardbare uitwerking heeft op planten of plantaardige produkten,

iii) geen onnodig lijden of pijn veroorzaakt bij te bestrijden gewervelde dieren, iv) geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van mens of dier, hetzij direct, hetzij indirect (bij voorbeeld via drinkwater, voedsel of voer), dan wel op het grondwater,

v) geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:

- de plaats waar het middel in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drinkwater en grondwater,

- de gevolgen voor niet-doelsoorten;

(…)

4. Onverminderd het bepaalde in de leden 5 en 6 worden toelatingen slechts voor een bepaalde, door de Lid-Staten vastgestelde termijn van ten hoogste 10 jaar verstrekt; zij kunnen worden verlengd nadat is geverifieerd dat nog steeds aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan. Indien een aanvraag voor een verlenging is ingediend kan zo nodig voor de periode die de bevoegde instanties van de Lid-Staat voor een dergelijke verificatie nodig hebben verlenging worden toegestaan.

(…)

(…)

Overgangs- en afwijkende maatregelen

Artikel 8

1. In afwijking van artikel 4 mag een Lid-Staat, ten einde een trapsgewijze beoordeling van de eigenschappen van een nieuwe werkzame stof mogelijk te maken en de terbeschikkingstelling van nieuwe preparaten voor gebruik in de landbouw te vergemakkelijken, toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die een werkzame stof bevatten die niet in bijlage I is opgenomen en die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn nog niet op de markt was, voor een voorlopige periode van ten hoogste drie jaar op de markt worden gebracht, voor zover:

a) na toepassing van artikel 6, leden 2 en 3, wordt vastgesteld dat het dossier betreffende de werkzame stof aan de voorschriften van de bijlagen II en III voldoet, gezien het beoogde gebruik;

b) de Lid-Staat vaststelt dat de werkzame stof aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, kan voldoen en dat verwacht kan worden dat het gewasbeschermingsmiddel aan de voorwaarden van artikel 4, lid 1, onder b) tot en met f), voldoet.

In dat geval brengt de Lid-Staat de andere Lid-Staten en de Commissie onverwijld van zijn beoordeling van het dossier en van de toelatingsvoorwaarden op de hoogte, waarbij ten minste de in artikel 12, lid 1, bedoelde informatie wordt verstrekt.

Na de beoordeling van het dossier overeenkomstig artikel 6, lid 3, kan overeenkomstig de procedure van artikel 19 worden besloten dat de werkzame stof niet aan de in artikel 5, lid 1, genoemde voorwaarden voldoet. In dat geval zorgen de Lid-Staten ervoor dat de toelatingen worden ingetrokken.

In afwijking van artikel 6 kan, indien bij het verstrijken van de termijn van drie jaar geen besluit is genomen over de opneming van een werkzame stof in bijlage I, volgens de procedure van artikel 19 een aanvullende termijn worden vastgesteld waarin het dossier en eventueel de overeenkomstig artikel 6, leden 3 en 4, gevraagde aanvullende informatie volledig kunnen worden onderzocht.

(…)

2. In afwijking van artikel 4 en onverminderd lid 3 en Richtlijn 79/117/EEG mag een Lid-Staat, gedurende een periode van twaalf jaar na de kennisgeving van deze richtlijn, toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in bijlage I zijn opgenomen en die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn nog niet op de markt waren, op zijn grondgebied op de markt worden gebracht.

(…)

Tien jaar na de kennisgeving van deze richtlijn legt de Commissie aan het Europese Parlement en de Raad een verslag voor over de vooruitgang die met betrekking tot het programma is geboekt. Overeenkomstig de conclusies van het verslag kan overeenkomstig de procedure van artikel 19 worden besloten of de in de eerste alinea bedoelde periode van twaalf jaar voor bepaalde stoffen met een nader te bepalen termijn wordt verlengd.

(…)

3. Wanneer Lid-Staten een nieuw onderzoek instellen naar gewasbeschermingsmiddelen die een overeenkomstig lid 2 te onderzoeken werkzame stof bevatten, passen zij, voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden, de in artikel 4, lid 1, onder b), punten i) tot en met v), en onder c) tot en met f), genoemde voorwaarden toe, uit hoofde van de nationale bepalingen betreffende de te verstrekken gegevens.

4. Eveneens in afwijking van artikel 4 mag een Lid-Staat in bijzondere omstandigheden voor ten hoogste 120 dagen toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die niet aan artikel 4 voldoen, op de markt worden gebracht met het oog op een beperkt en gecontroleerd gebruik, indien de plantaardige produktie door onvoorziene, op geen enkele andere manier te bestrijden gevaren wordt bedreigd. In dat geval licht de betrokken Lid-Staat de andere Lid-Staten en de Commissie onmiddellijk over deze maatregel in. Volgens de procedure van artikel 19 wordt onverwijld vastgesteld of en onder welke voorwaarden deze maatregel van de Lid-Staat voor een vast te stellen periode mag worden verlengd, herhaald of ingetrokken.

(…)

Onderzoek en ontwikkeling

Artikel 22

1. De Lid-Staten bepalen dat een proef of experiment voor onderzoek- of ontwikkelingsdoeleinden waarbij een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel in het milieu wordt gebracht, alleen na toestemming voor experimentele doeleinden mag worden uitgevoerd onder gecontroleerde omstandigheden en voor beperkte hoeveelheden en oppervlakten.

(…)

Tenuitvoerlegging van de richtlijn

Artikel 23

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen binnen een termijn van twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn. (…)

(…)."

Artikel 1 van de verordening van de Commissie van 20 november 2002 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad bedoelde termijn en betreffende de niet-opneming van bepaalde werkzame stoffen in bijlage I bij die richtlijn en de intrekking van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten (Verordening (EG) 2076/2002; Pb L319, p. 3), zoals nadien gewijzigd (hierna: verordening), luidt als volgt.

"De in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG bedoelde periode van twaalf jaar wordt verlengd tot en met 31 december 2005 voor de werkzame stoffen die worden geëvalueerd in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 en van de tweede fase als bedoeld in Verordening (EG) nr. 451/2000, en tot en met 31 december 2008 voor de werkzame stoffen die worden geëvalueerd in het kader van Verordening (EG) nr. 1490/2002, tenzij een besluit is genomen of vóór die datum wordt genomen om de werkzame stof al dan niet op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Gedurende die perioden mogen de lidstaten blijven toelaten of opnieuw toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen die de hierboven bedoelde werkzame stoffen bevatten, op hun grondgebied op de markt worden gebracht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG."

In bijlage I bij de verordening van de Commissie van 28 februari 2000 houdende bepalingen voor de uitvoering van de tweede en de derde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (Verordening (EG) 451/2000; Pb L55, p. 25), zoals nadien gewijzigd, wordt onder meer genoemd de stof pirimifos-methyl.

In bijlage I bij de verordening van de Commissie van 14 augustus 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 451/2000 (Verordening (EG) 1490/2002; Pb L224, p. 23), zoals nadien gewijzigd, worden onder meer genoemd de stoffen triflusulfuron en carbaryl.

In artikel 1 van de Verordeningen (EG) 3600/92, 451/2000 en 1490/2002 is bepaald dat deze verordeningen gelden onverminderd verificaties door de lidstaten van de in bijlage I (bij elk van deze verordeningen) opgenomen werkzame stoffen, met name in het kader van verlengingen van toelatingen overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de richtlijn.

De verordening van de Commissie van 23 april 2004 tot vaststelling van overgangsmaatregelen met betrekking tot het voortgezette gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten na de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Europese Unie (Verordening (EG) nr. 771/2004), welke verordening ingevolge het bepaalde in artikel 3 van deze verordening in werking is getreden op 1 mei 2004 luidt voor zover hier van belang als volgt:

"Overwegende (…)

(4) Verschillende nieuwe lidstaten hebben de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij werkzame stoffen op de markt hebben die in de huidige lidstaten niet op de markt zijn. Het is passend dat deze werkzame stoffen op de markt kunnen blijven zodat zij in de vierde fase van het evaluatieprogramma kunnen worden geëvalueerd.

(…)

Artikel 2

De lidstaten kunnen het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen die de in de bijlage II vermelde werkzame stoffen bevatten, toestaan of opnieuw toestaan tot en met 30 april 2007, tenzij voor die datum wordt besloten dat de werkzame stof niet in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG wordt opgenomen."

In de bijlage II bij deze verordening is de werkzame stof calcium polysulfide opgenomen.

In de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) is onder meer het volgende bepaald.

"§ 2. De toelating en registratie van bestrijdingsmiddelen

Artikel 2

1. Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten of voor zover het een biocide met een gering risico betreft, is geregistreerd.

(…)

Artikel 3

(…)

2. Een bestrijdingsmiddel wordt voorts slechts toegelaten of geregistreerd indien:

a. voor zover het een bestrijdingsmiddel ["betreft,", toevoeging voorzieningenrechter CBb] de werkzame stof of werkzame stoffen zijn aangewezen bij een communautaire maatregel die de werkzame stoffen vermeldt die mogen worden gebruikt als basis voor bestrijdingsmiddelen en aan de daarbij gestelde voorwaarden wordt voldaan;

(…)

(…)

Artikel 5

1. De toelating of registratie van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating of registratie te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating of registratie kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating of registratie is voldaan. Zonodig kan de toelating of registratie worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

2. Bij de toelating of de registratie:

a. worden voorschriften gegeven omtrent:

1. de doeleinden waarvoor het middel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden;

(…)

3. voor zover het de toelating van een gewasbeschermingsmiddel betreft, waar mogelijk, de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding;

b. kunnen voorschriften worden gegeven welke onder meer betrekking hebben op:

1. de tijden en de plaatsen waarop,

2. de klimatologische omstandigheden waaronder,

3. de doseringen waarin,

4. de wijze waarop, of

5. de technische hulpmiddelen waarmede het middel uitsluitend dan wel niet mag worden gebruikt, alsmede op de bij het gebruik in acht te nemen veiligheidstermijnen.

3. Bij de toelating of registratie kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de samenstelling, kleur, vorm, afwerking, verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking van het bestrijdingsmiddel.

4. Bij de toelating:

a. kan worden bepaald, dat het bestrijdingsmiddel uitsluitend mag worden afgeleverd aan en gebruikt door personen of rechtspersonen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie;

(…)

6. Het college kan, voor zover het gewasbeschermingsmiddelen betreft, op aanvraag van wetenschappelijke instanties, lichamen, organisaties en instellingen die werkzaamheden verrichten of mede verrichten op het gebied van de landbouw dan wel van organisaties van gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen onder nader door Onze betrokken Minister gestelde regelen, de doeleinden waarvoor het middel gebruikt mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden.

7. Het college kan voorts op aanvraag van de toelating- of registratiehouder onder nader door Onze betrokken Minister te stellen regelen de doeleinden waarvoor een bestrijdingsmiddel gebruikt mag worden, bedoeld in het tweede lid, uitbreiden, voor zover het een gewasbeschermingsmiddel (…) betreft dat een werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993 (…) werd afgeleverd en niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen of ten aanzien waarvan geen communautaire maatregel geldt op grond waarvan de toelating of registratie niet verleend mag worden of dient te worden ingetrokken.

8. Met uitzondering van het toelatingscriterium, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde, kan bij de regelen, bedoeld in het zesde en zevende lid, voor bij die regelen aangewezen bestrijdingsmiddelen onder meer worden bepaald dat voor de beoordeling van de uitbreiding van de doeleinden, waarvoor het middel mag worden gebruikt, één of meer eisen van toepassing zijn aan de hand waarvan het betrokken middel of een ander bestrijdingsmiddel dat dezelfde werkzame stof bevat en is toegelaten of geregistreerd voor een naar het oordeel van het college vergelijkbaar doeleinde, laatstelijk is beoordeeld, en dat die beoordeling, in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, aanhef, plaatsvindt aan de hand van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop het betrokken middel, dan wel een ander bestrijdingsmiddel, zoals hiervoor bedoeld, laatstelijk is beoordeeld. (…).

(…)

Artikel 5a

1. Onze betrokken Minister kan bij regeling voorschriften geven omtrent:

a. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het oogsten van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of bij het in het verkeer brengen van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of delen daarvan;

b. het in acht nemen van veiligheidstermijnen bij het in het verkeer brengen van voortbrengselen van met een bestrijdingsmiddel behandelde dieren of bij het slachten van zodanige dieren;

c. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde planten of delen van planten;

d. het telen van gewassen op met een bestrijdingsmiddel behandelde grond;

e. het gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandeld water;

f. het betreden onderscheidenlijk gebruiken van met een bestrijdingsmiddel behandelde ruimten, oppervlakken en goederen, dan wel van ruimten waarin zich behandelde goederen bevinden of bevonden hebben;

(…)

2. Ten aanzien van een bestrijdingsmiddel, waarop de in het vorige lid bedoelde regeling geen betrekking heeft, kunnen bij de toelating of registratie één of meer voorschriften van die regeling van toepassing worden verklaard. Dit wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

(…)

(…)

Artikel 8

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artikel 9

1. Op verzoek van Onze betrokken Minister wordt een bestrijdingsmiddel door het college ambtshalve toegelaten of geregistreerd.

2. Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid kunnen voorschriften, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, worden verbonden.

3. Aan een toelating of registratie ingevolge het eerste lid kunnen nadere voorschriften, als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid, worden verbonden.

(…)

§ 3. Ge- en verbodsbepalingen met betrekking tot toegelaten bestrijdingsmiddelen

Artikel 10

1. Het is verboden te handelen in strijd met de krachtens de artikelen 5, tweede, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, 5a, eerste en tweede lid, en 9, tweede en derde lid, vastgestelde voorschriften.

(…)

(…)

Artikel 16a

1. Onze betrokken Minister kan in bijzondere omstandigheden van het bepaalde in de artikelen 2, eerste lid, en 10, eerste en tweede lid voor ten hoogste 120 dagen, vrijstelling of ontheffing verlenen:

a. voor zover het gewasbeschermingsmiddelen betreft, indien de plantaardige produktie door onvoorziene, op geen enkele andere wijze te bestrijden gevaren wordt bedreigd;

(…)

3. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend en te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 16aa

1. Onze betrokken Minister kan, wanneer de belangen van de landbouw zulks dringend vereisen, vrijstelling of ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 2, eerste lid, en 10, eerste en tweede lid, ten aanzien van een gewasbeschermingsmiddel dat een werkzame stof bevat:

a. die reeds vóór 26 juli 1993 werd afgeleverd;

b. die niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen, en

c. ten aanzien waarvan het onderzoek, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991, betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230), na 26 juli 2003 wordt aangevangen of voortgezet.

2. Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend en te allen tijde worden ingetrokken.

(…).

§ 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 25d

1. Een bestrijdingsmiddel, waarvan de werkzame stof of stoffen door het college zijn aangewezen, is, in afwijking van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 3a en van de artikelen 4, eerste lid, en 5, eerste lid, van rechtswege

toegelaten of geregistreerd met ingang van het in het derde lid bedoelde tijdstip.

2. Bij de aanwijzing van een werkzame stof, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de effecten van de betrokken werkzame stof, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende.

3. De toelating of registratie, bedoeld in het eerste lid, is van kracht met ingang van het tijdstip van beëindiging van de uit hoofde van artikel 4 afgegeven toelating of registratie, met dien verstande dat indien dit tijdstip van beëindiging reeds is verstreken, de toelating, onderscheidenlijk registratie terug werkt tot en met dat tijdstip. De toelating, onderscheidenlijk registratie geldt, in afwijking van artikel 5, eerste lid, tot het tijdstip waarop uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven aan een met betrekking tot de betrokken werkzame stof vastgestelde communautaire maatregel als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, met dien verstande dat zij in ieder geval doorloopt na 26 juli 2003, dan wel 15 mei 2010 indien uiterlijk op die onderscheiden datum geen communautaire maatregel is vastgesteld die vermeldt of de betrokken werkzame stof mag worden gebruikt als basis voor een gewasbeschermingsmiddel onderscheidenlijk biocide.

4. Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bestrijdingsmiddelen is het verboden te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede en derde lid, gegeven voorschriften, zoals deze golden tot het moment van beëindiging van

de toelating of registratie uit hoofde van artikel 4, en met de krachtens artikel 13 gegeven voorschriften.

5. Onverminderd de artikelen 5 en 7 wordt een toelating of registratie als bedoeld in het eerste lid, door het college ingetrokken of worden de voorschriften, bedoeld in artikel 5, tweede lid, door het college gewijzigd indien dat noodzakelijk

is ter uitvoering van een communautaire maatregel. Artikel 7, derde en vierde lid, zijn op de intrekking van de toelating, onderscheidenlijk registratie van toepassing.

6. Het eerste lid is:

a. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel niet verleend mag worden;

b. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie ingevolge een communautaire maatregel dient te worden ingetrokken, vanaf het tijdstip waarop aan die maatregel uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven;

c. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat een werkzame stof bevat die reeds vóór 26 juli 1993, indien het een gewasbeschermingsmiddel betreft, onderscheidenlijk 15 mei 2000, indien het een biocide betreft, werd

afgeleverd en niet bij een in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, bedoelde communautaire maatregel is aangewezen;

d. uitsluitend van toepassing op een bestrijdingsmiddel dat is toegelaten of laatstelijk op 1 januari 2001 toegelaten is geweest of is geregistreerd;

e. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarvan de toelating of registratie is ingetrokken op verzoek van de toelatinghouder of ten aanzien waarvan geen aanvraag tot verlenging van de toelating of registratie is ingediend

overeenkomstig de krachtens artikel 4 gestelde regelen omtrent het indienen van een aanvraag;

f. niet van toepassing op een bestrijdingsmiddel waarop artikel II van de wet van 25 januari 2001, houdende wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (landbouwkundig onmisbare gewasbeschermingsmiddelen) van toepassing is of is

geweest.

7. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt door de zorg van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in de Staatscourant bekend gemaakt. Hij gaat daartoe niet eerder over dan nadat de aanwijzing aan beide

Kamers der Staten-Generaal is overgelegd voor een periode van 30 dagen.

8. Onze betrokken minister kan, ter uitvoering van een communautaire maatregel, dit artikel onder door hem te stellen regelen van overeenkomstige toepassing verklaren voor bestrijdingsmiddelen op basis van door hem aangewezen

werkzame stoffen."

Op 12 september 2002 heeft de Tweede Kamer een namens de regering door de (toen geheten) Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ingediende nota van wijziging van de Bmw ontvangen (TK 2001-2002, 28.358, nr. 6). Deze nota strekt onder meer tot invoering van een artikel 16b, later zonder inhoudelijke wijziging vernummerd tot 16aa. In de toelichting op de nota van wijziging is onder meer het volgende vermeld.

"(…) Artikel 8, vierde lid, van de richtlijn bepaalt dat voor gewasbeschermingsmiddelen die niet aan de communautaire toelatingseisen voldoen, voor ten hoogste 120 dagen een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, indien de plantaardige productie door onvoorziene, op geen enkele andere wijze te bestrijden gevaren wordt bedreigd. Met de implementatie van die bepaling is artikel 16a van de Bmw in gelijke bewoordingen geformuleerd. (…)

(…)

De optie om knelpunten in de praktijk op te lossen door een beroep te doen op artikel 16a stuit in de praktijk weer op andere problemen. Daarbij loopt de regering aan tegen de beperking in dat artikel dat vrijstellingen of ontheffingen slechts kunnen worden afgegeven indien sprake is van een onvoorzien gevaar. Derhalve stelt de regering met de onderhavige nota van wijziging (…) voor een specifieke vrijstellings- en ontheffingsbepaling in de Bmw op te nemen. Die bepaling zal een ruimer kader kennen, namelijk indien sprake is van een situatie waarin de belangen van de landbouw dringend vereisen dat een vrijstelling of ontheffing wordt verleend. Van een dergelijke situatie zal naar het oordeel van de regering sprake zijn, indien het een gewasbeschermingsmiddel betreft dat voor de aan de orde zijnde teelt - bij gebreke aan andere gewasbeschermingsmiddelen dan wel mechanische of biologische bestrijdingsmethoden - niet kan worden gemist. Dit zal onder meer kunnen worden beoordeeld aan de hand van de aspecten en methodieken die in het kader van de landbouwkundige onmisbaarheidsvoorziening van artikel 25c van de Bmw zijn ontwikkeld. De aspecten betreffen innovatie, resistentierisico of landbouwtechnische doelmatigheid.

(…)”

De nota naar aanleiding van het nader verslag (TK 2002-2003, 28.358, nr. 8) bevat onder meer de volgende passage.

"De leden van de fractie van GroenLinks merken voorts op dat met het vervallen van artikel 25c en het wijzigen van artikel 16b [thans 16aa; toevoeging voorzieningenrechter CBb] ook de eis, dat onmisbare middelen moeten voldoen aan minder stringente milieurandvoorwaarden, vervalt. Zij vragen op welke manier invulling zal worden gegeven aan het principe van de Europese Richtlijn nr. 91/414/EEG, dat een middel slechts is toegelaten als gebleken is dat er geen of aanvaardbare risico's zijn voor onder andere milieu.

Dienaangaande merk ik op dat het uitgangspunt van de gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn ziet op de situatie waarin alle werkzame stoffen die op de markt zijn, op Europees niveau zijn (her)beoordeeld. Die situatie is thans nog niet aangebroken. Thans is nog sprake van een overgangssituatie. Het voorgaande neemt niet weg dat binnen de specifieke omstandigheden van het geval - en net als bij toepassing van het bestaande artikel 16a - aan de voorziening voorschriften kunnen worden verbonden. Ook kan de vrijstelling of ontheffing onder beperkingen worden verleend. (…) Deze voorschriften en beperkingen kunnen onder meer gericht zijn op de milieubelangen die eveneens in het geding kunnnen zijn. Het spreekt voor zich dat dergelijke voorschriften ook zullen worden gesteld indien de noodzaak daartoe bestaat."

Blijkens de Handelingen EK 2002-2003 heeft de minister over de invoering van het huidige artikel 16aa voorts onder meer het volgende opgemerkt.

"De voorziening die met de nota van wijziging is getroffen, het instrumentarium voor het oplossen van knelpunten, ligt (…) in het verlengde van de reeds eerder getroffen voorziening, te weten de landbouwkundige onmisbaarheidsvoorziening, de herprioriteringsoperatie en een vereenvoudiging van de uitbreidingstoelatingen. In al deze gevallen is sprake van bepalingen die in lijn zijn met het Europese toelatingsstelsel. In concreto heeft de EU de aanpak die met de onderhavige nota van wijziging is gekozen duidelijk bevestigd met verordening 2076 van november 2002.

(…)

De gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn (91/414) gaat uit van het principe dat een middel slechts is toegelaten als gebleken is dat er geen onaanvaardbare risico's zijn. Dit principe heeft betrekking op de toelating van middelen waarvan de werkzame stof in EU-verband is beoordeeld. Dit is ook het einddoel van de richtlijn: namelijk dat alle werkzame stoffen in EU-verband zijn beoordeeld op hun risico's. Dan moet ook een hoog beschermingsniveau gelden. Momenteel bevinden wij ons in een overgangsperiode waarin veel bestaande werkzame stoffen nog niet in EU-verband zijn beoordeeld. Hierover gaat artikel 8, tweede lid. Artikel 8, derde lid is derhalve niet aan de orde. Gedurende de overgangsperiode mogen de lidstaten middelen met nog niet beoordeelde stoffen nog volgens nationaal inzicht omtrent de aanvaardbaarheid van de risico's toelaten in afwijking van de communautaire eisen."

In het besluit Vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen 2004, is onder meer het volgende bepaald.

"(…)

Gelet op artikel 16aa van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder 'wet': Bestrijdingsmiddelenwet 1962.

Artikel 2

Van het verbod van artikel 2, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend voorzover de in deel I van de bijlage gestelde gebruiksvoorschriften en gebruiksaanwijzing worden nageleefd bij het afleveren, voor handen of in voorraad hebben binnen nederland brengen of gebruiken van de in deel I van de bijlage genoemde gewasbeschermingsmiddelen aan degenen die:

a. beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam zijn in de teelt waarvoor het betrokken middel ingevolge dit besluit is vrijgesteld, of

b. ten behoeve van een onder a bedoeld persoon ter uitoefening van een beroep of bedrijf werkzaamheden met het betrokken gewasbeschermingsmiddel verrichten.

Artikel 3

Van het verbod van artikel 10, eerste lid, van de wet om te handelen in strijd met de krachtens de artikelen 5, tweede, derde, vierde, zesde, zevende en achtste lid, 5a, eerste en tweede lid, en 9, tweede en derde lid, vastgestelde voorschriften wordt vrijstelling verleend voorzover de in deel II van de bijlage gestelde gebruiksvoorschriften en gebruiksaanwijzing worden nageleefd bij het afleveren, voorhanden of in voorraad hebben, binnen Nederland brengen of gebruiken van de in deel II van de bijlage genoemde gewasbeschermingsmiddelen aan degenen die

a. beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam zijn in de teelt waarvoor het betrokken middel ingevolge dit besluit is vrijgesteld, of

b. ten behoeve van een onder a bedoeld persoon ter uitoefening van een beroep of bedrijf werkzaamheden met het betrokken gewasbeschermingsmiddel verrichten.

Artikel 4

De in artikel 2, onderscheidenlijk 3, bedoelde vrijstelling is slechts van toepassing voorzover het afleveren, voorhanden hebben, binnen nederland brengen of gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen plaats vindt ten behoeve van de bestrijding van de ziekte of plaag in de teelt waarvoor het betrokken middel ingevolge dit besluit is vrijgesteld.

(…)

Artikel 6

1. (...)

2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2005

Bijlage vrijstellingen gewasbeschermingsmiddelen eerste kwartaal 2004

Deel I Voorschriften voor de gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 2

I. A. Knelpunt Biologische appelteelt – Appelschurft

Vrijgestelde gewasbeschermingsmiddel:

Merknaam: Polisolfuro di Calcio

Gehalte werkzame stof: 230g/l kalkzwavel

(…)

I. B. Knelpunt Appel – Vruchtverdunning

Gewasbeschermingsmiddel

Merknaam: Sevin SL

Gehalte werkzame stof: 480 g/l carbaryl

(…)

Deel II Voorschriften voor de gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 3

II. A. Knelpunt Groene potplanten tegen wol-, dop- en schildluizen

Gewasbeschermingsmiddel:

Merknaam: Actellic 50

Gehalte werkzame stof: 500g/l pirimifos-methyl

(…)

II. B. Knelpunt breedbladige onkruiden in de teelt van chichorei en witlofpennen

Merknaam: Safari

Gehalte werkzame stof: 50% triflusulfuron-methyl

(…)

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- In een rapport van 5 december 2003 heeft de Plantenziektenkundige Dienst (hierna: PD) 90 gewasbeschermingsproblemen aangewezen als knelpunt. Hiervan zijn er 81 (mede) erkend op basis van het criterium “een landbouwkundige doelmatige teelt van het gewas is, mede vanuit oogpunt van kosteneffectiviteit, niet mogelijk.” En zijn er 11 (mede) erkend op basis van het criterium “de ontwikkeling of instandhouding van een geïntegreerd gewasbeschermingssysteem is niet meer mogelijk indien een middel niet wordt toegelaten.

- Op 22 maart 2004 heeft het Hoofdproductschap Akkerbouw, mede namens LTO Nederland, een aanvraag ingediend bij verweerder tot vrijstelling op basis van

artikel 16aa Bmw voor het gewasbeschermingsmiddel Safari in de teelt van Cichorei en Witlofpennen.

- Op 23 maart 2004 heeft TNO/NOTOX vier adviezen uitgebracht voor de vrijstellingsregeling gewasbeschermingsmiddelen 2004 betreffende calcium polysulfide - Polisulfuro di calcio (knelpunt schurft bij appels), carbaryl - Sevin SL (knelpunt vruchtverdunning in de teelt van appels), pirimifos-methyl - Actellic 50 (knelpunt luizen bij groene potplanten), triflusulfuron-methyl - Safari (knelpunt onkruiden bij Witlof en cichorei). De PD heeft de WG/GA van de aanvragers en restricties naar aanleiding van de risicobeoordelingen getoetst en naar aanleiding daarvan nieuwe WG/GA’s opgesteld per knelpunt, welke als bijlagen bij deze adviezen zijn gevoegd.

- Bij brief van 24 maart 2004 heeft het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen (Ctb) de vorenbedoelde vier adviezen, zoals die onder aansturing van het Ctb tot stand zijn gekomen, aan verweerder doen toekomen.

- Op 30 maart 2004 heeft de Nederlandse Fruittelers Organisatie een aanvraag ingediend bij verweerder tot vrijstelling op grond van artikel 16aa Bmw voor het gewasbeschermingsmiddel Polisulfuro di calcio in de biologische teelt van appels.

Op 31 maart 2004 heeft LTO Nederland een aanvraag ingediend bij verweerder tot vrijstelling op basis van artikel 16aa Bmw voor het gewasbeschermingsmiddel Actellic 50 in de teelt van potplanten.

Op 5 april 2004 heeft de Nederlandse Fruittelers Organisatie een aanvraag ingediend bij verweerder tot vrijstelling op basis van artikel 16aa Bmw voor het gewasbeschermingsmiddel Sevin SL in de teelt van appel.

- De PD heeft hierop aan verweerder geadviseerd voornoemde aanvragen te honoreren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verzoeksters

Verzoeksters hebben - samengevat - het volgende aangevoerd.

Verzoeksters hebben een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De in geding zijnde gewasbeschermingsmiddelen worden namelijk reeds thans toegepast in de betreffende teelten.

Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat artikel 16aa Bmw strijdig is met de richtlijn. De door de richtlijn vereiste toetsing of wordt voldaan aan de criteria van artikel 4 richtlijn wordt in artikel 16aa Bmw achterwege gelaten. Artikel 16aa schept voor verweerder een algemene bevoegdheid om bestrijdingsmiddelen toe te laten louter op de grond dat deze middelen voor de landbouw nodig zijn.

Verzoeksters betogen voorts dat niet voldoende is onderbouwd dat sprake is van “dringend vereisen” als bedoeld in artikel 16aa Bmw. Bij de adviezen van de PD die kennelijk de overwegingen bevatten waaruit moet worden afgeleid dat sprake is van “dringend vereisen”, valt op dat het met name economische redenen zijn waarom behoefte zou bestaan aan toepassing van de betreffende middelen. Bij de beoordeling van de vraag of de belangen van de landbouw het gebruik van een middel dringend vereisen dient tevens te worden meegewogen in hoeverre het gebruik (naast landbouwtechnische doelmatigheid) nodig is uit een oogpunt van innovatie of resistentierisico, welke criteria worden genoemd in de memorie van toelichting bij artikel 16aa Bmw.

Verzoeksters menen dat het niet op hun weg ligt om voor de betreffende middelen aan te tonen dat grote schade optreedt. De richtlijn en in navolging daarvan de Bmw, gaan uit van de schadelijkheid van een gewasbeschermingsmiddel totdat in voldoende mate is onderzocht of het aanvaardbaar is.

In de rapportage van TNO/NOTOX met betrekking tot kalkzwavel blijkt uit de conclusie ten aanzien van het milieu dat een aanzienlijk deel van de voor een beoordeling noodzakelijke gegevens niet aanwezig is, zodat het niet mogelijk was vast te stellen dat geen onaanvaardbare schade optreedt. Voor sommige nuttige insecten bestaan risico’s. Het middel Polysulfuro di calcio is nooit toegelaten geweest. Wel is de werkzame stof calcium polysulfide toegelaten geweest.

Wat betreft Sevin SL (carbaryl) geven TNO/NOTOX in hun rapportage aan dat het risico voor waterorganismen groot is; 96x overschrijding van de norm bij normaal gebruik van het middel in de appelteelt. Op geen enkele wijze wordt duidelijk dat de voorgeschreven reductiemaatregelen tot een vermindering van de belasting met een factor 100 leiden, wat nodig is om de normoverschrijding te beëindigen. Een dermate grote reductie is onwaarschijnlijk. Voorts blijkt uit deze beoordeling dat de uitspoeling van één van de metabolieten zorgelijk is maar niet bekend wegens het ontbreken van gegevens. Een aantal risico’s is niet ingeschat.

Dat kalkzwavel en carbaryl in het verleden niet, of niet volledig, beoordeeld zijn, is geen reden tot vermindering van de zorg.

Voor wat betreft Actellic 50 (pirimifos-methyl) erkent verweerder dat het toegelaten gebruik risico’s voor waterorganismen met zich meebrengt. Dat het slechts om beperkt gebruik zou gaan wordt niet nader onderbouwd en is ook overigens niet relevant. Onomstreden is dat door het besluit gebruik wordt toegestaan van een middel (Actellic 50) waarvan vastgesteld is dat het onaanvaardbaar risico voor het milieu met zich meebrengt.

Wat betreft Safari (triflusulfuron-methyl) merkt verweerder op dat het slechts een uitbreiding van het gebruik betreft van een reeds voor een andere teelt toegelaten middel, en dat een aanvraag tot dit gebruik tot op heden niet is afgewezen. Indien dit gebruik ook mogelijk zou zijn na het doorlopen van een reguliere toelatingsprocedure valt volgens verzoeksters niet in te zien dat het noodzakelijk is op de thans gevolgde wijze tot toelating van het gebruik van dit middel over te gaan.

Verzoeksters betogen voorts dat verweerder geen middel mag toelaten dat niet is beoordeeld of dat niet voldoet aan de criteria van artikel 4, eerste lid onder b, punten i) t/m v), c en f van de richtlijn en verwijzen daartoe naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van 21 januari 2004 (www.rechtspraak.nl. LJN-nummer AO2133).

Het beroep van verweerder op het arrest van het Hof van Justitie (HvJ EG van 3 mei 2001, C-306/98, Jurispr. 2001, blz. I-3279; hierna: Monsanto-arrest) treft geen doel. Het Monsanto-arrest zegt weinig over de situatie bij middelen die (in het verleden, en eventueel in andere toepassingen) wel op de markt waren. Uit dit arrest kan derhalve niet worden geconcludeerd, zoals verweerder doet, dat een minder scherpe beoordeling dan totnogtoe in Nederland plaatsvond gerechtvaardigd zou zijn. Het Monsanto-arrest ziet op een bijzondere situatie in het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van “me-too”-aanvragen voor generieke middelen.

Ten onrechte wordt met het besluit het gebruik toegestaan van bestrijdingsmiddelen waarvan de toepassing in het verleden niet is toegestaan omdat niet kon worden vastgesteld dat het gebruik voldeed aan (onder meer) de milieucriteria. Het (alsnog) toestaan van het gebruik van deze middelen betekent een uitbreiding ten aanzien van bestaand gebruik, waardoor aanzienlijke schade aan het milieu kan worden toegebracht.

4. Het standpunt van verweerder

Het verzoek ontbeert een spoedeisend belang. Verzoeksters zijn er niet in geslaagd om aan te tonen dat de verleende vrijstellingen tot aanmerkelijke schade aan het milieu zullen leiden. In tegendeel, uit de adviezen opgesteld door TNO, NOTOX in samenspraak met het Ctb blijkt dat van een dergelijke schade aan het milieu geen sprake is. Gelet hierop en omdat de beslissing op bezwaar op korte termijn zal worden genomen, is van onverwijlde spoed geen sprake en voor de gevraagde voorziening geen ruimte.

Bovendien is de gevraagde voorziening vergaand en definitief. Toewijzing van het verzoek komt er de facto op neer dat de betreffende gewasbeschermingsmiddelen vanaf het moment van schorsing tot en met het nemen van de beslissing op bezwaar niet mogen worden gebruikt, terwijl de middelen op dit moment moeten worden toegepast om effect te sorteren.

Verweerder is van mening dat het bestreden besluit van 21 april 2004 rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat een eventuele belangenafweging in het nadeel van verzoeksters dient uit te vallen. De economische belangen die gemoeid zijn met het onderhavige besluit zijn enorm en dienen in dit geval te prevaleren. Hiermee ontstaat geen strijd met de richtlijn 1991/414 nu deze niet verplicht om in alle gevallen de milieubelangen te laten prevaleren. Er is sprake van een nevenschikking van belangen.

De voorzieningenrechter van het College heeft bij uitspraak van 21 januari 2004 op een vergelijkbaar verzoek van verzoekster sub 1 geoordeeld dat de in de betreffende bestreden regeling vervatte toepassing van artikel 16aa Bmw onmiskenbaar in strijd is met de richtlijn. Dit omdat een aantal toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen wordt toegestaan, zonder dat de toelaatbaarheid daarvan is getoetst aan de in artikel 8, derde lid, richtlijn genoemde milieucriteria.

Terecht - aldus verweerder - wordt in die uitspraak overwogen dat in de overgangsperiode ook artikel 8, derde lid, richtlijn van toepassing is. Dit betekent echter volgens verweerder niet dat deze bepaling algemeen van toepassing is. Artikel 8, derde lid, richtlijn is uitsluitend van toepassing indien zich de in die bepaling omschreven situatie van “een nieuw onderzoek” voordoet. Zoals het Hof van Justitie in het Monsanto-arrest in punt 34 overweegt, veronderstelt een dergelijk nieuw onderzoek dat de gewasbeschermingsmiddelen al tot de markt zijn toegelaten. Het Hof van Justitie verwijst hierbij naar artikel 4, vijfde lid, richtlijn waarin wordt gesproken over herziening van een toelating indien er aanwijzingen bestaan dat niet langer wordt voldaan aan de in artikel 4, eerste lid, genoemde eisen.

Uit het Monsanto-arrest blijkt duidelijk dat deze situatie zich niet voordoet als het gaat om een eerste toelating. In dat geval kan geen sprake zijn van een nieuw onderzoek, aldus het Hof van Justitie in punt 36 van het arrest. Naar de mening van verweerder doet deze situatie zich ook niet voor in geval van een hernieuwde toelating, zoals in geval van een verlenging of een vrijstelling.

Verweerder acht het niet logisch om tijdens de overgangsperiode bij de eerste toelating van een middel geen eisen te stellen en bij de hernieuwde toelating wel.

Het hoge beschermingsniveau van de richtlijn waarop verzoeksters zich beroepen geldt niet reeds tijdens de overgangsperiode. Eerst nadat een werkzame stof op Bijlage I is geplaatst, geldt onverkort het toetsingskader van de richtlijn. In zoverre moet artikel 8, derde lid, terughoudend worden geïnterpreteerd en ziet het enkel op de bijzondere situatie dat hangende een toelatingsperiode ernstige twijfels gaan rijzen. In dat bijzondere geval is het vanzelfsprekend dat nadere eisen worden gesteld aan de beoordeling van een dergelijk middel. Een dergelijke bijzondere zorg is niet nodig wanneer het gaat om een verlengde of hernieuwde toelating of om een eerste toelating.

Aangezien de Commissie, ten aanzien van de werkzame stoffen van de middelen opgenomen in het bestreden besluit, nog geen besluit heeft genomen over (niet-)opneming in Bijlage I bij de richtlijn, mag Nederland gedurende de overgangsperiode deze middelen blijven toelaten of opnieuw toelaten overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, richtlijn en artikel 1 Verordening (EG) nr. 2076/2002.

De voorzieningenrechter van het College heeft in bovengenoemde uitspraak van 21 januari 2004 de in geding zijnde vrijstellingen op grond van artikel 16aa Bmw gezien als een verkapte verlenging.

De Bmw maakt echter een duidelijk onderscheid tussen een verlenging en een vrijstelling. De vrijstelling vormt een bijzondere vorm van toelating die moet worden onderscheiden van de reguliere verlenging van een toelating. Artikel 16aa Bmw voorziet in een afwijkende, maar zeer zorgvuldige, toetsing waarvoor de rechtvaardiging is gelegen in het feit dat de belangen van de landbouw dat dringend vereisen in de overgangsperiode van de richtlijn. De rol van het Ctb bij deze toetsing is niet vergelijkbaar met de rol die het Ctb speelt bij een verlengingsaanvraag. Het Ctb coördineert slechts de adviezen die TNO en NOTOX uitbrengen.

Het bestreden besluit betreft vier gewasbeschermingsmiddelen waarvoor geen toelating (althans niet voor de specifieke toepassing) is aangevraagd. Het gaat daarmee om een bijzondere vorm van eerste toelating respectievelijk hernieuwde toelating. In dat kader is er geen "nieuw onderzoek" als bedoeld in artikel 8, derde lid, richtlijn ingesteld. Verweerder was ook niet verplicht een nieuw onderzoek in te stellen en hoefde niet te toetsen aan de voorwaarden van artikel 4, eerste lid, richtlijn.

Bij het in casu uitgevoerde onderzoek hebben milieubelangen desondanks mede een rol gespeeld. Naar het oordeel van verweerder is hiermee materieel wel getoetst aan de voorwaarden van artikel 4, eerste lid, onder b punten i t/m v, en onder c t/m f, richtlijn.

De in het bestreden besluit neergelegde toepassing van artikel 16aa Bmw is niet in strijd met de richtlijn.

Juist is dat uit de adviezen van de PD blijkt dat met name economische redenen ten grondslag hebben gelegen aan de behoefte tot toepassing van de onderhavige middelen. Uit de Nota van de PD van 5 december 2003 blijkt dat van de 90 erkende knelpunten er 81 (mede) erkend zijn op basis van het criterium "een landbouwtechnisch doelmatige teelt van het gewas is mede vanuit oogpunt van kosteneffectiviteit, niet mogelijk" en 11 zijn (mede) erkend op basis van het criterium "de ontwikkeling of instandhouding van een geïntegreerd gewasbeschermingssysteem is niet meer mogelijk indien een middel niet wordt toegelaten". Daarmee is niet gezegd dat de toets die de PD heeft uitgevoerd niet goed is uitgevoerd. De PD is geheel conform hetgeen de convenantspartijen hebben afgesproken te werk gegaan en heeft daarbij getoetst volgens de procedure en de criteria beschreven in het Plan van Aanpak "Stevige Toets".

Verzoeksters stellen ten onrechte dat, nu met name economische redenen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende vrijstellingen, hiermee niet is voldaan aan de in artikel 16aa Bmw gestelde voorwaarde dat de belangen van de landbouw verlening van een vrijstelling dringend vereisen. In de wetsgeschiedenis bij artikel 16aa Bmw wordt aangegeven dat het dringend vereist zijn onder meer kan worden beoordeeld aan de hand van de aspecten en methodieken die in het kader van de landbouwkundige onmisbaarheidsvoorziening van

artikel 25c Bmw zijn ontwikkeld, te weten de aspecten innovatie, resistentierisico of landbouwkundige doelmatigheid. De wetsgeschiedenis spreekt niet over een verplichting tot toetsing aan al deze criteria.

Uit de adviezen van TNO en NOTOX, gecoördineerd door het Ctb blijkt, dat van aanzienlijke, onmiddellijke, voortdurende en onomkeerbare schade aan het milieu geen sprake is.

5. Het standpunt van LTO-Nederland

De tijdelijke vrijstelling van gewasbeschermingsmiddelen past in het streven van LTO-Nederland naar een verdere verduurzaming van de Nederlandse land- en tuinbouw en is onderdeel van het Convenant duurzame gewasbescherming.

De stellingname van verzoeksters dat door het (alsnog) toestaan van het gebruik van de in geding zijnde middelen aanzienlijke schade aan het milieu kan worden toegebracht staat diametraal tegenover de doelen van de biologische land- en tuinbouw, in casu de biologische teelt van appels.

Ook met betrekking tot de vrijstelling van Safari faalt het betoog van verzoeksters.

Safari heeft sinds 1996 een reguliere toelating in de teelt van suikerbieten en voederbieten (ca. 110.000 ha). Met 4500 cichorei staat het potentiële gebruiksareaal in deze teelt in geen verhouding tot het potentiële gebruiksareaal in de teelt van suiker en voederbieten.

Ten behoeve van een vrijstelling in het kader van artikel 16aa Bmw dient sprake te zijn van "dringend vereisen" en wordt in de zogenaamde "Stevige Toets" gekeken naar de consequenties voor de innovatie, het resistentiemanagement en de landbouwtechnische doelmatigheid.

Verzoekster sub 2 is nauw betrokken geweest bij het opstellen van de procedure met betrekking tot de vrijstellingen. Zij is tevens in de gelegenheid gesteld experts aan te leveren in het kader van de "Stevige Toets".

De tijdelijkheid van de vrijstellingen is de prikkel om zo snel mogelijk de betreffende knelpunten op reguliere (chemische dan wel niet-chemische) wijze op te lossen. De extra personele capaciteit in dit kader en onze initiatieven met betrekking tot het "Fonds kleine toepassingen" tonen dit aan.

De verleende vrijstellingen zijn voor de onderhavige teelten van levensbelang.

In het geval sprake is van extra milieubelasting als gevolg van een vrijgesteld gewasbeschermingsmiddel of toepassing daarvan dan is die beperkt, van tijdelijke aard, door betreffende instellingen aanvaardbaar bevonden en zal die meer dan te niet worden gedaan door overige acties in het kader van het Convenant.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende bezwaar en indien van de beslissing op dat bezwaar beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

6.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De in het onderhavige besluit vervatte besluiten (hierna gezamenlijk: het besluit) kunnen leiden tot schade aan het milieu, zodat het besluit verzoeksters in de door hen behartigde belangen treft. Naar voorlopig oordeel hebben verzoeksters dan ook een spoedeisend belang bij het voorkomen van deze gevolgen. De enkele omstandigheid dat de milieugevolgen niet goed kwantificeerbaar zijn, brengt niet met zich dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Aan een besluit als het onderhavige is nu eenmaal inherent dat niet op voorhand nauwkeurig kan worden vastgesteld in welke mate de vrijgestelde toepassingen zullen plaatsvinden.

6.3 De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerders standpunt dat bij de in geding zijnde vrijstellingen op basis van artikel 16aa Bmw sprake is van een bijzondere vorm van toelaten, waarvoor een afzonderlijke, bijzondere procedure geldt, hetgeen - zo begrijpt de voorzieningenrechter dit betoog van verweerder - meebrengt dat reeds om die reden niet aan de in de richtlijn gestelde voorwaarden behoeft te worden voldaan, geen doel treft. Deze vrijstellingen onderscheiden zich naar inhoud en beoogde rechtsgevolgen niet in rechtens relevante mate van besluiten van het Ctb waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (tijdelijk) wordt toegestaan, die onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen.

6.4 Blijkens artikel 1 van de verordening mogen de lidstaten gedurende de verlengde overgangstermijn toelaten of opnieuw toelaten dat gewasbeschermingsmiddelen op basis van de in de Verordeningen (EG) 3600/92, 451/2000 of 1490/2002 genoemde werkzame stoffen op de markt worden gebracht. Zulks dient, zo blijkt uit artikel 1 van de verordening te geschieden overeenkomstig artikel 8, tweede lid, richtlijn, waarin is verwezen naar artikel 8, derde lid, richtlijn.

De werkzame stof calcium polysulfide in het gewasbeschermingsmiddel Polisolfuro di calcio is evenwel niet opgenomen in de bijlagen bij de bovengenoemde verordeningen.

Het betreft een werkzame stof die niet in bijlage I van de richtlijn is opgenomen en die twee jaar na de kennisgeving van deze richtlijn nog niet op de markt was, zodat deze stof valt onder het overgangsregime van artikel 8, eerste lid, richtlijn. Dat deze werkzame stof in een van de lidstaten die met ingang van 1 mei 2004 zijn toegetreden tot de Europese Gemeenschap op de markt was en voorkomt op bijlage II van Verordening (EG) nr. 771/2004 van de Commissie van 23 april 2004 maakt dit niet anders.

Bij beschouwing van de in artikel 16aa, eerste lid, Bmw gegeven specificatie van de gewasbeschermingsmiddelen ten aanzien waarvan deze bepaling kan worden toegepast, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het voorlopig oordeel dat artikel 16aa Bmw ten grondslag kan worden gelegd aan vrijstellingen of ontheffingen die betrekking hebben op gewasbeschermingsmiddelen die niet vallen onder het overgangsregime van artikel 8, tweede lid, van de richtlijn en artikel 1 van de verordening. Het tegendeel is door verzoekster ook niet gesteld.

Voorts is gesteld noch voor de voorzieningenrechter kenbaar dat bij het verlenen van de vrijstelling ter zake van het betreffende middel is getoetst aan de in artikel 8, eerste lid, richtlijn gestelde voorwaarden.

Mitsdien bestaat in zoverre aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als gevraagd.

6.5 Terzake van de verleende vrijstellingen met betrekking tot de gewasbeschermingsmiddelen Sevin SL, met de werkzame stof carbaryl, Actellic 50 met de werkzame stof pirimifos-methyl en Safari met de werkzame stof triflusulfuron-methyl overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verweerder betoogt dat artikel 8, derde lid, richtlijn uitsluitend van toepassing is indien sprake is van een gewasbeschermingsmiddel dat reeds op de markt is toegelaten en waarbij gedurende de toelatingsperiode ernstige twijfel rijst of dit middel nog langer aan de toelatingseisen voldoet. Alleen in een dergelijk geval ligt het volgens verweerder in de rede dat de strenge toets op grond van de in artikel 4, eerste lid, richtlijn genoemde voorwaarden plaatsvindt om te onderzoeken of inderdaad een nieuw onderzoek van het reeds toegelaten middel noodzakelijk is.

Artikel 8, derde lid, richtlijn dient eng te worden uitgelegd, nu het reeds een uitzondering vormt op artikel 8, tweede lid, dat op zijn beurt een uitzondering vormt op artikel 8, eerste lid, richtlijn. In het Monsanto-arrest ziet verweerder aanknopingspunten dat niet alleen geen sprake is van een "nieuw onderzoek" als bedoeld in artikel 8, derde lid, richtlijn, indien het gaat om een eerste toelating van een nieuw middel, maar dat hiervan evenmin sprake is in het geval van een hernieuwde toelating.

Het vorenstaande leidt verweerder tot de slotsom dat de vrijstellingen, die verweerder beschouwt als eerste toelatingen (Actellic 50 en Safari), dan wel als een hernieuwde toelating (Sevin) niet onder (het overgangsregime van) de richtlijn vallen. In deze gevallen dient - aldus verweerder - uitsluitend aan het nationale, in casu het Nederlandse systeem waarvan artikel 16aa Bmw deel uitmaakt, te worden getoetst.

6.6.1 De voorzieningenrechter overweegt dat het in het Monsanto-arrest een middel betrof dat nog niet op de markt was in het Verenigd Koninkrijk, maar waarvan de werkzame stof al wel op de markt was in andere middelen. Het Hof van Justitie constateert dat artikel 8, tweede lid, eerste alinea, van de richtlijn geen eisen voor toelating tot de markt lijkt te bevatten, maar dat niettemin in dat artikellid wordt bepaald dat een dergelijke toelating wordt verleend onverminderd artikel 8, derde lid, richtlijn. Dat artikellid schrijft voor welke voorwaarden moeten worden toegepast bij een nieuw onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen die twee jaar na het van kracht worden van de richtlijn reeds op de markt waren. Het Hof van Justitie concludeert vervolgens dat een generiek gewasbeschermingsmiddel waarvoor overeenkomstig artikel 8, tweede lid, eerste alinea, richtlijn een eerste toelating voor het op de markt brengen wordt aangevraagd, geen gewasbeschermingsmiddel is dat reeds tot de markt is toegelaten, zodat bij een dergelijke aanvraag geen sprake kan zijn van een nieuw onderzoek van het betreffende gewasbeschermingsmiddel in de zin van artikel 8, derde lid.

6.6.2 De voorzieningenrechter ziet hierin onvoldoende aanwijzingen voor de juistheid van het door verweerder uitgedragen standpunt dat uit het Monsanto-arrest zou zijn af te leiden dat uitsluitend sprake is van een nieuw onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, indien het gaat om een gewasbeschermingsmiddel dat reeds op de markt is toegelaten en waarbij gedurende de toelatingsperiode ernstige twijfels rijzen op dit middel nog langer aan de toelatingseisen voldoet. De door het Hof beantwoorde rechtsvraag is hiervoor te zeer concreet toegespitst op de daarin aan de orde zijnde casus. Voor een bredere uitleg van dit arrest ziet de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende basis.

Dat artikel 8, derde lid, richtlijn een uitzondering vormt op het tweede lid van dat artikel dat ook een uitzondering vormt, is overigens anders dan verweerder aanvoert, een reden te meer om het derde lid niet eng toe te passen.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter vindt artikel 8, derde lid, richtlijn, dan ook toepassing in het geval het gaat om verlengde en hernieuwde toelatingen van gewasbestrijdingsmiddelen.

6.6.3 De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn betoog dat het bij de vrijstellingen van de gewasbeschermingsmiddelen Actellic 50 en Safari gaat om een eerste toelating. Dat sprake is van een nieuwe toepassing van een reeds toegelaten middel, brengt niet mee dat daarmee sprake is van een eerste toelating. De voorzieningenrechter gaat er hierbij overigens voorshands vanuit dat geen onderscheid bestaat tussen de werkzame stof triflusulfuron-methyl in het gewasbeschermingsmiddel Safari en de in Verordening (EG) 1490/2002 in bijlage I opgenomen stof triflusulfuron.

6.6.4 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de aanvragen tot vrijstelling van de gewasbeschermingsmiddelen Sevin, Actellic 50 en Safari naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8, derde lid, richtlijn moeten worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b), punten i tot en met v, en onder c) tot en met f, genoemde criteria.

6.7 Verweerder heeft aangevoerd dat, hoewel naar zijn mening niet getoetst behoefde te worden aan artikel 8, derde lid, richtlijn, in de procedure die heeft geleid tot de onderhavige vrijstellingen desondanks in voldoende mate rekening is gehouden met de voorwaarden in artikel 4, eerste lid, richtlijn. Verweerder verwijst daartoe onder meer naar de rapporten van TNO/NOTOX waarin deze instanties hebben geadviseerd over de vraag of bij gebruik van de desbetreffende middelen in een bepaalde teelt en bij toepassing van de voorgestelde gebruiksvoorschriften en gebruiksaanwijzingen risico’s voor de volksgezondheid, de toepasser/werker en het milieu zijn te verwachten.

6.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden in de betreffende rapporten echter wel degelijk mogelijke gevaren voor het milieu gesignaleerd.

Zo signaleert TNO/NOTOX wat betreft Sevin SL in de rapportage onder het hoofdstuk "risicobeoordeling milieu" een punt van bezorgdheid, namelijk dat bij waterorganismen sprake is van een normoverschrijding met factor 96 bij een normaal gebruik van het middel in de appelteelt. Met verzoeksters acht de voorzieningenrechter niet duidelijk gemaakt dat de voorgeschreven reductiemaatregelen tot een vermindering van de belasting met een factor 100 leiden, wat nodig is om de normoverschrijding te beëindigen. Voorts blijkt uit deze beoordeling dat de uitspoeling van één van de metabolieten zorgelijk is maar niet bekend wegens het ontbreken van gegevens. Verder zijn een aantal risico’s niet ingeschat (bijen en hommels, niet-doelwit arthropoden, regenwormen, bodemmicro-organismen, andere niet doelwitorganismen, rioolwaterzuiveringsinstallaties).

Voor wat betreft Actellic 50 geeft verweerder in zijn verweerschrift toe dat het toegelaten gebruik van dit middel risico’s voor waterorganismen met zich meebrengt. Dat het slechts om beperkt gebruik zou gaan doet hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af.

Wat betreft Safari merkt verweerder op dat het slechts een uitbreiding van het gebruik betreft van een reeds voor een andere teelt (bieten) toegelaten middel, en dat een aanvraag voor dit gebruik tot op heden niet is afgewezen. In de betreffende rapportage van TNO/NOTOX wordt opgemerkt dat de milieubelasting bij de bietenteelt vergelijkbaar met of hoger is dan voor de thans aan de orde zijnde toepassing bij witlof en cichorei. Derhalve wordt - aldus TNO/NOTOX - geen additioneel risico voor het milieu verwacht. Deze laatste conclusie laat evenwel naar het oordeel van de voorzieningenrechter onverlet dat er sprake kan zijn van een - weliswaar moeilijk kwantificeerbaar - risico voor het milieu.

6.9 In de preambule van de richtlijn wordt uitdrukkelijk overwogen dat de toelatingsvoorwaarden een zodanige hoge mate van bescherming moeten garanderen dat met name wordt voorkomen dat gewasbeschermingsprodukten worden goedgekeurd waarvan de risico’s voor de gezondheid, het grondwater en het milieu niet op adequate wijze zijn onderzocht en dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang moet hebben op het streven naar een betere plantaardige produktie.

Bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen dient in het bijzonder nagegaan te worden of deze middelen bij een voor het beoogde doel juiste toepassing geen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier of voor het grondwater.

Een en ander is onder meer uitgewerkt in artikel 4, eerste lid, richtlijn.

6.10 De voorzieningenrechter komt voorshands in het licht van de hiervoor onder 6.8 besproken risico’s voor het milieu tot het oordeel dat de in het onderhavige besluit vervatte toepassing van artikel 16aa Bmw ertoe leidt dat toepassingen van de in geding zijnde gewasbeschermingsmiddelen worden toegestaan zonder dat de toelaatbaarheid daarvan is getoetst aan de in artikel 8, derde lid, richtlijn genoemde criteria - in het bijzonder de bescherming van het milieu. Deze toepassing van artikel 16aa Bmw is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, mede gelet op het in de preambule verwoorde primaat van bescherming van de gezondheid van mens, dier en milieu, onmiskenbaar in strijd met de richtlijn.

Terzake van de verleende vrijstellingen met betrekking tot de gewasbeschermingsmiddelen Sevin SL, met de werkzame stof carbaryl, Actellic 50 met de werkzame stof pirimifos-methyl en Safari met de werkzame stof triflusulfuron-methyl komt de voorzieningenrechter mitsdien eveneens tot het oordeel dat aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening als gevraagd.

6.11 Voor zover er overigens twijfel mogelijk is omtrent de toepasselijkheid van artikel 8, derde lid, richtlijn, en een eventueel daartoe strekkende prejudiciële vraag door het Hof van Justitie in de door verweerder voorgestane zin zou worden beantwoord, dan nog is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de toelaatbaarheid van een toepassing in afwijking van de ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn bestaande nationale milieu-eisen, althans in zoverre deze afwijking niet richtlijn-conform zou zijn.

De voorzieningenrechter vindt voor laatstgenoemde twijfel een aanknopingspunt in overweging 43 van het Monsanto-arrest waarin wordt overwogen dat tijdens de in artikel 8, tweede lid, richtlijn bedoelde overgangsperiode de lidstaten hun systeem of praktijk blijven toepassen voor op hun grondgebied op de markt gebrachte gewasbeschermingsmiddelen die niet in bijlage I opgenomen werkzame stoffen bevatten die twee jaar na de datum van kennisgeving van deze richtlijn reeds op de markt waren.

6.12 Ook indien een afwijkend regime in het nationale systeem onder bepaalde voorwaarden tot de mogelijkheden zou behoren, merkt de voorzieningenrechter op dat artikel 16aa Bmw in het geheel geen voorwaarden stelt waaraan de middelen die worden vrijgesteld in afwijking van de richtlijn dienen te voldoen. Zulks overigens in tegenstelling tot artikel 25d Bmw waarin in het tweede lid bij de aanwijzing van een werkzame stof als bedoeld in het eerste lid van artikel 25d nog is bepaald dat rekening wordt gehouden met de effecten van de betrokken werkzame stof, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, ten derde tot en met ten tiende.

6.13 Nu de voorzieningenrechter in dit licht grote twijfel heeft aangaande mogelijke verenigbaarheid van artikel 16aa Bmw, althans toepassingen hiervan met de richtlijn, is hij van oordeel dat als gevolg van deze twijfel het treffen van een voorlopige voorziening niet categoraal uitgesloten zou zijn.

6.14 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de in het bestreden besluit van 21 april 2004 vervatte besluiten tot vrijstelling bij wege van voorlopige voorziening dienen te worden geschorst.

Deze voorziening vervalt zes weken nadat verweerder zijn besluit op het bezwaar van verzoeksters heeft bekendgemaakt of zodra aan het geschil op andere wijze een einde is gekomen.

Teneinde de direct betrokkenen enige gelegenheid te geven in te spelen op de situatie die zal ontstaan na de hierna uit te spreken schorsing, zal de voorzieningenrechter bepalen dat na te melden voorziening ingaat op 10 juni 2004.

De voorzieningenrechter zal voorts bepalen dat het door verzoeksters betaalde griffierecht door verweerder wordt vergoed, onder veroordeling van verweerder in de proceskosten aan de zijde van verzoeksters. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (één punt voor het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting).

Mitsdien wordt beslist als volgt.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst bij wege van voorlopige voorziening de besluiten die zijn vervat in het besluit Vrijstellingen

gewasbeschermingsmiddelen 2004 van 21 april 2004;

- bepaalt dat de schorsing ingaat op 10 juni 2004;

- bepaalt dat deze voorziening vervalt zes weken na de dag waarop verweerder zijn besluit op het bezwaar van verzoeksters

heeft bekendgemaakt of zodra aan het geschil op andere wijze een einde is gekomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door verzoeksters betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,- (zegge:

tweehonderdrieenzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2004.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel