Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AP0223

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-05-2004
Datum publicatie
28-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/293
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellant tot afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/293 18 mei 2004

22010 Wet assurantiebemiddelingsbedrijf

Vakbekwaamheidseisen assurantiebemiddelingsbedrijf

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

de Sociaal-Economische Raad, verweerder,

gemachtigde: mr. J.B.A. Hoijinck, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Bij brief van 14 juni 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellant tot afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4, achtste lid, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (hierna: Wabb), afgewezen.

Bij brief van 18 juli 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij brief van 2 augustus 2002 heeft verweerder zijn standpunt ten aanzien van de aanvraag van appellant nader bepaald.

Bij brieven van 13 augustus 2002 en 14 oktober 2002 heeft appellant gereageerd op deze nadere standpuntbepaling en zijn bezwaar tegen het besluit van 14 juni 2002 aangevuld.

Bij besluit van 24 januari 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 maart 2003, bij het College per telefax binnengekomen op 6 maart 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 mei 2003 heeft appellant de gronden van zijn beroep ingediend.

Bij brief van 3 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 6 april 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 4 Wabb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Inschrijving in het register geschiedt indien de aanvrager voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur:

(…)

b. ten aanzien van het diploma Assurantiebemiddeling B te stellen vakbekwaamheidseisen.

(…)

8. In de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt (…) bepaald op welke wijze van het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen kan blijken. Voorts is de Raad bevoegd te verklaren dat de aanvrager voldoet aan deze eisen. De Raad stelt regels krachtens welke de afgifte van zodanige verklaring zal plaatsvinden en stelt het bedrag vast, dat verschuldigd is voor het verkrijgen van deze verklaring."

In de door verweerder vastgestelde Verordening Verklaringen Vakbekwaamheid Assurantiebemiddelingsbedrijf 2000 (Stcrt. 2001, 4; hierna: Verordening) zijn regelen gesteld, ter uitvoering van artikel 4, achtste lid, laatste volzin, Wabb. De artikelen 2, 3, 5 en 6 luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2

Draad geeft een verklaring op hun aanvraag af aan degenen die bij de afgifte een onmiddellijk redelijk belang hebben en voldoen aan de in deze verordening omschreven vereisten.

Artikel 3

De raad geeft een verklaring slechts af indien de aanvrager, gezien zijn persoonlijke omstandigheden, in het verleden redelijkerwijs niet in de gelegenheid is geweest een krachtens artikel 4, achtste lid, eerste volzin, van de wet (…) aangewezen examendiploma te verwerven, en voorts van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij zich alsnog onderwerpt aan het examen ter verkrijging van zulk een diploma aangewezen krachtens artikel 4, achtste lid, eerste volzin, van de wet.

Artikel 5

1. De verklaring dat de aanvrager voldoet aan de vakbekwaamheidseisen bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt afgegeven aan degene die

a. ten minste 40 jaren oud is;

b. ten minste tien jaren werkzaam is geweest in het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf,

- en daarvan ten minste vier jaren onmiddellijk aan de indiening van het verzoek voorafgaande een functie in dat bedrijf heeft bekleed voor het vervullen waarvan een gelijkwaardige vakbekwaamheid is vereist als voorvloeit uit het bezit van het diploma assurantiebemiddeling B, afgegeven door of namens de minister van Financiën,

- en in die functie regelmatig aangelegenheden heeft behandeld betreffende de navolgende onderdelen:

- levensverzekering, met uitzondering van volksverzekering en uitvaartverzekering in natura,

- brandverzekering, uitgebreid met dekking tegen andere gevaren dan brand, en verzekering ter zake van bedrijfsschade,

- transportverzekering, en

- variaverzekering,

mits de bemoeiing met een van de genoemde vier onderdelen intensief is geweest.

2. De verklaring bedoeld in het voorgaande lid kan in bijzondere gevallen eveneens worden afgegeven aan degene, die weliswaar niet volledig voldoet aan de vereisten van dat lid onder b. aangaande de duur en de aard der verrichte werkzaamheden maar wiens kennis van het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf, mede gelet op zijn opleiding of vakstudie, desalniettemin is aan te merken als gelijkwaardig aan die, voortvloeiende uit het voldoen aan de bedoelde vereisten.

Artikel 6

1. Een aanvrager van een verklaring als bedoeld (…) in artikel 5 dient als regel zijn kennis van het verzekeringsbedrijf of het assurantiebemiddelingsbedrijf aan te tonen door het met gunstig gevolg afleggen van een vakproef.

2. Van de vakproef kan slechts worden afgezien indien naar het oordeel van de raad het afleggen van zulk een proef van de aanvrager niet behoeft te worden gevergd.

3. Van de vakproef kan eveneens worden afgezien indien naar het oordeel van de raad het afleggen van zulk een proef gezien de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, in redelijkheid niet kan worden verlangd.

4. De proeven hebben betrekking op alle onderdelen van het verzekeringswezen, waarmede de verzoeker zich ingevolge de vereisten van (…) artikel (…) 5 van deze verordening moet hebben beziggehouden."

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van appellant tot afgifte van een verklaring van vakbekwaamheid bij besluit van 14 juni 2002 aanvankelijk afgewezen na toetsing van de aanvraag aan de vereisten die zijn opgenomen in artikel 3 en artikel 5 van de Verordening. Daarbij heeft verweerder onder meer overwogen dat de door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen grond vormen om met toepassing van artikel 3 van de Verordening de eis van een vakdiploma terzijde te stellen. Voorts heeft verweerder geoordeeld dat de door appellant verrichte werkzaamheden niet voldoen aan de in artikel 5, eerste lid, van de Verordening gestelde voorwaarden.

Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift zijn standpunt nader bepaald. Blijkens zijn brief van 2 augustus 2002, heeft verweerder zich bereid getoond de afgifte van de aangevraagde verklaring afhankelijk te stellen van het met gunstig gevolg deelnemen aan de vakproef, als bedoeld in artikel 6, eerste, lid van de Verordening. Appellant heeft hierop bij brieven van 13 augustus 2002 en 14 oktober 2002 betoogd dat deelname aan de vakproef van hem niet kan worden gevergd. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 24 januari 2002 ongegrond verklaard.

2.3 In beroep stelt appellant dat er wèl reden is om ten aanzien van hem af te zien van het stellen van de eis dat hij met gunstig gevolg een vakproef moet afleggen. Appellant wijst hiertoe op familie-omstandigheden, in het bijzonder de zorg die appellant heeft voor zijn zwakbegaafde broer. Verder geeft appellant - samenvattend weergegeven - aan dat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van het assurantiebemiddelingsbedrijf en dat zijn ruime praktijkervaring het ontbreken van een diploma compenseert.

2.4 Het College stelt voorop dat uit de nadere standpuntbepaling van verweerder in diens brief van 2 augustus 2002 volgt dat verweerder kennelijk alsnog van oordeel is dat appellant heeft voldaan aan de vereisten van artikel 3 en artikel 5 van de Verordening. Op grond van hetgeen is aangevoerd, ziet het College geen aanleiding om het oordeel van verweerder onjuist te achten.

Het onderwerp van geschil betreft derhalve de vraag of verweerder met recht ten aanzien van appellant onverkort vasthoudt aan de in artikel 6, eerste lid, van de Verordening neergelegde eis van het met gunstig gevolg afleggen van de vakproef. Het College is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Hiertoe wordt overwogen dat, gelet op hun bewoordingen, het tweede en derde lid van artikel 6 limitatief aangeven in welke gevallen van een vakproef kan worden afgezien.

Op grond van het tweede lid van artikel 6 kan vrijstelling worden verleend aan een aanvrager van wie het afleggen van een vakproef niet behoeft te worden gevergd. Blijkens de toelichting op deze bepaling gaat het hier om gevallen waarin de aanvrager evident in de praktijk heeft bewezen aan de vereisten van vakbekwaamheid te voldoen.

Verweerder heeft zich bij de toetsing aan artikel 6, tweede lid, dan ook mogen beperken tot de vraag of van een dergelijk evident bewijs sprake is. Verweerder heeft dienaangaande overwogen dat de ervaring van appellant niet zodanig is, dat het bedoelde evidentie oproept. Op basis van hetgeen is aangevoerd, is ook het College hiervan niet gebleken. Niet valt in te zien dat de praktijkervaring van appellant in betekenende mate zou afwijken van die van andere aanvragers van een verklaring van verweerder, die - gelet op artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening - ook allen op een zeer ruimte praktijkervaring zullen kunnen bogen.

De tweede uitzondering biedt artikel 6, derde lid, van de Verordening. Daarin wordt bepaald dat van een vakproef kan worden afgezien indien het afleggen van de vakproef, gezien de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager, in redelijkheid niet kan worden verlangd. In de toelichting bij deze bepaling wordt aangegeven dat het moet gaan om bijzondere omstandigheden die een beletsel vormen voor deelname aan de vakproef, zoals de medische of psychische conditie van de aanvrager. Verweerder heeft hieromtrent overwogen dat de door appellant naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als omstandigheden waar artikel 6, derde lid, van de Verordening op ziet. Van enig medisch of psychisch beletsel voor het afleggen van de vakproef is verweerder niet gebleken.

Op grond van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, is het College is van oordeel dat verweerder dit standpunt op goede gronden heeft ingenomen.

2.5 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het in geding zijnde besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Deze toetsing dient in verband met het gebruik van de bewoordingen "naar het oordeel van de raad" in het tweede en derde lid van artikel 6 van de Verordening, in een geval als het onderhavige, terughoudend van aard te zijn.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. C.J. Borman en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. M. van Duuren