Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9538

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/965 29 april 2004

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A RA, kantoorhoudende te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 17 juni 2003,

gemachtigde: mr. H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief van 17 juni 2003 heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op die dag genomen beslissing op een klacht, op 11 juni 2002 ingediend tegen appellant door C te D en E te F (hierna: klagers).

Bij een op 15 augustus 2003 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College.

De raad van tucht heeft bij brief van 21 augustus 2003 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 22 september 2003 hebben klagers gereageerd op het beroepschrift.

Bij brief van 2 oktober 2003 heeft de raad van tucht desgevraagd nog enige op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 18 november 2003 heeft appellant antwoord gegeven op een vanwege het College gestelde vraag en heeft daarbij, alsook bij brief van 24 november 2003 nog enige stukken overgelegd.

Bij brieven van 17 december 2003 en 12 februari 2004 hebben klagers gereageerd op voornoemde brieven van appellant.

Bij brief van 19 februari 2004 heeft appellant gereageerd op voornoemde brieven van klagers.

Op 26 februari 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Verschenen zijn appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde, en klagers bijgestaan door mr. dr. L.L.M. Prinsen, advocaat te Eindhoven.

Na sluiting van het onderzoek heeft de raad van tucht bij brief van 5 maart 2004 de volgende - reeds eerder opgevraagde en bij partijen bekende - stukken alsnog doen toekomen aan de griffier van het College: het advies van 16 september 1999 van mr. H. Beckman, zoals dat ter zitting bij de raad van tucht namens klagers is overgelegd, en de bij brief van de secretaris van 3 februari 2003 aan de raad van tucht gezonden brief van de gemachtigde van appellant van 31 januari 2003.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan de uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en appellant de maatregel van een schriftelijke berisping opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 In het eerste middel betoogt appellant dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat een rapport van een registeraccountant licht meer verwachtingen kan wekken dan op grond van de verstrekte opdracht en de verrichte werkzaamheden gerechtvaardigd is, zelfs wanneer in dat rapport de daaraan inherente beperkingen zijn weergegeven. Voort heeft de raad van tucht ten onrechte, hierop voortbouwend, geoordeeld dat appellant er onvoldoende blijk van heeft gegeven de omstandigheden naar behoren te hebben gewogen bij zijn beslissing om de curator toestemming te geven tot het gebruik van zijn rapport.

Appellant onderschrijft het uitgangspunt dat de registeraccountant ervoor dient te waken dat aan het rapport een verdergaande betekenis wordt toegekend dan de verrichte werkzaamheden rechtvaardigen. Dit vereist dat de registeraccountant een duidelijk beeld geeft van de aard en de reikwijdte van de opdracht, van de wijze waarop de opdracht is uitgevoerd en van de eventuele beperkingen in het onderzoek. De mogelijkheid dat de lezer van een accountantsrapport daaraan soms een meerwaarde toekent, zelfs wanneer in het rapport de daaraan inherente beperkingen zijn aangegeven, is in theorie altijd aanwezig. Niet de accountant, doch de lezer is hiervoor verantwoordelijk. Dit is niet anders wanneer het rapport bestemd is om in een civiele procedure te worden ingebracht. Hierbij is van belang dat de rechter een professionele lezer is en de procedure omkleed is met procedurele waarborgen.

4.2 Appellant stelt in het tweede middel dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant een te beperkte definitie van het begrip werkkapitaal heeft gehanteerd door daarin niet de op korte termijn te factureren bedragen te betrekken. Deze veronderstelling van de raad van tucht berust kennelijk op een misverstand.

Appellant onderschrijft de opvatting van de raad van tucht dat de nog te factureren opbrengsten moeten worden begrepen in het werkkapitaal; hij heeft hier ook rekening mee gehouden.

4.3 In het derde middel voert appellant aan dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet heeft onderzocht of, en zo ja tot welk bedrag G medio 1995 gelden aan derden in rekening kon brengen en ter zake inlichtingen had moeten inwinnen bij klagers en eventueel bij de externe accountant van G.

Appellant heeft wel degelijk onderzocht welke bedragen G aan derden in rekening kon brengen. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de administratie van G. De post nog te factureren opbrengsten was onderdeel van de post onderhanden werk zoals die bleek uit de administratie van G per 30 juni 1995. Daarenboven heeft appellant alle boekingen na 30 juni 1995 tot aan de faillissementsdatum onderzocht teneinde na te gaan of dit nadere informatie opleverde voor de situatie per 30 juni 1995. Ook heeft appellant de administratie van de individuele werken in zijn onderzoek betrokken. Appellant kon de waardering van het onderhanden werk per 30 juni 1995, zoals opgenomen in de administratie niet beoordelen, ter zake waarvan hij in het rapport een specifiek voorbehoud heeft gemaakt.

Het was voor appellant uit hoofde van het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn rapportage niet nodig om ter zake inlichtingen in te winnen bij klagers en eventueel bij de externe accountant. Het object van het onderzoek, de financiële administratie van G, kon dienen voor de analyse van de ontwikkeling van het werkkapitaal waartoe appellant is gekomen, en was daartoe in beginsel toereikend. Voor zover dat niet het geval was is in het rapport een specifiek voorbehoud gemaakt. Het doel van de opdracht was om de opdrachtgever, de curator, te helpen bij het verkrijgen van inzicht in de financiële administratie van G, in het bijzonder ten aanzien van de ontwikkeling van het werkkapitaal.

Betwist wordt dat klagers zich gemotiveerd op het standpunt hebben gesteld dat G medio 1995 op korte termijn nog grote bedragen aan derden konden factureren. Het ter zake in het klaagschrift genoemde bedrag van NLG 2,2 miljoen is niet toegelicht of onderbouwd, ook niet tijdens de zitting.

4.4 Tot slot betoogt appellant, in het vierde middel, dat de raad van tucht bij het opleggen van de maatregel ten onrechte in acht heeft genomen dat eerder een vergelijkbare klacht tegen appellant op vergelijkbare gronden gegrond is verklaard. Deze omstandigheid maakte geen deel uit van het debat in onderhavige procedure en bovendien heeft de raad van tucht niet aangegeven om welke beslissing het gaat zodat appellant zich hiertegen niet kan verweren.

5. De beoordeling

5.1 Het College ziet aanleiding eerst het tweede en derde middel gezamenlijk te bespreken.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, GBR-1994 doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid. In haar algemeenheid is, zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2002, 02/331; LJN-nummer AF1513) onjuist dat een mededeling deugdelijke grondslag reeds zou ontberen op grond van het enkele feit dat geen hoor en wederhoor wordt toegepast. De beoordeling of de deskundigheid en de verrichte werkzaamheden een dergelijke grondslag vormen is immers afhankelijk van de inhoud en strekking van de mededeling. Het toepassen van hoor en wederhoor is derhalve geen doel of verplichting op zich, maar een middel ter verkrijging van een deugdelijke grondslag.

Het College stelt vast dat het onderzoek ten doel had de curator inzicht te geven in de financiële administratie van G, in het bijzonder ten aanzien van de ontwikkeling van het werkkapitaal. De opdracht was hiertoe ook beperkt. De bevindingen van het onderzoek, neergelegd in het door appellant opgestelde en door klagers gewraakte rapport, zou de curator vervolgens eventueel gebruiken in een civiele procedure tegen klagers (als bestuurders van G). Niettegenstaande dit achterliggende doel van de curator stelt het rapport naar het oordeel van het College niet de positie van klagers als bestuurders van G aan de orde. Het rapport geeft immers feitelijke constateringen weer van de financiële administratie van G en brengt deze niet in verband met het functioneren van klagers als bestuurders van G. Het College acht in dit verband van belang dat appellant in (zowel de inleiding als de samenvatting van) het rapport uitdrukkelijk heeft gewezen op de beperkte reikwijdte van het onderzoek en dat op basis van de bestudeerde bescheiden expliciet noch impliciet enige uitspraak wordt gedaan over de uitoefening van taken door de voormalige directie van G in relatie tot de financiële positie van G. Nu klagers niet zelf voorwerp waren van het onderzoek van appellant, behoefde appellant niet reeds daarom aanleiding te zien klagers te horen.

Ook anderszins was het horen van klagers dan wel hun externe accountant over de financiële administratie van G in het bijzonder over de ontwikkeling van het werkkapitaal niet vereist. Dienaangaande stelt het College vast dat tussen partijen in confesso is dat de administratie van G op zich op orde was. Appellant heeft deze administratie derhalve terecht als uitgangspunt genomen voor het onderzoek en heeft in het rapport dan ook uitdrukkelijk aangegeven dat het onderzoek beperkt was tot de administratie en onderkend dat niet uit de administratie blijkende feiten en omstandigheden ook relevant kunnen zijn voor de oordeelsvorming.

Voor zover in beroep aan de orde, is -uitsluitend- in geschil de post onderhanden werk in het kader van de analyse van het werkkapitaal van G per 30 juni 1995. Klagers hebben in hun klacht (samengevat) gesteld dat appellant ten onrechte niet heeft onderzocht of, en zo ja tot welk bedrag G medio 1995 gelden aan derden in rekening kon brengen, in welk verband klagers een bedrag noemen van NLG 2,2 miljoen.

Het College stelt, evenals de raad van tucht, vast dat appellant in zijn rapport een te beperkte definitie hanteert van het begrip werkkapitaal door de post nog te factureren opbrengsten niet te noemen. Niettemin biedt het rapport geen grond voor het oordeel dat appellant deze post niet in zijn analyse van het werkkapitaal van G heeft betrokken. In het rapport heeft appellant immers aangegeven dat in de berekening van het werkkapitaal per 30 juni 1995 rekening is gehouden met de omstandigheid dat de negatieve stand van het onderhanden werk als gevolg van vooruitgefactureerde termijnen in beginsel resulteert in de verplichting ter zake op korte termijn prestaties te leveren en dus kosten te maken. In zijn verweerschrift bij de raad van tucht heeft appellant zulks nader toegelicht, welke toelichting door klagers niet, althans niet afdoende, gemotiveerd is betwist.

Verder stelt het College vast dat klagers geen stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat G medio 1995 een bedrag van NLG 2,2 miljoen aan derden in rekening kon brengen. Dit had wel op de weg van klagers gelegen, aangezien het aan hen was de aan hun klacht ten grondslag gelegde stellingen aannemelijk te maken. Het College is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat G medio 1995 NLG 2,2 miljoen aan derden in rekening kon brengen.

Het voorgaande brengt met zich dat het horen van klagers dan wel hun externe accountant appellant niet tot een andere vaststelling van de post onderhanden werk zou hebben geleid. Aldus is niet gebleken van grond voor het oordeel dat het afzien ervan afbreuk heeft gedaan aan de deugdelijkheid van het rapport van appellant.

Het tweede en het derde middel treffen derhalve doel.

5.2 Vervolgens is de door het eerste middel opgeworpen vraag aan de orde of appellant de curator toestemming mocht verlenen het rapport te gebruiken in de civiele procedure tegen klagers als voormalige bestuurders van G. Zoals het College heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2002, 00/922; LJN-nummer AE1013) dient een rapport dat in een gerechtelijke procedure wordt gebruikt aan hoge eisen van zorgvuldigheid te voldoen, in welk verband evenvermeld artikel 11, eerste lid, GBR-1994 van belang is.

Het College stelt vast dat appellant, zoals hiervoor overwogen, in (zowel de inleiding als de samenvatting van) het rapport uitdrukkelijk heeft gewezen op de beperkte reikwijdte van het onderzoek en dat op basis van de bestudeerde bescheiden expliciet noch impliciet enige uitspraak wordt gedaan over de uitoefening van taken door de voormalige directie van G in relatie tot de financiële positie van G. Appellant heeft in het rapport uiteengezet wat de grondslag is geweest voor het onderzoek. Hij heeft daarbij duidelijk aangegeven welke informatie hij daarvoor wel en niet heeft gebruikt, alsook dat hierop geen accountantscontrole is toegepast. De toonzetting van het rapport is bovendien zakelijk en genuanceerd. Dit in aanmerking genomen is het College van oordeel dat de actoren in de civiele procedure in staat moeten worden geacht het rapport op juiste waarde te schatten. Daarbij komt dat, zoals appellant terecht heeft opgemerkt, de civiele procedure met waarborgen is omkleed in die zin dat partijen over en weer de gelegenheid hebben verweer te voeren tegen de door de andere partij in het geding gebrachte rapporten en dat de rechter zonodig een deskundigenbericht kan gelasten.

Onder deze omstandigheden mocht appellant de curator toestemming verlenen het rapport te gebruiken in de civiele procedure tegen klagers, als voormalige bestuurders van G.

Derhalve treft ook het eerste middel doel.

5.3 Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven. De klachten, voor zover in beroep aan de orde, dienen ongegrond te worden verklaard. Gelet hierop behoeft het vierde middel van beroep - dat is gericht tegen de motivering van de opgelegde maatregel - geen bespreking.

5.4 De hierna te vermelden beslissing berust op titel IV van de Wet op de Registeraccountants en artikel 11 GBR-1994.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing van de raad van tucht;

- verklaart de klachten, voor zover in beroep aan de orde, alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Venekamp

Zaak R 364

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van:

1. C,

wonende te D,

2. E,

wonende te F,

KLAGERS,

t e g e n

A RA,

registeraccountant, werkzaam te B,

BETROKKENE.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

a) het klaagschrift van 11 juni 2002, met bijlagen, namens klagers ingediend door hun raadsman;

b) het verweerschrift van 30 september 2002, met bijlagen;

c) de brief van 19 december 2002 van de raadsman van klagers aan de Raad;

d) de brief van de raadsman van betrokkene aan de Raad van 20 december 2002;

e) de brief van de Secretaris van de Raad aan de raadsman van klagers van 23 december 2002;

f) de fax gedateerd 19 december 2002 en verzonden op 24 december 2002 van de raadsman van klagers aan de Raad;

g) de brief van de Secretaris van de Raad aan de raadsman van klagers van 24 december 2002;

h) de ter na te melden zitting overgelegde pleitnotities van de raadsman van klagers;

i) de ter na te melden zitting overgelegde pleitnotities van de raadsman van betrokkene;

j) de drie ter na te melden zitting namens klagers overgelegde producties, te weten een advies van 16 september 1999 van mr H. Beckman, een ‘overzicht financiële informatie onderhanden werken G medio 1995’ en een ‘voorbeeld waardering onderhanden werken op basis van het overzicht financiering werken per 30 juni 1995’;

k) de bij brief van de Secretaris van 3 februari 2003 aan de Raad toegezonden brief van de raadsman van betrokkene van 31 januari 2003.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 6 januari 2003. Ter zitting zijn verschenen klagers in persoon, bijgestaan door mr dr L.L.M. Prinsen, advocaat te Eindhoven en diens kantoorgenoot mr R. van Nijnatten en betrokkene in persoon, bijgestaan door mr H.J. Blaisse, advocaat te Amsterdam en H en I van J. Van de zitting is een verslag opgemaakt.

3. De feiten

3.1 Klagers waren in de jaren 1994 en 1995 bestuurders van G te Amsterdam. G is op 12 september 1995 failliet verklaard, met benoeming van mr L.J. van Eeghen tot curator (hierna: de curator).

3.2 De curator heeft een procedure aanhangig gemaakt tegen klagers, waarin hij hen aansprakelijk stelt voor het tekort in het faillissement.

3.3 De curator heeft een accountant onderzoek laten doen naar de financiële situatie van G. Die accountant heeft op 27 maart 1998 aan de curator gerapporteerd. De externe accountant van G heeft naar aanleiding van dat rapport een tuchtklacht ingediend tegen de accountant. De Raad van Tucht heeft bij beslissing van 5 april 2001 onder meer geoordeeld dat de accountant ten onrechte geen overleg had gevoerd met de externe accountant van G alvorens hij zijn rapport aan de curator uitbracht.

3.4 Betrokkene heeft op 25 januari 2001 van de advocaat van de curator opdracht gekregen om in het kader van een civiele procedure tegen de voormalige bestuurders van G in verband met het faillissement van deze vennootschap zich als accountant nog eens te buigen over de cijfers teneinde te komen tot een analyse met betrekking tot de financiële situatie, en met name (de ontwikkeling van) het werkkapitaal van G rond medio 1995. Betrokkene heeft op 6 februari 2001 zijn rapport uitgebracht. De advocaat van de curator heeft zich in het kader van de onder 3.2 bedoelde procedure tegen klagers beroepen op de inhoud van dit rapport.

4. De klacht

Samengevat weergegeven verwijten klagers betrokkene dat hij een rapport heeft vervaardigd dat berust op een ondeugdelijke grondslag en aantoonbaar onjuist is en dat hij bij de totstandkoming van het rapport geen overleg heeft gevoerd met klagers of met anderen die de juiste informatie hadden kunnen verschaffen. Gelet op de kwaliteit van het rapport had betrokkene zeker geen toestemming mogen geven aan de curator om dit rapport te gebruiken in de procedure tegen klagers.

5. De beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van de klacht stelt de Raad voorop dat betrokkene de opdracht, zoals hij deze tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht: het verlenen van administratieve bijstand aan de curator en die niet meer behelsde dan dat betrokkene ten behoeve van de curator op basis van de bij de curator aanwezige administratie een aantal feitelijke gegevens op een rij zou zetten, in redelijkheid kon aanvaarden. Wel merkt de Raad op dat de opdrachtomschrijving zoals hierboven aangegeven onder 3.4 evenals de gebezigde termen als “beoordelen” en “bevindingen”, onder meer in hoofdstuk 5. Samenvatting van het rapport van 6 februari 2001 in ieder geval de suggestie wekken dat er hier sprake is van een verdergaande opdracht dan een opdracht tot het verlenen van administratieve bijstand. Daarom is de Raad van oordeel dat het rapport qua inhoud en strekking verder gaat dan “het op een rij zetten van cijfers”.

5.2 De curator heeft betrokkene geen beperkingen opgelegd met betrekking tot de vraag of hij in het kader van zijn onderzoek inlichtingen zou inwinnen bij derden, zoals bijvoorbeeld klagers of de externe accountant van G. Betrokkene heeft ervan afgezien inlichtingen in te winnen of anderszins derden bij zijn onderzoek te betrekken, omdat hij dit voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk achtte. Betrokkene heeft dit in zijn rapport ook duidelijk aangegeven en hij heeft daarbij vermeld dat zijn rapport hierdoor een beperkte strekking had.

5.3 Betrokkene heeft in zijn rapport voorts aangegeven dat het alleen met zijn toestemming mocht worden gebruikt. Hij heeft de advocaat van de curator toestemming gegeven het rapport in de aanhangige procedure tegen klagers te gebruiken onder de voorwaarde dat het integraal zou worden ingebracht. Gelet op de opdrachtformulering (zie hierboven onder 3.4) lag dit naar het oordeel van de Raad ook alleszins in de lijn der verwachtingen.

5.4 Klagers hebben ter zitting meegedeeld dat zij er vooral grote moeite mee hebben dat het rapport in de procedure tegen hen wordt gebruikt. Dat klemt vooral omdat het rapport volgens klagers op punten inhoudelijk onjuist is. Volgens klagers had betrokkene moeten ingrijpen bij het gebruik van het rapport door de curator.

5.5 Afgezien van inhoudelijke bezwaren overweegt de Raad dat het in dit verband van belang is dat in het maatschappelijk verkeer in de regel een grote waarde wordt toegekend aan oordelen die afkomstig zijn van registeraccountants. Dit brengt mee dat een rapport van een registeraccountant bij een niet-beroepsgenoot licht méér verwachtingen kan wekken dan op grond van de verstrekte opdracht en de verrichte werkzaamheden gerechtvaardigd is, zelfs wanneer in dat rapport de daaraan inherente beperkingen zijn aangegeven.Vanzelfsprekend speelt dit ook in civiele procedures. Met deze omstandigheden dient een registeraccountant -en diende in het onderhavige geval dus ook betrokkene- rekening te houden. De registeraccountant dient zich hiervan niet alleen rekenschap te geven bij het opstellen en uitbrengen van het rapport maar ook en wellicht nog meer op het moment dat hij zijn opdrachtgever toestemming verleent het rapport in een civiele procedure te gebruiken.

5.6 Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene er onvoldoende blijk van gegeven de hiervoor bedoelde omstandigheden naar behoren te hebben gewogen bij zijn beslissing de curator toestemming te verlenen tot het gebruik van zijn rapport.

5.7 Het voorgaande klemt temeer nu betrokkene in zijn rapport een, naar het oordeel van de Raad, te beperkte definitie hanteert van het begrip werkkapitaal. Tot het werkkapitaal van een onderneming behoort immers ook het totaal aan bedragen dat die onderneming op korte termijn aan derden kan factureren. Betrokkene heeft ten onrechte niet onderzocht of, en zo ja tot welk bedrag, G medio 1995 gelden aan derden in rekening kon brengen. Betrokkene had op dat punt onderzoek moeten doen en hij had in dat verband ten minste inlichtingen moeten inwinnen bij klagers en eventueel de externe accountant van G. Immers klagers hebben zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat G medio 1995 op korte termijn nog grote bedragen aan derden kon factureren. Naar aanleiding van die inlichtingen zou betrokkene zijn oordeel over de stand van het werkkapitaal medio 1995 wellicht hebben bijgesteld. Bovendien diende betrokkene dit te doen naar de situatie van dat moment, uitgaande van de veronderstelling van continuïteit. Dat achteraf is gebleken -zoals ter zitting is meegedeeld- dat er na het faillissement feitelijk niets meer aan derden is gefactureerd heeft ongetwijfeld te maken met de omstandigheid dat op 12 september 1995 de onderneming failliet is verklaard waardoor er een geheel andere situatie ontstond.

5.8 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat betrokkene:

1. bij het opstellen van rapport niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht die gelet op het door de opdrachtgever beoogde doel van de opdracht (het inbrengen van dit rapport in een civiele procedure) geboden was;

2. te lichtvaardig toestemming heeft gegeven voor het gebruik van zijn -inhoudelijk op onvoldoende deugdelijke grondslag gebaseerde- rapport.

De klacht is in zoverre dan ook gegrond. Hetgeen klagers overigens aan hun klacht ten grondslag hebben gelegd, hebben zij tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene niet aannemelijk gemaakt.

In acht nemend dat eerder een vergelijkbare klacht tegen betrokkene op vergelijkbare gronden (deels) gegrond is verklaard, acht de Raad oplegging van de na te melden maatregel passend en geboden.

6. De beslissing

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam:

- verklaart de klacht gegrond als hiervoor overwogen;

- legt betrokkene de maatregel op van schriftelijke berisping.

Deze beslissing is gegeven door mr J.P.A. Boersma, voorzitter, H.G. Dix RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in tegenwoordigheid van mr W.M. de Vries, adjunct-secretaris en uitgesproken in het openbaar op _______________ 2003.