Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9598

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/549
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2002 heeft verweerder krachtens de Regeling tarieven I&R 2002 (hierna: de Regeling) aan appellant voor het jaar 2002 een heffing van € 95,91 opgelegd.

Bij besluit van 5 maart 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.Awb 03/549 7 mei 2004

5140 I & R-regelgeving

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Kuipers, werkzaam bij Bureau Heffingen, te Assen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 5 december 2002 heeft verweerder krachtens de Regeling tarieven I&R 2002 (hierna: de Regeling) aan appellant voor het jaar 2002 een heffing van € 95,91 opgelegd.

Bij besluit van 5 maart 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 maart 2003, bij verweerder binnengekomen op 20 maart 2003, bezwaar gemaakt. Met toepassing van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft verweerder deze brief naar het College doorgezonden, ter behandeling als beroepschrift.

Bij brief van 3 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 23 april 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde heeft toegelicht. Appellant is niet verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Uit artikel 13, aanhef en onder b, Landbouwwet volgt, kort gezegd, dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ter uitvoering van verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Europese Economische Gemeenschap, voorzover deze betrekking hebben op het gemeenschappelijk landbouwbeleid, voorzien in de tweede titel van het tweede deel van het verdrag tot oprichting van die Gemeenschap, bij regeling de verplichting kan opleggen tot het betalen van een geldsom.

De Regeling is vastgesteld ter uitvoering van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97.

Artikel 2, eerste lid, van de Regeling komt er op neer dat ter zake van het voorhanden of het in voorraad hebben van runderen de houder van een of meer runderen jaarlijks een bedrag verschuldigd is dat bestaat uit een vast bedrag en een bedrag afhankelijk van het aantal gehouden runderen. In het tweede lid is, voor zover hier van belang, bepaald dat het vaste bedrag € 15 bedraagt indien het aantal gehouden runderen minder dan 20 bedraagt, of € 103 indien het aantal gehouden runderen 20 of meer dan 20 bedraagt. Ingevolge artikel 2, vierde lid, aanhef en onder b, bedraagt het verschuldigde bedrag per gehouden rund € 0,15, indien de houder van de runderen een melkveehouderij voert.

2.2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellant tegen de opgelegde heffing ongegrond verklaard, omdat het bedrag in overeenstemming is met de Regeling.

2.3 Appellant richt zich in beroep tegen de hoogte van de heffing. Hij meent dat het vaste tarief voor zijn melkrundveehouderij met 28 runderen veel te hoog is en wijst daarbij op het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt voor om als vast tarief € 15 vast te stellen, ongeacht de omvang van de rundveehouderij, en om dan per rund een hoger bedrag in rekening te brengen.

2.4 Blijkens het besluit van 5 december 2002 is de heffing berekend door het vaste bedrag van € 91,71 (zijnde het jaarlijkse bedrag van € 103 dat naar evenredigheid is verminderd vanwege inwerkingtreding van de Regeling begin februari 2002) te vermeerderen met een bedrag van € 4,20 (zijnde 28 runderen vermenigvuldigd met € 0,15 per gehouden rund). Appellant heeft niet aangevoerd dat verweerder bij de bepaling van de hoogte van de heffing de Regeling onjuist heeft toegepast; het College is daarvan ook overigens niet gebleken.

2.5 Het beroep van appellant komt er op neer dat verweerder de Regeling niet had mogen toepassen. Tegen de Regeling zelf is op grond van artikel 8:2, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, Awb geen bezwaar en beroep mogelijk, aangezien de Regeling uit algemeen verbindende voorschriften bestaat. Artikel 8:2, aanhef en onder a, Awb staat er echter niet aan in de weg dat in het kader van het onderhavige geschil, het College de Regeling waaraan verweerder bij het bestreden besluit toepassing heeft gegeven, kan toetsen aan hogere - algemeen verbindende - regelingen en algemene rechtsbeginselen.

2.6 Het College is niet gebleken - noch is door appellant aangevoerd - dat de onderdelen van de Regeling waaraan verweerder bij besluit van 5 december 2002 toepassing heeft gegeven, in strijd zijn met eerdergenoemde verordening ter uitvoering waarvan de Regeling is vastgesteld, of in strijd zijn met andere hogere regelingen.

2.7 Wat betreft toetsing van de Regeling aan algemene rechtsbeginselen overweegt het College dat deze toetsing slechts marginaal kan zijn, vanwege de grote vrijheid die verweerder toekomt bij de bepaling van de wijze van financiering van het I&R-systeem. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen reden voor het oordeel dat de afweging die verweerder heeft gemaakt en die tot de Regeling heeft geleid, een marginale toetsing niet kan doorstaan. Van willekeur, in die zin dat verweerder niet in redelijkheid tot de vaststelling van de Regeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de belangen die hem destijds bekend waren of bekend konden zijn, is geen sprake. In dat verband stelt het College vast dat de Regeling naast vaste tarieven ook een tarief per rund kent, waardoor voor grote en kleine rundveehouderijen verschillende bedragen resulteren. Dat appellant een andere verhouding van vaste en variabele tarieven rechtvaardiger acht dan in de Regeling is neergelegd, brengt niet mee dat verweerder niet in redelijkheid tot de vaststelling van de Regeling heeft kunnen komen. Het beroep moet daarom ongegrond worden geoordeeld.

2.8 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.B.L. van der Weele