Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP0240

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
01-06-2004
Zaaknummer
AWB 02/1512 en 02/1513
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 8 augustus 2002 heeft het College beroepschriften ontvangen waarbij appellanten beroep instellen tegen verweerders besluiten van 3 juli 2002.

Bij die besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen de weigering hun subsidie te verlenen op grond van de Regeling tegemoetkoming SFM-premielasten (hierna: de Regeling).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29, geldigheid: 2004-05-12
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 88, geldigheid: 2004-05-12
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 226, geldigheid: 2004-05-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1512 en 02/1513

27801 Regeling tegemoetkoming SFM-premielasten

Beschikking op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

1. A,

2. B, beiden te X, appellanten,

gemachtigde: D, te X,

tegen

het Productschap Vis te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr. H. van den Heuvel, werkzaam bij verweerder.

1. Op 8 augustus 2002 heeft het College beroepschriften ontvangen waarbij appellanten beroep instellen tegen verweerders besluiten van 3 juli 2002.

Bij die besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen de weigering hun subsidie te verlenen op grond van de Regeling tegemoetkoming SFM-premielasten (hierna: de Regeling).

De behandeling van beide zaken is ter zitting van 27 augustus 2003 geschorst.

Bij brief van 4 september 2003 heeft het College de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Minister) verzocht om bepaalde inlichtingen en om toezending in afschrift van de correspondentie die over de Regeling is gevoerd met de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie).

Bij brief van 13 oktober 2003 heeft de Minister inlichtingen gegeven alsmede met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) enige correspondentie met de Commissie overgelegd.

Bij brief van 30 oktober 2003 heeft het College verzocht om een toelichting, waarop de Minister bij brief van 13 november 2003 antwoord heeft gegeven.

Bij brief van 1 december 2003 heeft het College de Minister verzocht dit antwoord nader te onderbouwen, waarop de Minister bij brief van 13 februari 2003 heeft gereageerd.

Het College heeft het verzoek behandeld in een samenstelling waarvan leden die de zaak ten gronde zullen beoordelen, geen deel uitmaken.

2. Het College overweegt met betrekking tot het verzoek als volgt.

2.1. Involge artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie,

zijn ook bestuursorganen die geen partij in een geding zijn, verplicht te voldoen aan een verzoek van het College om schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.

Ingevolge het eerste lid van artikel 8:29 Awb, dat van overeenkomstige toepassing is, kunnen bedoelde bestuursorganen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het College mededelen dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van over te leggen stukken.

Uit het derde lid van artikel 29 Awb volgt dat het College beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Deze beslissing vergt een feitelijk oordeel op basis van een afweging van belangen.

Enerzijds zijn daarbij aan de orde het belang dat partijen zoveel mogelijk beschikken over de relevante informatie om de door hen gewenste positie in te nemen, alsmede het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt daarbij dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een betrokkene onevenredig kan schaden.

2.2 Dat, naar de Minister heeft aangevoerd, openbaarmaking van zijn correspondentie met de Commissie ingevolge artikel 10, tweede lid, onderdelen a en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) achterwege blijft, is niet doorslaggevend in een procedure als de onderhavige. De artikelen 8:29 en 8:45 Awb hebben immers betrekking op de kennisneming van gedingstukken door partijen in een beroepsprocedure, en regelen anders dan de Wob niet het verstrekken van informatie in het kader van de openheid en openbaarheid van bestuur.

2.3 Welke belangen zijn gediend met de vertrouwelijkheid die de Minister toekent aan zijn correspondentie met de Commissie, is het College niet gebleken uit de toelichting en de nadere onderbouwing door de Minister. Zonder meer valt immers niet in te zien dat de zorgvuldigheid van de door de Commissie ingeleide procedure afhankelijk zou zijn van die vertrouwelijkheid. Bij artikel 88, lid 2, eerste alinea, EG is bepaald dat in het kader van een dergelijke procedure belanghebbenden hun opmerkingen kunnen maken, hetgeen juist bekendmaking meebrengt van zowel de relevante gegevens van de aangemelde steunmaatregel, als de redenen voor de Commissie om de in dat artikellid bedoelde procedure aan te vangen, zoals deze redenen zijn verwoord in haar daartoe strekkende brief aan de betrokken lidstaat. Ook over de in geding zijnde steunmaatregel heeft zodanige bekendmaking heeft plaats gehad in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB C 179 van 23.6.2001, blz. 2-5).

2.4 Evenmin vindt het College aanknopingspunten voor de geboden belangenafweging in de verwijzing van de Minister naar een rijksbrede beleidslijn om stukken die met de Commissie zijn gewisseld in het kader van een inbreukprocedure, als vertrouwelijk te beschouwen totdat hetzij het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan, hetzij de Commissie heeft afgezien de zaak bij het Hof van Justitie aanhangig te maken. Deze beleidslijn kan – wat daar overigens van zij voor de toepassing van artikel 8:29 Awb – in deze niet beslissend zijn gelet op de verschillen tussen de procedure van artikel 88, lid 2, EG en de inbreukprocedure van artikel 226 EG. Bij de procedure van artikel 88, lid 2, juncto lid 3, EG gaat het niet om een begane inbreuk, maar om een voorafgaand onderzoek naar een voorgenomen steunmaatregel op haar gevolgen voor de mededinging. Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie over genoemde verdragsbepalingen dienen de nationale rechterlijke instanties de rechten van justitiabelen te beschermen tegenover een eventuele miskenning door de nationale autoriteiten van artikel 88, lid 3, laatste volzin, EG, waarbij is verboden de voorgenomen steunmaatregel tot uitvoering te brengen voordat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid (zie onder meer arresten van het Hof van Justitie van 15 juli 1964, Costa/Enel, Jur. 1964, blz. 1222, van 21 november 1991, FNCE, C-354/90, Jur. 1991, blz. I-5505, en van 9 augustus 1994, Namur-Les Assurances du Crédit, Jur. 1994, m.n. blz. 3869-3871).

2.5 De conclusie is dat hetgeen verweerder heeft aangevoerd, geen grond biedt voor de vaststelling dat sprake is van gewichtige redenen die de gevraagde beperking van de kennisneming rechtvaardigen.

Het verzoek om beperking van de kennisneming dient derhalve te worden afgewezen.

3. De beslissing

Het College bepaalt dat de beperking van de kennisneming als gevraagd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, niet gerechtvaardigd is.

Aldus gegeven door mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van R. van Cuilenborg, als griffier, op 12 mei 2004.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R. van Cuilenborg