Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9546

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1103
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 november 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000 (hierna; de Wet) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Derde enkelvoudige kamer

No. AWB 03/1103 27 april 2004

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

Lely Tax v.o.f., te Lelystad, appellante,

gemachtigde: mr. R.A. IJsendijk, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 11 november 2002 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer op grond van de Wet personenvervoer 2000 (hierna; de Wet) afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 september 2003 beroep ingesteld.

Bij brief van 6 oktober 2003 zijn de gronden van het beroep nader aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 6 november 2003 een verweerschrift ingediend.

2. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, heeft het College de bevoegdheid om totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek te sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk gegrond is.

Het College ziet aanleiding om in deze procedure van deze bevoegdheid gebruik te maken.

In het kader van de bezwarenprocedure is namens appellante gesteld dat zij abusievelijk haar van 5 augustus 2002 daterende aanvraag heeft gebaseerd op de bestaande in plaats van op de voorgenomen toekomstige situatie. Laatstgenoemde situatie vindt zijn vertaling in een op 13 maart 2003 tussen de vennoten van appellante gesloten overeenkomst van vennootschap onder firma. Artikel 8 van de oude overeenkomst, waarop de primaire afwijzing steunt, is niet in de nieuwe overeenkomst terug te vinden, waardoor volgens appellante de grondslag aan de afwijzingsgronden is komen te ontvallen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit onder meer het volgende overwogen:

" In de bezwaarfase wordt echter van de situatie uitgegaan, zoals die ten tijde van de aanvraag naar voren is gebracht. Het nieuwe VOF-contract is daarentegen pas in de bezwaarfase ingediend. Bovendien betreft het nieuwe VOF- contract een geheel nieuwe situatie. Aangezien noch in de aanvraag, noch op enig ander moment in de voorfase sprake is geweest van de situatie zoals beschreven in het nieuwe VOF-contract, leent de omstandigheid, dat na de beslissing op de aanvraag een nieuw VOF-contract is ingediend zich niet voor behandeling in bezwaar. In het onderhavige geval gaat dit de grondslag van het geschil te buiten."

Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als regel heeft te gelden dat het bestuursorgaan op de juistheid van de aldus verschafte gegevens kan afgaan, tenzij sprake is van een voor dat orgaan kenbare vergissing of de aanvrager eigener beweging tijdig de onjuistheid van de eerder door hem verschafte gegevens aantoont. Wat betreft de primaire besluitvorming heeft dit laatste zich in dit geval niet voorgedaan, aangezien appellante de door haar gestelde fout eerst heeft gesignaleerd nadat het primaire besluit aan haar was bekendgemaakt.

Van een voor het bestuursorgaan kenbare vergissing is sprake indien de vergissing had behoren te worden onderkend bij onderzoek van de aanvraag. Gelet op de aard van de gestelde vergissing is evident dat verweerder deze niet heeft kunnen onderkennen.

Tegen de primaire beschikking heeft appellante evenwel tijdig een bezwaarschrift ingediend, waarin zij heeft gewezen op de bij aanvraag gemaakte fout.

Op dit bezwaarschrift diende ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb een heroverweging plaats te vinden van het primaire besluit, in welk kader het in beginsel voor bezwaarden mogelijk is door hen in eerste instantie gemaakte vergissingen te herstellen en alsnog de onjuistheid van eerder door hen verschafte gegevens aan te tonen, voor zover niet uit de wettelijke regeling waarop het primaire besluit steunt, een beperking voortvloeit. Zodanige beperking vloeit naar het oordeel van het College in het voorliggende geval niet uit de Wet voort.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat verweerder aan appellante in bezwaar gelegenheid had behoren te bieden om de door haar gemaakte vergissing te herstellen, al ging het niet om een vergissing die direct al door verweerder had behoren te worden onderkend. Door dit na te laten heeft verweerder gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

Het College acht voorts termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op € 322,-- (zegge:

driehonderdtweeëntwintig euro) en te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 232,-- (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) wordt

vergoed door de Staat der Nederlanden.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.

w.g. J.A. Hagen w.g. R. Meijer