Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP0242

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-05-2004
Datum publicatie
01-06-2004
Zaaknummer
AWB 03/384
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/384 25 mei 2004

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 3 februari 2003.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 3 februari 2003, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op diezelfde dag genomen beslissing op de door appellant bij brief van 25 maart 2002 ingediende klacht tegen B RA (hierna: betrokkene).

Bij een op 28 maart 2003 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 3 april 2003 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 2 mei 2002 heeft betrokkene het College een reactie op het beroepschrift van appellant doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar appellant en betrokkene in persoon zijn verschenen. Namens betrokkene is het woord gevoerd door zijn gemachtigde, mr. I.M. Jebbink, advocaat te Utrecht.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de tegen betrokkene ingediende klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard.

4. De beoordeling van de middelen van beroep

4.1 Appellant kan zich in de eerste plaats niet verenigen met het in § 5.2 van de bestreden tuchtbeslissing neergelegde oordeel van de raad van tucht dat het feit dat betrokkene geen kennis heeft genomen van het door appellant geleverde commentaar op de door Van Noort Gassler & Co. opgestelde concept-jaarrekeningen 1997 van reclamebureau Graaf, Povée Pol & Van Schaik vof (hierna: GPPS), niet tot de conclusie leidt dat betrokkene niet onpartijdig in zijn oordeel is geweest als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de GBR-1994.

Appellant is van mening dat de raad van tucht dit oordeel niet heeft gemotiveerd. Het College volgt appellant hierin niet. De raad van tucht heeft in eerdergenoemde § 5.2 van zijn uitspraak overwogen dat er voor betrokkene geen aanleiding was om met appellant te overleggen en dat het niet kennis nemen door betrokkene van het in een memo van september 1998 neergelegde commentaar van appellant op eerdergenoemde concept-jaarrekeningen 1997, waaruit zou blijken dat die concept-jaarrekeningen 1997 volstrekt ondeugdelijk zouden zijn, niet tot de conclusie leidt dat betrokkene niet onpartijdig is geweest in zijn oordeel.

Het College acht deze motivering voldoende. De omstandigheid dat betrokkene de door appellant in diens memo van september 1998 gememoreerde gebreken aan de opgestelde concept-jaarrekeningen 1997 niet zelfstandig heeft onderkend, doet, gelet ook op hetgeen hierna wordt overwogen, aan het oordeel dat de door de raad van tucht gebezigde motivering voldoende is, niet af.

4.2 Voorts heeft de raad van tucht volgens appellant in § 5.4 van de bestreden tuchtbeslissing ten onrechte geoordeeld (-) dat in de ten behoeve van de uitvoering van de opdracht door Van Noort Gassler & Co. aan betrokkene ter beschikking gestelde stukken niet dusdanige feilen aanwezig waren dat op grond daarvan betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het achterwege laten van op- en aanmerkingen bij de te beoordelen stukken en (-) dat niet gezegd kan worden dat de rapportage van betrokkene een deugdelijke grondslag mist.

Appellant heeft ter ondersteuning van dit standpunt naar voren gebracht dat de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing niet heeft aangegeven waarop het weergegeven oordeel is gebaseerd. Hierbij heeft appellant gewezen op zijn memo van september 1998 aan de medewerkers van Van Noort Gassler & Co., waarin hij vele, als ernstig te kwalificeren, tekortkomingen aan de opgestelde concept-jaarrekeningen 1997 van GPPS heeft aangeduid. In het licht van de inhoud van genoemd memo acht appellant het oordeel van de raad van tucht onbegrijpelijk.

Het College volgt appellants opvatting niet. Naar het oordeel van het College is voldoende komen vast te staan dat de in een telefoongesprek door D AA van Van Noort Gassler & Co. aan betrokkene verstrekte opdracht een vergelijking van (de wijze van) presentatie van de door appellant opgestelde jaarrekening 1996 met de door medewerkers van Van Noort Gassler & Co. opgestelde concept-jaarrekeningen 1997 van GPPS inhield en niet een cijfermatige controle van bedoelde concept-jaarrekeningen 1997. In het licht hiervan is niet verwonderlijk dat betrokkene in zijn rapportage aan Van Noort Gassler & Co. d.d. 22 maart 1999 geen op- of aanmerkingen bij de te beoordelen stukken heeft gemaakt, zoals die door appellant in zijn memo van september zijn weergegeven. Voorts is meerbedoelde rapportage van betrokkene voldoende genuanceerd en behoefde betrokkene, gelet op het karakter van de aan hem verstrekte opdracht - welke in feite inhield dat aan betrokkene als oud-docent van D AA werd verzocht zijn licht te laten schijnen over de (wijze van) presentatie van de onderhavige jaarcijfers, teneinde Van Noort Gassler & Co. in de gelegenheid te stellen haar positie naar aanleiding van de klacht van GPPS te bepalen - er niet op bedacht te zijn dat zijn rapportage in een gerechtelijke procedure tegen appellant zou worden gebruikt. Betrokkene heeft Van Noort Gassler & Co. op dit gebruik ook aangesproken. Gelet hierop heeft de raad van tucht terecht geen tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag aan de zijde van betrokkene aanwezig geoordeeld.

4.3 Appellant heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld dat de raad van tucht in § 5.5 van de bestreden tuchtbeslissing ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat uit de rapportage van betrokkene aan Van Noort Gassler & Co. d.d. 22 maart 1999 onvoldoende blijkt dat geen beoordeling van de cijfermatige inhoud van de door medewerkers van Van Noort Gassler & Co. opgestelde concept-jaarrekeningen 1997 heeft plaatsgevonden, van onvoldoende gewicht is om een tuchtrechtelijk verwijt op te leveren.

Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat de raad van tucht zijn oordeel op dit punt niet heeft gemotiveerd. Gelet op de rol die de rapportage van betrokkene d.d. 22 maart 1999 heeft gespeeld in gerechtelijke procedures, is appellant van mening dat deze rapportage de indruk wekt dat betrokkene bij zijn oordeelsvorming (accountants)controlewerkzaamheden heeft verricht. In dit licht bezien acht appellant het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat betrokkene heeft verzuimd de beperkte omvang van zijn onderzoek in zijn rapportage te vermelden.

Het College volgt appellant evenmin in dit betoog. Zoals het College hiervoor in § 4.2 reeds heeft overwogen, behoefde betrokkene er niet op bedacht te zijn dat zijn rapportage d.d. 22 maart 1999 door Van Noort Gasler & Co. voor andere dan interne doeleinden zou worden gebruikt. Dit in aanmerking genomen, is het College van oordeel dat de raad van tucht de geconstateerde omissie in de door betrokkene opgestelde rapportage terecht als niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft aangemerkt.

4.4 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep moet worden verworpen en de bestreden tuchtbeslissing in stand kan blijven.

Deze uitspraak berust op het bepaalde in titel IV van de Wet op de Registeraccountants.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004.

w.g. B. Verwayen w.g. M.S. Hoppener

zaak R 347

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en

Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van

A RA,

wonende te X,

klager,

tegen

B RA,

wonende te Y en kantoor houdende te Z,

betrokkene.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

1.1 het klaagschrift d.d. 25 maart 2002, met bijlagen, inge-diend door klager;

1.2 het verweerschrift d.d. 20 april 2002, ingediend door betrokkene;

1.3 de brief d.d. 27 augustus 2002, met bijlagen, van Mr J.H. van der Velden, advocaat te Utrecht, raadsman van betrokkene, aan de Secretaris van de Raad;

1.4 de brief van klager d.d. 28 augustus 2002 aan de Secretaris van de Raad;

1.5 de brief van de Secretaris van de Raad d.d. 30 augustus 2002 aan klager;

1.6 de brief d.d. 2 september 2002, met een bijlage, van Mr Van der Velden aan de Secretaris van de Raad;

1.7 de ter na te melden zitting door klager overgelegde pleit-notities; en

1.8 de ter zitting door Mr Van der Velden overgelegde pleitnotities.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak ter openbare zitting van 11 september 2002 behandeld. Ter zitting zijn verschenen klager en betrokkene, vergezeld van zijn zoon C en zijn raadsman Mr Van der Velden.

3. De feiten

Op grond van de inhoud van de stukken en het ter zitting verhandelde stelt de Raad het volgende vast.

3.1 Betrokkene is evenals klager registeraccountant.

3.2 Door Cetrac (Centraal Accountantskantoor midden- en kleinbedrijf) BV, onderdeel van Van Noort Gassler Accountants, is bij klaagschrift d.d. 14 december 2000 een tuchtzaak tegen klager aanhangig gemaakt.

3.3 Voorts heeft Cetrac op 6 oktober 2000 een procedure voor een arbitragecommissie tegen klager geëntameerd.

3.4 In beide procedures is door Cetrac een brief van betrokkene d.d. 22 maart 1999 in het geding gebracht ter staving van haar stelling dat de door haar geproduceerde concept-jaarrekening over 1997 van haar cliënt Reclamebureau GPPS de toets der kritiek kon doorstaan.

3.5 Evengemelde brief van betrokkene d.d. 22 maart 1999 (bijlage 1 bij klaagschrift) is gericht aan Van Noort Gassler & Co Accountants t.a.v. D AA en betreft de beoordeling van de door Van Noort Gassler & Co verzorgde concept-jaarrekeningen over 1997 van:

- De Graaf, Povée, Pol & Van Schaik v.o.f.;

- Reclamebureau Van Osch & Van Schaik BV;

- Reclamebureau De Graaf & Povée BV; en

- VVSW Reclame en Actiemarketing BV.

4. De klacht

De klacht houdt in hoofdzaak in dat betrokkene met zijn onder 3.5 aangehaalde schrijven aan D AA van Cetrac/Van Noort Gassler & Co te Amsterdam een beoordeling heeft gegeven over het werk van klager, zonder deze van tevoren in de gelegenheid te hebben gesteld daarover inlichtingen te verstrekken. Klager stelt in dit verband voorts dat betrokkene partijdig is geweest in zijn oordeel en dat betrokkene evidente fouten in de concept-jaarrekeningen niet heeft onderkend. Klager meent dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met de artikelen 5, 9 lid 1, en 33 GBR-1994.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Anders dan klager meent, heeft betrokkene niet in strijd met artikel 33 GBR-1994 gehandeld. De opdracht aan betrokkene betrof het beoordelen van de door Van Noort Gassler & Co opgestelde concept-jaarrekeningen over 1997. De opdracht betrof niet het beoordelen van de door klager opgestelde jaarrekeningen over 1996. Betrokkene heeft zulks ook niet gedaan. In het kader van het geven van een oordeel omtrent de arbeid van Van Noort Gassler & Co heeft betrokkene slechts een aantal vergelijkende opmerkingen gemaakt met betrekking tot de ter beschikking gestelde (concept) jaarrekeningen over 1996 en 1997. Dienaangaande hoefde betrokkene klager niet in de gelegenheid te stellen inlichtingen te geven op de voet van artikel 33 GBR-1994.

5.2 Ook anderszins was er geen reden voor betrokkene om met klager te overleggen. Klager adviseerde weliswaar de vennoot-schappen waarop de door Van Noort Gassler & Co opgestelde concept-jaarrekeningen betrekking hadden, maar vervulde geen formele taak die betrokkene zou nopen klager in de gelegenheid te stellen zijn commentaar te geven. Anders dan klager meent, leidt het niet kennis nemen door betrokkene van het commentaar van klager niet tot de conclusie dat betrokkene niet onpartijdig is geweest in zijn oordeel als bedoeld in artikel 9 lid 1 GBR-1994.

5.3 Het feit dat vergelijkende opmerkingen zijn gemaakt, betekent niet dat betrokkene niet zou hebben onderkend dat de ter beschikking gestelde stukken over 1996 en 1997 niet gelijksoortig zijn. Naar het oordeel van de Raad kan ook niet gezegd worden dat betrokkene uit de vergelijkende opmerkingen verregaande conclusies heeft getrokken. Dergelijke conclusies zijn niet te lezen in het onder 3.5 vermelde stuk. De stelling van klager dat betrokkene een oordeel heeft gegeven over een door hem, klager, opgestelde jaarrekening mist derhalve ook in zoverre feitelijke grondslag.

5.4 Zoals hiervoor reeds is overwogen betrof de opdracht aan betrokkene het beoordelen van de door Van Noort Gassler & Co opgestelde concept-jaarrekeningen over 1997. Naar het oordeel van de Raad zijn er niet dusdanige feilen in die stukken aanwezig, dat aan betrokkene een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van het achterwege laten van op- en aanmerkingen bij de te beoordelen stukken. Naar het oordeel van de Raad kan niet gezegd worden dat de rapportage van betrokkene een deugdelijke grondslag zou ontberen.

5.5 Wel moet worden opgemerkt dat betrokkene is tekortgeschoten in de omschrijving van de door Van Noort Gassler & Co aan hem verstrekte opdracht. Betrokkene heeft nader uiteengezet dat de beoordeling slechts de presentatie (inclusief inrichtingseisen) betrof van de door Van Noort Gassler & Co verzorgde concept-jaarrekeningen over 1997. Dat geen beoordeling van de cijfer-matige inhoud van de rapportages heeft plaatsgevonden, blijkt onvoldoende uit de rapportage van betrokkene. Het voorgeschreven voorbehoud is niet opgenomen. In de gegeven omstandigheden is dit verzuim evenwel van onvoldoende gewicht om een tuchtrechtelijk verwijt op te leveren.

5.6 Nu klager ook overigens onvoldoende heeft gesteld waaruit volgt dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, faalt de klacht in al haar onderdelen. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

6. De beslissing

De Raad:

Verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door Mr drs J. den Boer, voorzitter, H.G. Dix RA en G. van Essen RA, leden, in tegenwoordigheid van Mr F.R. Hage als secretaris.