Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9947

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/911
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 4 augustus 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juni 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluit van 24 december 2002, waarbij hun aanvraag om akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is afgewezen, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/911 4 mei 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Veehouderij A B.V., B en C, te D, appellanten,

gemachtigde: mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Op 4 augustus 2003 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juni 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen verweerders besluit van 24 december 2002, waarbij hun aanvraag om akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 4 september 2003 hebben appellanten de gronden voor het beroep aangevuld.

Op 14 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2004, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden. Aan de zijde van appellanten is voorts B ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 2419/2001 luidde voor zover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 8

Wijzigingen in de steunaanvraag "oppervlakten"

1. Onverminderd het bepaalde in lid 3, mogen na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag "oppervlakten" individuele voor de landbouw gebruikte percelen die nog niet in de steunaanvraag waren aangegeven, worden toegevoegd, en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling worden aangebracht, voorzover alle krachtens de op de betrokken steunregeling van toepassing zijnde sectorspecifieke voorschriften geldende voorwaarden in acht worden genomen.

2. De toevoeging van percelen landbouwgrond en wijzigingen als bedoeld in lid 1 moeten schriftelijk aan de bevoegde instantie worden meegedeeld tot uiterlijk de datum die voor de inzaai of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999 is vastgesteld.

Het bepaalde in artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 is van overeenkomstige toepassing.

3. Wanneer de bevoegde instantie het bedrijfshoofd reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in zijn steunaanvraag, of van haar voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen met betrekking tot de betrokken percelen landbouwgrond geen toevoegingen of wijzigingen overeenkomstig de leden 1 en 2 worden aangebracht.

Artikel 12

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1.(…).

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(…)"

De Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren Landbouwwet (Stcrt. 1998, 25) luidt voor zover hier van belang:

"Als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Landbouwwet bepaalde worden aangewezen:

- de ambtenaren van het agentschap LASER van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

(…)

- de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 mei 2002 hebben appellanten door middel van een formulier Gecombineerde opgave 2002 een aanvraag voor akkerbouwsteun op grond van de Regeling ingediend. Bij deze opgave hebben zij onder meer 9 percelen met een gezamenlijke oppervlakte van 9.38 ha opgegeven met gewascode 842 (overige non food/non feed gewassen) en bijdragecode 830 (akkerbouwsteun).

- Tijdens een op 22 augustus 2002 gehouden controle op het bedrijf van appellanten hebben ambtenaren van de AID vastgesteld dat op genoemde 9 percelen geen non food/non feed gewas was geteeld, maar dat het hier om zogenoemde faunaranden ging, waarvoor subsidie was aangevraagd ingevolge de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer.

- Bij brief van 5 september 2002 hebben appellanten verweerder meegedeeld dat hun aanvraag voor akkerbouwsubsidie voor genoemde 9 percelen abusievelijk onjuist werd ingevuld. Zij hebben verweerder verzocht de aanvraag te wijzigen; voor deze percelen had de gewascode 668 (groene braak) en de bijdragecode 999 (geen bijdrage) moeten worden ingevuld.

- Bij brief van 16 oktober 2002 heeft verweerder appellanten, onder verwijzing naar het bepaalde bij artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, meegedeeld dat het verzoek tot wijziging niet in behandeling is genomen.

- Bij besluit van 24 december 2002 heeft verweerder meegedeeld dat het verzoek om akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling is afgewezen.

- Bij brief van 17 januari 2003 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het besluit tot afwijzing van de gevraagde subsidie.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

"(…)Als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen in beginsel voor uw rekening te blijven. Artikel 9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld. Echter, ingeval van een door LASER erkende kennelijke fout kan de aanvraag ook na deze datum worden verbeterd.

Er is sprake van een kennelijke fout in de zin van het werkdocument van de Europese Commissie nr. AGR 49533/2002, indien er een tegenstrijdigheid in de aanvraag zit die wijst op een vergissing en redelijkerwijs is uitgesloten dat ten tijde van de opgave deze conform uw bedoeling was. Objectief moet derhalve vast staan dat de destijds gedane opgave kennelijk fout was.

Ik ben van mening, dat in uw geval geen sprake is van een duidelijke fout. U geeft een non food/non feed gewas op met bijdragecode 830. Dit is een geldige combinatie. Uw aanvraag bevat geen tegenstrijdigheid. Uw aanvraag is als zodanig noch onlogisch, noch onvolledig en noch inconsequent ingevuld. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde. Nu er geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van het bovengenoemde werkdocument, kan uw aanvraag niet gewijzigd worden. Op grond van artikel 32, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 kan aan u dan ook geen akkerbouwbijdrage worden verleend.

Overigens merk ik op dat het feit dat u niet opzettelijk uw aanvraag onjuist heeft ingevuld, niet af doet aan het het voorgaande. Opzet is geen voorwaarde voor de constatering dat er geen duidelijke fout is gemaakt. Daarnaast volgt de opgelegde sanctie als gevolg van een verschil van meer dan 30% rechtstreeks uit de Europese verordening. Deze laat mij, behoudens overmacht, geen mogelijkheid hievan af te wijken. Van overmacht is mij in uw situatie niet gebleken.(…)."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellanten werden bij de aanvraag oppervlakten 2000, 2001 en 2002 geconfronteerd met het probleem dat voor faunaranden geen gewascode bestond. Zij kozen voor de code non food/non feed gewas, omdat dit het dichtst het gewas benaderde dat zij op de faunaranden teelden. In de aanvraag 2001 gaven zij deze gewascode op met de juiste bijdragecode: geen akkerbouwsteun. Per abuis vermeldden zij op de aanvraag 2002 de bijdragecode voor akkerbouwsteun.

Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat na het AID onderzoek op 22 augustus 2002 wijzigingen in de aanvraag niet meer mogelijk waren. De AID is immers geen bevoegde instantie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001; LASER is de bevoegde instantie en die had op deze datum nog geen onregelmatigheden in de aanvraag geconstateerd. Dit houdt in dat appellanten op 5 september 2002 wel degelijk nog de mogelijkheid hadden hun aanvraag te wijzigen.

De door appellanten abusievelijk opgegeven combinatie gewascode 842 ( non food/non feed gewas) met bijdragecode 830 (akkerbouwsteun) voldeed niet aan de in artikel 7 van de Regeling neergelegde eis dat een dergelijke aanvraag vergezeld dient te gaan van aanvullende bewijsstukken betreffende het contract met de verzamelaar/verwerker bij eenjarige non food/non feed, dan wel het formulier teeltaangifte /verbintenis bij meerjarige non food. Deze ontbrekende stukken hadden verweerder aanleiding moeten geven ofwel de aanvraag voor deze percelen direkt niet-ontvankelijk te verklaren ofwel verweerder had appellanten in de gelegenheid moeten stellen alsnog de vereiste aanvullende bewijsstukken over te leggen. In dat laatste geval zouden appellanten direkt hebben kunnen zien dat zij per abuis het perceel als nonfood/non feed gewas hadden opgegeven. Zij zouden dan, nog voor er enige controle was uitgevoerd, voor dit perceel de gewas- en de bijdragecode hebben kunnen wijzigen in 668 (groene braak) respectievelijk 999 (geen bijdrage).

Verweerder is, nu er sprake was van een onvolledige aanvraag voor een aantal percelen, voorbarig tot de conclusie gekomen dat er geen sprake was van een kennelijke fout. Hij had appellanten er eerst op moeten wijzen dat de aanvraag onvolledig was en dan hadden appellanten hun fout direct kunnen herstellen.

Benadrukt dient te worden dat appellanten helemaal niet dubbel wensten te declareren; zij wisten heel goed dat zij met dubbel declareren de aanzienlijke subsidies op grond van beide subsidieregelingen op het spel zouden zetten.

Verweerder heeft appellanten de wettelijke mogelijkheid ontzegd om hun bezwaren nader mondeling toe te lichten en heeft het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat, nu appellanten in feite wijziging van de aanvraag wensen, eerst onderzocht dient te worden in hoeverre er sprake is geweest van een kennelijke fout. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 8 juncto artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 2419/2001 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen.

Het feit dat appellanten, omdat zij ten tijde van belang niet een gewascode konden benutten voor faunaranden, besloten te kiezen voor het gebruik van de gewascode 842, kan het College niet tot het oordeel brengen dat verweerder in de aanvraag had moeten onderkennen dat zij eigenlijk faunaranden wensten op te geven. Evenmin had verweerder uit de aanvraag moeten begrijpen dat appellanten voor de met gewascode 842 opgegeven percelen ook nog eens - anders dan opgegeven - geen akkerbouwsubsidie wensten aan te vragen. Uit de – toegestane - combinatie gewascode 842 met bijdragecode 830 had verweerder niet kunnen afleiden dat de aanvraag inconsequent dan wel innerlijk tegenstrijdig was. Verweerder behoefde daarom -zoals het College reeds meerdere malen heeft overwogen- op basis van deze aanvraag geen gerede twijfel te hebben omtrent hetgeen appellanten daarmee beoogden. Bijgevolg was er geen sprake van een kennelijke fout met betrekking tot de opgave van de met gewascode 842 opgegeven percelen.

Met appellanten stelt het College vast dat de aanvraag in eerste instantie niet volledig was voor de met de code non food/non feed gewassen opgegeven percelen. Anders dan appellanten kennelijk menen bestond er voor verweerder echter geen rechtsplicht om appellanten de gelegenheid te bieden de aanvraag alsnog te completeren alvorens een controle uit te voeren. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt slechts dat een bestuursorgaan niet mag besluiten een aanvraag buiten behandeling te laten wegens incompleetheid, als de aanvrager niet tevoren de gelegenheid is geboden om de aanvraag alsnog compleet te maken. Een besluit tot buiten behandeling laten is door verweerder evenwel niet genomen.

Evenmin is er sprake van dat op verweerder enige rechtsplicht zou rusten om de aanvraag van appellanten, alvorens een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden in de aanvraag in te stellen, niet-ontvankelijk te verklaren voor die onderdelen waarop deze incompleet werd ingediend.

Het betoog van appellanten dat ambtenaren van de AID niet bevoegd zouden zijn om onregelmatigheden in de opgave van appellanten vast te stellen, kan reeds geen doel treffen op grond van de onder rubriek 2.1 van deze uitspraak vermelde tekst van de Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren Landbouwwet. De onder het gezagsbereik van verweerder vallende AID-ambtenaren waren, derhalve bevoegd om voor verweerder het op 22 augustus 2002 gehouden onderzoek uit te voeren. Het College kan daarom slechts vaststellen dat appellanten ten tijde van hun verzoek om wijziging van de aanvraag van 5 september 2002 door de bevoegde instantie op de hoogte waren gesteld van onregelmatigheden in hun aanvraag.

Het College is tenslotte van oordeel dat verweerder van het horen van appellanten op hun bezwaren heeft kunnen afzien omdat hij, ook zonder een verdere toelichting van hun kant, tot de conclusie moest komen dat het bezwaar ongegrond diende te worden verklaard. Het bezwaar was derhalve kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.M. Wolters en mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas