Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9926

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
25-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/687, 03/688 en 03/689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 17 juni 2003 heeft het College van appellante drie beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 6 mei 2003.

Bij die besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van haar aanvragen om subsidie op grond van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (hierna: EINP-regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 03/687, 03/688 en 03/689 29 april 2004

27300 Kaderwet EZ-subsidies

Uitspraak in de zaken van:

N.V. Waterleiding Maatschappij Limburg, te Maastricht, appellante,

gemachtigde: A, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. drs. F.R. Jassies en ir. P.C. Nonhebel, beiden werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 17 juni 2003 heeft het College van appellante drie beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 6 mei 2003.

Bij die besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van haar aanvragen om subsidie op grond van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren (hierna: EINP-regeling).

Bij brieven van 23 juli 2003 heeft appellante de gronden van haar beroepen aan het College doen toekomen.

Onder dagtekening 18 september 2003 heeft verweerder drie verweerschriften ingediend.

Onder toezending van zijn uitspraak van 12 september 2003, geregistreerd onder nummer Awb 03/648, LJN-nummer AN8225, heeft het College appellante bij brief van 24 oktober 2003 in de gelegenheid gesteld om aan te geven op welke gronden zij meent dat in haar gevallen anders zou moeten worden beslist dan in voornoemde uitspraak van het College.

Bij brief van 28 november 2003 heeft appellante van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder bij brieven van 6 januari 2004 gereageerd op de brief van appellante van 28 november 2003.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 18 maart 2004, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. Van de zijde van appellante is tevens verschenen B, werkzaam bij appellante.

2. De grondslag van de geschillen

2.1 Voor de grondslag van de geschillen zij verwezen naar het normatieve kader, zoals dat is weergegeven in rubriek 2.1 van voornoemde, aan partijen bekende, uitspraak van het College van 12 september 2003.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij aanvragen, ingekomen op 15 en 22 februari 2002, heeft appellante bij verweerder subsidie op grond van de EINP-regeling aangevraagd voor investeringen in een aantal voorzieningen, waaronder, hier van belang, membraaninstallaties, frequentieregelaars en energiemonitoringssystemen, onder codes 121210, 120603 en 220901 in de Energielijst 2001.

- In reactie op deze aanvragen heeft verweerder bij brieven van 20 en 28 februari 2002 de ontvangst van de aanvragen bevestigd en aangekondigd in beginsel uiterlijk 8 weken na deze ontvangst een beslissing te zullen nemen. Deze termijn is ten aanzien van de aanvraag die is geregistreerd onder nummer Awb 03/687 niet en de aanvragen die zijn geregistreerd onder nummers Awb 03/688 en 03/689 wel, tot 31 december 2002, verlengd.

- Bij besluiten van 6 en 13 november en 12 december 2002 heeft verweerder de aanvragen van appellante ten dele ingewilligd, in dier voege dat, voor zover hier van belang, geen subsidie is verleend voor de investeringen in de frequentieregelaars, de membraaninstallaties en de energiemonitoringssystemen. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de aanvragen, omdat deze zijn ingediend na 10 februari 2002, moeten worden beoordeeld op grond van de EINP-regeling als gewijzigd bij de Wijzigingsregeling (hierna: EINP-regeling 2002). De door appellante aangevraagde voorzieningen komen niet meer voor op de bij deze regeling behorende energielijst. Omdat appellante voorts te kennen heeft gegeven dat ten aanzien van de bedoelde voorzieningen in het kader van een toetsing aan de generieke besparingseisen harerzijds geen informatie zal worden verstrekt, is een toetsing aan deze eisen achterwege gebleven.

- Tegen deze besluiten heeft appellante bij brieven van 17 en 21 december 2002 en 20 januari 2003, aangevuld op 15 en 20 januari en 11 maart 2003, bezwaar gemaakt.

- Op 26 maart en 18 april 2003 is namens appellante verklaard dat zij afziet van de mogelijkheid om op haar bezwaren te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Voor het standpunt van verweerder zij verwezen naar rubriek 3 van voormelde uitspraak van het College van 12 september 2003.

4. Het standpunt van appellante

Het standpunt van appellante is gelijk aan het standpunt van de in voornoemde uitspraak van het College van 12 september 2003 genoemde appellanten, zoals weergegeven in rubriek 4 van die uitspraak.

Net als in die procedure is appellante van mening dat, nu haar subsidieaanvragen zijn ingediend voordat de Wijzigingsregeling is gepubliceerd, deze aanvragen hadden moeten worden beoordeeld aan de hand van de EINP-regeling, zoals die gold op het moment van de indiening van de aanvraag (hierna: EINP-regeling 2001). Nu de Wijzigingsregeling niet voorziet in eerbiedigende werking ten aanzien van dergelijke aanvragen, is deze regeling – gelet op de belangen die zijn gemoeid met beoordeling van de lopende aanvragen aan de hand van de EINP-regeling 2001 – in strijd met het verbod van willekeur, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. De in de Wijzigingsregeling opgenomen overgangsregeling, die slechts voorziet in een zeer beperkte eerbiedigende werking, is derhalve onverbindend, althans dient wat betreft de aanvragen van appellante, buiten werking te blijven.

In aanvulling hierop heeft appellante erop gewezen dat het door verweerder gehanteerde systeem van behandeling van de aanvragen, gezien de gekozen overgangsregeling, aanleiding gaf tot willekeur, omdat toevallige omstandigheden, waaronder de snelheid van behandeling van de aanvragen, de wijze van administreren van binnenkomst der aanvragen, alsmede het tempo van afhandeling van de betrokken projectadviseur, bepalend waren voor een tijdige beslissing en daarmee voor de toepasselijkheid van de EINP-regeling 2001, dan wel die van de EINP-regeling 2002. Bovendien heeft verweerder op de aanvragen gereageerd met een zogenoemde "1.2a-brief", waarmee te kennen werd gegeven dat de aanvraag volledig was, binnen het budget viel en dat binnen 8 weken een beslissing zou worden genomen, welke termijn in een zaak - als in een 37-tal andere gevallen - niet is verlengd. Indien tijdig zou zijn beslist op de aanvragen, zouden de aanvragen zijn ingewilligd.

Voorts heeft appellante gesteld dat de investeringen in de aangemelde bedrijfsmiddelen alle zijn verricht. De beslissing tot het doen van de investeringen in de betreffende bedrijfsmiddelen is genomen rond het moment van de indiening van de aanvragen om subsidie. Besloten is tot het doen van de investeringen zonder dat sprake was van subsidie, aangezien sprake was van noodzakelijke investeringen. Toen de investeringen werden gedaan, bestond twijfel of de subsidie zou worden verkregen.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Vast staat dat de aanvragen van appellante om subsidie op grond van de EINP-regeling zijn ingediend na 10 februari 2002 en dat ten tijde van de inwerkingtreding van de Wijzigingsregeling op 17 april 2002 nog niet op de aanvragen was beslist. Zoals het College bij zijn uitspraak van 12 september 2003 heeft overwogen, vloeit uit artikel II van de Wijzigingsregeling derhalve voort dat de aanvragen dienen te worden beoordeeld met inachtneming van de EINP-regeling 2002. Aangezien de voorzieningen waarvoor appellante subsidie had gevraagd, niet meer voorkomen op de bij de EINP-regeling 2002 behorende energielijst en evenmin op de voorbeeldenlijst die is opgenomen in de bijbehorende voorlichtingsbrochure, alsmede in aanmerking genomen dat niet aan de orde is de vraag of de in geding zijnde voorzieningen voldoen aan de in de EINP-regeling gestelde generieke besparingseisen, is duidelijk dat de aanvragen op voet van de EINP-regeling 2002 niet voor inwilliging in aanmerking komen.

5.2 Het College stelt vast dat bij voormelde uitspraak van 12 september 2003, het beroep van de daarin genoemde appellanten, met dezelfde strekking als de onderhavige beroepen, ongegrond is verklaard. Het ging hierbij om een besluit van verweerder met een gelijke strekking als de besluiten die hier aan de orde zijn.

Het College stelt voorts vast dat appellante in de onderhavige procedures argumenten aan de orde stelt die ook in voornoemde procedure aan de orde zijn geweest. Die argumenten hebben er niet toe geleid dat dat beroep gegrond werd verklaard.

Op grond van dezelfde overwegingen, waarnaar het College verwijst en die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, komen de onderhavige beroepen evenmin voor gegrondverklaring in aanmerking. Zoals het College in bedoelde uitspraak heeft overwogen, kan niet worden staande gehouden dat verweerder bij de totstandbrenging van de Wijzigingsregeling heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur, in die zin dat hij, in aanmerking genomen de belangen die hem ten tijde van deze totstandbrenging bekend waren of behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot eerdervermeld overgangsvoorschrift heeft kunnen komen. De omstandigheid dat de (inhoud van de) Wijzigingsregeling niet voor appellante voorzienbaar was, doet hier niet aan af, aangezien appellante hierdoor niet afzonderlijk nadeel heeft ondervonden.

Appellante heeft weliswaar betoogd dat in haar geval wel sprake is van een door haar afzonderlijk ondervonden nadeel, doch dit betoog faalt. Niet is gebleken dat appellante dezelfde investeringsverplichtingen niet zou zijn aangegaan, indien het voor haar duidelijk zou zijn geweest dat zij niet in aanmerking zou komen voor subsidie.

Hierbij acht het College van betekenis dat appellante heeft verklaard dat sprake is van noodzakelijke investeringen en dat zij is overgegaan tot de betrokken investeringen op een moment waarop bij haar twijfel bestond of de subsidie zou worden verkregen.

Tenslotte is gesteld noch gebleken dat appellante in het kader van het indienen van de aanvragen bijzondere kosten - die de normaal te achten met een aanvraag samenhangende kosten te boven gaan - heeft gemaakt.

5.3 Uit het hiervoor overwogene volgt dat de beroepen niet kunnen slagen.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

w.g. C.J. Borman w.g. I.K. Rapmund