Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9929

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/513
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 6 mei 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 april 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2001, 215, hierna: Wet IB).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 03/513 11 mei 2004

27652 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Uitspraak in de zaak van:

Bewi Beheer B.V, te Halle, appellante,

gemachtigde: A, verbonden aan De Heide Smid B.V., te Halle,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. F.R. Jassies, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 6 mei 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 april 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2001, 215, hierna: Wet IB).

Onder dagtekening 8 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 april 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen B, werkzaam bij De Heide Smid B.V..

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3.42

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. (…)

b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid.

(…)"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling) (Stcrt. 2000, nr. 249) waarin onder meer is bepaald:

"Artikel 2

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3.42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden.

Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…)

Artikel 5

1. (…)

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

(…)"

In de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlage (hierna: Energielijst 2001) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

A. Investeringen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken

Technische voorzieningen ten behoeve van energiebesparing in bouwwerken, door:

(...)

2. De vermindering van de warmte- of koellast door:

(…)

2.1.B. Isolatie voor het isoleren van vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten (…)".

In de met voornoemde categorie A, code 2.1.B. overeenkomende code 210403 in de brochure Energie-investeringen 2001, is onder meer het volgende vermeld:

"210403 (…)

Isolatie

a. Bestemd voor: het isoleren van vloeren, daken, plafonds of wanden van ruimten (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, door het Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving van de Belastingdienst ontvangen op 19 februari 2002, heeft appellante, onder verwijzing naar voormelde code 210403, een verzoek gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investeringen in het bedrijfsmiddel 'isolatie', investeringen zijn die zijn aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 3:42, eerste lid, van de Wet IB (hierna: energieverklaring).

- Bij brief van 27 september 2002 heeft appellante nadere informatie over voornoemd bedrijfsmiddel verstrekt door overlegging van, onder meer, een document, door de betrokken partijen geduid als opdrachtbevestiging, tussen appellante en de leverancier, dakdekkersbedrijf C, te D, terzake van de levering en montage van de aangemelde isolatie ten behoeve van de nieuwbouw van de berging van appellante.

- Bij besluit van 22 oktober 2002 heeft verweerder op het verzoek om een energie-verklaring afwijzend beslist. In dit besluit heeft verweerder het volgende overwogen:

" De datum waarop uw melding is ontvangen is 19 februari 2002. Uit de gevraagde gegevens blijkt dat u het bedrijfsmiddel op 29 oktober 2001 heeft aangeschaft.

Dit betekent dat door u niet is voldaaan aan het gestelde in artikel 3, van de Uitvoeringsregeling Energie-investeringsaftrek. Daarom kan ik geen verklaring afgeven.

(...)"

- Bij brief van 2 december 2002, aangevuld op 24 december 2002, heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 6 maart 2003 is appellante op haar bezwaren gehoord. In het verslag van het gehoor staat het volgende vermeld:

"Senter (...)

Het dakdekkerbedrijf is failliet gegaan. Hoever waren zij met de werkzaamheden bij uw pand toen zij failliet gingen?

ERE Ze waren bijna klaar, alle isolatiematerialen waren geleverd en gemonteerd. Het ging nog om een latje et cetera, zeg maar de afwerking en afronding van de werkzaamheden.

ABO Ja, dat was nog voor het einde van het jaar 2001.

(...)"

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen en beslist:

"Mij zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden gebleken, dat ik mijn oordeel over een te late melding zou moeten herzien.

(…)"

In aanvulling op het bovenstaande heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting aangevoerd dat hoewel er naar gestreefd zou worden om het bestreden besluit binnen vier weken na de hoorzitting te versturen, dit niet is gelukt. Appellante is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder geen energieverklaring afgegeven. Weliswaar is de aanvraag niet binnen de daartoe geldende driemaandentermijn ingediend, doch deze omstandigheid behoort niet te leiden tot afwijzing van de aanvraag.

Hiertoe heeft appellante aangevoerd dat de aanvraag om een energieverklaring wel in bezit was van C, welke vennootschap de aanvraag zou verzorgen, doch dat die hierin nalatig is gebleven. Hieraan ligt ten grondslag dat bij C problemen zijn ontstaan die uiteindelijk tot haar faillissement hebben geleid. Als gevolg hiervan is de aanvraag niet ingediend. Toen appellante het faillissement van C ter ore kwam, heeft zij onmiddellijk contact met haar opgenomen en geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot de indiening van de aanvraag. Toen bleek dat de aanvraag niet was ingediend, heeft appellante dit zo spoedig mogelijk alsnog zelf gedaan. Sprake is derhalve van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Bovendien heeft verweerder zelf in strijd gehandeld met de in de brochure Energie-investeringen 2001 neergelegde beslistermijn, nu verweerder nalatig is gebleven binnen die termijn te beslissen op het bezwaarschrift van appellante. Gelet hierop is het niet redelijk om de termijnoverschrijding appellante wel tegen te werpen.

5. De beoordeling van het geschil

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling volgt dat het verzoek om afgifte van een energieverklaring gedaan dient te worden binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen.

Volgens vaste jurisprudentie is het aan verweerder om te beoordelen of aan voornoemde indieningstermijn is voldaan. Indien sprake is van te late indiening is verweerder, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, gehouden de gevraagde energieverklaring te weigeren.

Niet is in geschil dat het verzoek met betrekking tot de onderhavige investering door verweerder is ontvangen op 19 februari 2002. Evenmin is in geschil dat appellante op 29 oktober 2001 met betrekking tot de onderhavige voorziening verplichtingen is aangegaan als bedoeld in hiervoor weergegeven artikelleden. Derhalve staat ook vast dat sprake is van een overschrijding van de indieningstermijn, genoemd in de hiervoor weergegeven artikelleden. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht geoordeeld dat hiervan in dit geval geen sprake is.

Hiervoor is redengevend dat appellante geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat haar geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig doen van het verzoek om een energieverklaring bij verweerder. Dat C aan wie appellante de indiening van het verzoek had overgelaten, in verband met haar faillissement niet is overgegaan tot indiening van het verzoek, leidt niet tot een zodanig oordeel. Blijkens de hiervoor in rubrieken 2.2 en 4 weergegeven verklaringen van appellante bij het gehoor en ter zitting, heeft appellante reeds eind december 2001 van het faillissement van C kennis genomen, heeft zij onmiddellijk na kennisneming daarvan zijdens C vernomen dat geen verzoek was ingediend, had zij destijds nog tijdig een verzoek kunnen indienen, doch is zij desalniettemin eerst op 19 februari 2002, aldus ruim anderhalve maand nadien, overgegaan tot indiening van het onderhavige verzoek. Derhalve kan niet worden staande gehouden dat appellante als gevolg van het faillissement van C het verzoek niet tijdig heeft kunnen indienen. Het College merkt in dit verband nog op dat de gevolgen van de te late indiening van het verzoek geheel binnen de risicosfeer van appellante liggen. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om zich op de hoogte te stellen van de voorschriften die bij de Uitvoeringsregeling zijn gegeven en deze in acht te nemen.

Nu verweerder terecht heeft geoordeeld dat sprake was van een te late, niet verschoonbare, indiening, heeft hij terecht de gevraagde verklaring geweigerd.

Dat verweerder niet binnen de daartoe in de brochure Energie-investeringen 2001 neergelegde beslistermijn op het bezwaar heeft beslist, doet hier niet aan af. Desgewenst had appellante tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar beroep kunnen instellen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. I.K. Rapmund