Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9964

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 22 oktober 2003 heeft het College het beroep van appellante tegen het besluit van het Productschap Zuivel van 20 maart 2000, waarbij beslist werd op appellantes bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van restituties bij uitvoer van kaas, ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(derde enkelvoudige kamer)

No. AWB 03/1423 27 april 2004

50002 Herziening

Sector 2

Uitspraak inzake het verzoek om herziening van:

Juvaco B.V., te Kerkrade, verzoekster,

gemachtigde: H.M.J. Jungblut, directeur.

1. De procedure

Bij uitspraak van 22 oktober 2003 heeft het College het beroep van appellante tegen het besluit van het Productschap Zuivel van 20 maart 2000, waarbij beslist werd op appellantes bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van restituties bij uitvoer van kaas, ongegrond verklaard.

Van deze uitspraak heeft verzoekster bij brief, ingekomen op 17 november 2003, herziening gevraagd.

Het productschap Zuivel heeft op 22 december 2003 zijn zienswijze schriftelijk aan het College medegedeeld.

2. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan het College op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn,

c. waren zij bij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

3. Het verzoek om herziening.

Verzoekster heeft betoogd dat zij ten tijde van belang niet als professioneel marktdeelneemster kon worden aangemerkt en dat zij daarom informatie had ingewonnen bij een functionaris van het Productschap. Diens advies heeft zij opgevolgd.

Vervolgens heeft verzoekster aangevoerd dat de controle door het Productschap ernstig tekort schoot, ook al omdat het Productschap telefonische informatie van de Bulgaarse ambassade niet verifieert. Verzoekster leidt daaruit af dat het Productschap willens en wetens criminaliteit dekt.

Het productschap heeft zich ten onrechte verlaten op informatie van de Duitse overheid. Verzoeksters directeur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt in de procedure die leidde tot de uitspraak van 22 oktober 2003 contact gehad met een functionaris van het Bundescriminalamt. Het is hem niet gelukt deze in die procedure een getuigenis te laten afleggen.

Al het voorgaande heeft ertoe geleid dat het College bij zijn uitspraak niet is toegekomen aan de beoordeling van een aantal omstandigheden. Deze wil verzoekster nu nader aan de orde stellen.

4. Het standpunt van het Productschap

Het Productschap heeft erop gewezen dat alle feiten en omstandigheden waar verzoekster zich op beroept. reeds bij haar bekend waren voordat het College de uitspraak van 22 oktober 2003 gedaan heeft. Voor een belangrijk deel gaat het bovendien om informatie waarover het College bij het formuleren van deze uitspraak beschikte.

5. De beoordeling van het verzoek

Het College dient, gelet op de in artikel 8:88 Awb gestelde voorwaarden voor herziening in de eerste plaats vast te stellen of datgene wat verzoekster als nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangedragen, wel als zodanig kan worden gekwalificeerd. Het College overweegt daarbij dat het rechtsmiddel herziening, zoals de wetsgeschiedenis van de Awb ook bevestigt, in de mogelijkheden van een succesvol gebruik beperkt is en dat het niet is gegeven om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de eerder aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.

Al hetgeen verzoekster ter onderbouwing van het herzieningsverzoek aan feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht was haar, zoals uit het verzoek ook blijkt, reeds bekend ten tijde van de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.

Uit het vorenstaande volgt dat voortzetting van het onderzoek niet nodig en dat het verzoek kennelijk niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het College acht geen termen aanwezig artikel 8:75 Awb toe te passen.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

6. De beslissing

Het College wijst het verzoek om herziening af

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op .

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas