Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9587

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-04-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 31 juli 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 juni 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen verweerders besluit van 13 januari 2003, waarbij haar aanvraag om akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) werd afgewezen, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/880 28 april 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders agentschap LASER.

1. De procedure

Op 31 juli 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 juni 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen verweerders besluit van 13 januari 2003, waarbij haar aanvraag om akkerbouwsubsidie op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) werd afgewezen, ongegrond verklaard.

Op 7 augustus 2003 heeft appellante aanvullende gronden voor haar beroep ingediend.

Op 22 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 9 april 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving.

Verordening (EEG) nr. 2419/2001 luidt, voor zover hier van belang.

" Artikel 8

Wijzigingen in de steunaanvraag "oppervlakten"

1. Onverminderd het bepaalde in lid 3, mogen na de uiterste datum voor de indiening van de steunaanvraag "oppervlakten" individuele voor de landbouw gebruikte percelen die nog niet in de steunaanvraag waren aangegeven, worden toegevoegd, en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling worden aangebracht, voorzover alle krachtens de op de betrokken steunregeling van toepassing zijnde sectorspecifieke voorschriften geldende voorwaarden in acht worden genomen.

2. De toevoeging van percelen landbouwgrond en wijzigingen als bedoeld in lid 1 moeten schriftelijk aan de bevoegde instantie worden meegedeeld tot uiterlijk de datum die voor de inzaai of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1251/1999 is vastgesteld.

Het bepaalde in artikel 6, lid 2, derde alinea, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 is van overeenkomstige toepassing.

3. Wanneer de bevoegde instantie het bedrijfshoofd reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in zijn steunaanvraag, of van haar voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen met betrekking tot de betrokken percelen landbouwgrond geen toevoegingen of wijzigingen overeenkomstig de leden 1 en 2 worden aangebracht.

Artikel 12

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 33

Opzettelijke niet-inachtneming

Wanneer het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, is toe te schrijven aan een opzettelijke onregelmatigheid, wordt het op grond van de betrokken steunregeling toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt het bedrijfshoofd bovendien tot een bedrag dat gelijk is aan het op grond van de eerste alinea geweigerde steunbedrag, nogmaals uitgesloten van de steun. Dit bedrag wordt verrekend met de betalingen in het kader van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen waarop hij aanspraak kan maken op grond van aanvragen die hij indient in de drie kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar waarin het verschil wordt vastgesteld.

De Regeling luidde voor zover en ten tijde van belang.

"Artikel 1, aanhef en onder l:

In deze Regeling wordt verstaan onder akkerland:

a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was, en (….)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 7 mei 2002 middels het formulier gecombineerde opgave 2002 een aanvraag om akkerbouwsteun op grond van de Regeling ingediend.

- Bij besluit van 13 januari 2003 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Op 22 januari 2003 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen deze beslissing tot afwijzing.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 23 mei 2003 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

"(…)Artikel 9, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode kan worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2419/2001, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de Raadsverordening is vastgesteld. Echter, ingeval van een door LASER erkende kennelijke fout kan de aanvraag ook na deze datum worden verbeterd.(….)

In het bezwaarschrift geeft u aan dat u zich heeft vergist bij uw aanvraag oppervlakten 2002. U geeft perceel 1395041365 op voor een bijdrage in plaats van perceel 1393241363. Tijdens de hoorzitting geeft u aan dat u in het jaar 2001 perceel 1395041365 bewust niet heeft opgegeven voor een bijdrage omdat u wist dat dit perceel niet aan de gestelde voorwaarden voldoet. Verder geeft u tijdens de hoorzitting nogmaals aan dat er sprake is van een vergissing. Echter, als producent bent u verantwoordelijk voor het juist invullen van uw eigen aanvraag. U heeft een perceel opgegeven voor een akkerbouwbijdrage terwijl u wist of behoorde te weten dat dit perceel niet aan de voorwaarden voldeed. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 2419/2001."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten gevolge van een vergissing is in de aanvraag het niet premiewaardige perceel 1395041365 opgegeven voor akkerbouwsteun, terwijl het - grotere- wel premiewaardige perceel 1393241363 niet voor een bijdrage werd opgegeven. Ten onrechte heeft verweerder, nu er sprake is van een kennelijke fout in de aanvraag, in de bezwaarfase niet besloten een wijziging van deze aanvraag te aanvaarden inhoudende, dat het grotere perceel alsnog als premiewaardig wordt aangemerkt en het kleinere perceel als niet premiewaardig.

Nu er sprake is van een kennelijke vergissing heeft veweerder helemaal ten onrechte geoordeeld dat appellante opzettelijk het niet premiewaardige perceel 1395041365 voor premie in aanmerking heeft gebracht. Dat er geen sprake is geweest van opzet, maar van een vergissing, blijkt immers reeds uit het feit dat appellante zichzelf te kort heeft gedaan door een kleiner niet premiewaardig perceel voor steun op te geven en een groter wel premiewaardig perceel niet voor een bijdrage in aanmerking te brengen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat, nu appellante om wijziging van haar aanvraag verzoekt, eerst beoordeeld dient te worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van een kennelijke fout. Immers alleen in geval van een kennelijke fout is het ingevolge het bepaalde bij artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 mogelijk ook na afloop van de indieningstermijn een aanvraag te wijzigen. Het College is van oordeel dat er hier geen sprake is geweest van een kennelijke fout.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een kennelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijke opgave kennelijk fout was. Dit is het geval wanneer uit de aanvraag zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag geen ongerijmdheden bevat. Het is niet de taak van verweerder zich in de motieven van appellante te verdiepen om een groter perceel niet en een kleiner wel voor akkerbouwsteun in aanmerking te brengen. Het staat appellante immers vrij om percelen wel of niet voor akkerbouwsteun in aanmerking te brengen.

Vervolgens dient bezien te worden in hoeverre verweerder terecht geoordeeld heeft dat er sprake is geweest van een opzettelijke onregelmatigheid in de aanvraag en op basis daarvan artikel 33 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het College meent dat verweerders conclusie dat appellante opzettelijk een perceel voor steun heeft opgegeven, waarvan zij wist of behoorde te weten dat het niet premiewaardig was, geen stand kan houden. Het overweegt daartoe als volgt.

Appellante stelt zich op het standpunt, en ook verweerder heeft dit ter zitting bevestigd, dat het perceel 1393241363 voldoet aan de definitie akkerland. Met betrekking tot het perceel 139241365 staat vast dat het door verweerder bij de afhandeling van de aanvraag oppervlakten 2000 van appellante niet premiewaardig is bevonden, omdat het niet aan de definitie akkerland voldeed.

Appellante dus bij haar aanvraag een op zich premiewaardig perceel met een oppervlakte van 2.52 ha niet en een niet premiewaardig perceel van 2.44 ha wel voor akkerbouwsteun opgegeven. Het College acht het allerminst uitgesloten dat appellante, zoals zij heeft gesteld, bij de opgave een vergissing heeft gemaakt. Er lijkt geen begrijpelijke reden aanwezig om het perceel 1393241363 niet in de aanvraag te betrekken en perceel 1395041365, dat naar stellige verwachting niet voor premie in aanmerking zal komen, daarin wel op te voeren. In het licht van die omstandigheden was het aan verweerder om op zijn beurt aannemelijk te maken dat in casu niettemin sprake is van een opzettelijke onregelmatigheid als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Hierin is verweerder niet geslaagd.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in bovengenoemde Verordening moet worden vernietigd. Verweerder dient, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hierbij is het bedrag van de kosten van rechtsbijstand, die aan appellante door haar gemachtigde is verleend, vastgesteld overeenkomstig het tarief in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder toekenning van 2 punten, zijnde 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van hetgeen bij deze

uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro) en te vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellante betaalde griffierecht ad € 232,-- (zegge:

tweehonderdtweeëndertig euro) aan haar vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E Doolaard en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004.

w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas