Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9595

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1037
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 22 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen zijn besluit om hem geen akkerbouwsubsidie toe te kennen op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/1037 7 mei 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigden: mr. H.H. Gerrits en D.H.W. Gerrits, werkzaam bij accountantskantoor H.H. Gerrits te Lutten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Op 22 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen zijn besluit om hem geen akkerbouwsubsidie toe te kennen op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), niet-ontvankelijk verklaard.

Op 21 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 december 2003 heeft appellant een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2004, waar appellant bij monde van D.H.W. Gerrits, en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 7 mei 2002 het formulier 'Gecombineerde opgave 2002 voor Landbouwtelling/Gebruik gewaspercelen/Aanvraag oppervlakten' bij verweerder ingediend. In dit formulier heeft appellant onder meer vier percelen maïs opgegeven voor registratie als voederareaal.

- Bij brief van 25 november 2002 heeft verweerder onder het kopje 'Voederareaal dierlijke premies' onder meer meegedeeld dat appellant 13,74 ha voederareaal had opgegeven en dat door LASER 13,74 ha voederareaal was geconstateerd. In dezelfde brief is daarna onder het kopje 'Akkerbouwsubsidie' appellant meegedeeld dat zijn aanvraag niet tot een subsidie in het kader van de Regeling leidt, omdat hij in zijn aanvraag geen percelen voor een akkerbouwsubsidie had opgegeven. Voorts vermeldt dit besluit onder het kopje 'Bezwaarmogelijkheid akkerbouwsubsidie' de volgende zinsnede:

" Indien u het met dit besluit niet eens bent, kunt u binnen 6 weken na verzending van deze brief schriftelijk bezwaar maken. "

- Op 5 februari 2003 heeft appellant vervolgens een bezwaarschrift ingediend. Appellant maakt daarin bezwaar tegen het feit dat hem voor de maïspercelen geen akkerbouwsteun is toegekend.

- Bij brief van 11 maart 2003 heeft verweerder appellant meegedeeld dat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van 6 weken werd ingediend. Appellant is in de gelegenheid gesteld aan te geven welke omstandigheden tot de geconstateerde termijnoverschrijding aanleiding hebben gegeven.

- Bij brief van 17 maart 2003 heeft appellant uiteengezet waarom hij meent dat hem ter zake van het niet tijdig indienen van zijn bezwaarschrift geen verwijt treft.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" In de betreffende beschikking staat op pagina 1, onder de alinea waarin het geconstateerde voederareaal wordt vermeld, een alinea met als vetgedrukte kop 'Bezwaarmogelijkheid voederareaal dierlijke premies'. In deze alinea wordt aangegeven dat er op basis van de beslissing van 25 november 2002 nog geen bezwaarmogelijkheid bestaat tegen 'de geconstateerde oppervlakte voederareaal'. Teneinde hiertegen bezwaar te maken, dient u te wachten op de beslissing in het kader van de Regeling dierlijke EG-premies.

Hierna volgt een alinea met daarin de beslissing in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, welke op pagina 2 wordt gevolgd door een alinea met de vetgedrukte kop 'Bezwaarmogelijkheid akkerbouwsubsidie', waarin wordt gemeld dat u binnen 6 weken na verzending van de brief schriftelijk bezwaar tegen het daarin vervatte besluit in het kader van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen kunt aantekenen.

Aangezien beide bezwaarclausules zien op beslissingen in het kader van verschillende subsidieregelingen, bestaat er geen overlap en mitsdien geen tegenstrijdigheid in de genoemde bezwaarmogelijkheden.

(...)

Nu de betreffende brief melding maakt van de resultaten van de beoordeling van uw Aanvraag oppervlakten 2002 en in het verlengde daarvan wijst op de mogelijkheden bezwaar aan te tekenen, heeft u deze brief in redelijkheid niet als zijnde slechts een mededeling kunnen beschouwen. Het feit dat u zulks abusievelijk wel heeft gedaan, komt dan ook voor uw rekening en verantwoording, en kan mitsdien niet worden aangemerkt als een verschoonbare dwaling.

Uit de feiten en omstandigheden die u aanvoert voor het te laat indienen van het bezwaarschrift, is mij derhalve niet gebleken dat het voor u onmogelijk was het bezwaarschrift tijdig in te dienen. "

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep – samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft de brief van 25 november 2002 gelezen als een mededeling en niet als een beschikking. Verder bevat deze brief onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. Eerst wordt vermeld dat geen bezwaar kan worden aangetekend en op de volgende pagina is aangegeven dat er wel bezwaar kan worden gemaakt.

Aldus is bij appellant zo veel verwarring ontstaan dat hij pas toen de uitbetaling van akkerbouwsteun achterwege bleef, bemerkte dat hem geen akkerbouwsteun was toegekend. Toen was het echter niet meer mogelijk tijdig bezwaar te maken.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat appellant heeft nagelaten binnen de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genoemde termijn van zes weken bezwaar te maken tegen het besluit van 25 november 2002 om hem geen akkerbouwsteun toe te kennen. Artikel 6:11 Awb bepaalt ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift dat niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Hetgeen appellant met betrekking tot de oorzaak van de termijnoverschrijding heeft aangevoerd, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht om tot dit oordeel te komen. Het College overweegt ter zake als volgt.

De mededeling van verweerder in de brief van 25 november 2002 dat hij appellant geen akkerbouwsubsidie toekent en de vermelding daarbij dat tegen dit besluit bezwaar kan worden gemaakt, heeft appellant niet redelijkerwijs als vrijblijvende opmerkingen kunnen opvatten. Dat appellant de brief van 25 november 2002 als verwarrend heeft ondervonden, omdat daarin is vermeld dat hij geen bezwaar kan maken tegen de vaststelling van de oppervlakte voederareaal, doet er niet aan af dat in de brief is vermeld dat appellant bezwaar kan maken tegen de vaststelling dat zijn aanvraag niet tot akkerbouwsubsidie leidt. Ook overigens is het College van oordeel dat geen sprake is van de onduidelijkheden en tegenstrijdigheden waarop appellant doelt.

In de reactie op het verweerschrift heeft appellant naar voren gebracht dat andere overheidsorganen bij afwijzing van een aanvraag de aanvrager eerst de gelegenheid bieden om eventuele onjuistheden te corrigeren, alvorens een besluit te nemen; appellant meent dat hij om die reden er niet bedacht op hoefde te zijn dat de brief van 25 november 2002 reeds een afwijzend besluit was. Het College is echter van oordeel dat de brief van 25 november 2002 bij normaal zorgvuldige lezing voldoende duidelijk maakt een definitieve beslissing op de ingediende aanvraag in te houden.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder op goede gronden het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.B.L. van der Weele