Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO9537

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-05-2004
Datum publicatie
17-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1055
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2004-05-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/1055 11 mei 2004

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 30 juni 2003.

1. De procedure

Bij brief van 27 november 2002 heeft appellant bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen C RA, kantoorhoudende te D (hierna: betrokkene).

Bij beslissing van 30 juni 2003 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 25 augustus 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht.

De raad van tucht heeft bij brief van 4 september 2003 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 8 oktober 2003 heeft betrokkene gereageerd op het beroepschrift.

Op 13 april 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Aldaar zijn verschenen appellant en betrokkene, bijgestaan door diens gemachtigde, mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn gesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht van appellant ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling daarvan en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

4. De beoordeling van het beroep

4.1 In dit geding staat centraal de hierna weergegeven passage die is opgenomen in het door betrokkene opgestelde Accountantsverslag 2001 aan de raad van commissarissen en de concerndirectie van de woningcorporatie E (hierna: verslag):

"Met betrekking tot F wordt opgemerkt (…) dat er transacties zijn geëffectueerd (schrijven van put-opties) waarvan kan worden afgevraagd of deze binnen het vigerende beleggingsbeleid passen".

Deze tekst is opgenomen in paragraaf 4.3 (Beoordeling transacties) van hoofdstuk 4 van het verslag, dat handelt over treasury.

4.2 In zijn eerste grief komt appellant op tegen het oordeel van de raad van tucht dat betrokkene in het kader van zijn controlewerkzaamheden met het opnemen van deze passage heeft gewezen op een onduidelijkheid in het treasury-statuut van F. Volgens appellant heeft betrokkene hier nu juist niet op gewezen en is de opmerking veeleer suggestief, omdat deze ten onrechte een negatief beeld wekt ten aanzien van de door hem verrichte treasury-activiteiten voor F. Betrokkene had appellant hierover moeten horen. Nu betrokkene dit niet heeft gedaan ontbeert het accountantsverslag een deugdelijke grondslag en heeft betrokkene gehandeld in strijd met de norm van artikel 11, eerste lid van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994).

Deze grief van appellant slaagt niet. Het College overweegt daartoe als volgt.

Naar tussen partijen vaststaat, is ingevolge het treasury-statuut van de - voormalige - woningcorporatie F het gedekt schrijven van put-opties toegestaan. In verband hiermede acht het College het verklaarbaar en alleszins aanvaardbaar dat betrokkene de behoefte heeft gevoeld bij het schrijven van ongedekte put-opties stil te staan. Omdat het treasury-statuut - door het stellen van de eis dat opties gedekt moesten zijn - een in de praktijk niet of nauwelijks na te leven eis stelde, heeft betrokkene naar het oordeel van het College voorts het op goede gronden van belang geacht of wellicht voorzien was in nader vastgelegd beleggingsbeleid, dat wel in het schrijven van ongedekte put-opties voorzag. De gewraakte passage in het accountantsverslag werpt deze vraag naar het bestaan van dergelijk beleid derhalve gerechtvaardigd - en in niet ontoelaatbaar te achten bewoordingen - op. Geen grond bestaat voor het oordeel dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door bedoelde kwestie te verwoorden als is geschied, zonder appellant hierover tevoren te benaderen.

Hetgeen betrokkene in de door appellant gewraakte passage heeft gesteld moet tevens worden bezien bij het licht van hetgeen betrokkene in algemene zin heeft opgemerkt aangaande treasury-activiteiten van woningcorporaties in het begin van voormeld hoofdstuk 4 van het verslag. In dat verband heeft betrokkene gewezen op de beheersproblematiek die bij onderzoek naar dergelijke activiteiten door het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting naar voren is gekomen.

4.3 Het voorgaande brengt met zich dat appellant ten onrechte aan de inhoud van de gewraakte passage meent te kunnen ontlenen, dat betrokkene ter zake niet deskundig was.

4.4 Appellant voert ten slotte aan dat de raad van tucht ten onrechte heeft overwogen dat het verstrekken van een vervolgopdracht door de raad van commissarissen van E aan betrokkene, klager noch betrokkene regardeert.

Het College overweegt dienaangaande dat betrokkene tot het opnemen van de gewraakte passage in het verslag heeft kunnen komen. Dat de raad van commissarissen op basis hiervan heeft besloten tot het laten verrichten van nader onderzoek door betrokkene naar de treasury van F, is een beslissing die inderdaad de tuchtrechtelijke beoordeling die hier aan de orde is, te buiten gaat. In ieder geval kan niet met vrucht worden volgehouden dat betrokkene op ontoelaatbare wijze de raad van commissarissen zou hebben aangezet tot een op voorhand zinloos onderzoek, dan wel tuchtrechtelijke verwijtbaar zou hebben gehandeld door een hierop gerichte opdracht te aanvaarden.

4.5 Uit het vorenstaande volgt dat alle grieven falen en dat het beroep moet worden verworpen.

De hierna te vermelden beslissing berust op titel IV van de Wet op de Registeraccountants en artikel 11 GBR-1994.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. H.C. Cusell en mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2004.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp

Zaak R 392

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van:

A,

wonende te B,

K L A G E R,

tegen

C RA,

registeraccountant, werkzaam te D,

B E T R O K K E N E.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

- het klaagschrift van 27 november 2002;

- het verweerschrift van 27 februari 2003, met bijlagen;

- de brief van de raadsman van betrokkenen van 19 maart 2003, met bijlagen;

- de ter na te melden zitting overgelegde aantekeningen van klager;

- de ter na te melden zitting overgelegde pleitaantekeningen van de raadsman van betrokkene.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 24 maart 2003. Aldaar zijn verschenen klager en betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam en E RA, werkzaam bij F. Van de behandeling is een zittingsverslag opgemaakt.

3. De klacht

De klacht houdt in dat betrokkene in strijd heeft gehandeld met artikel 11 GBR. Het door betrokkene opgemaakte accountantsverslag berust volgens klager niet op een deugdelijke grondslag, omdat betrokkene onvoldoende deskundig is op het gebied van treasury, en wekt ten onrechte een negatief beeld van de door klager verrichte treasury-activiteiten. Door dit negatieve beeld is nodeloos een aanvullend onderzoek opgedragen en heeft klagers werkgever uiteindelijk het vertrouwen in hem opgezegd.

4. De vaststaande feiten

4.1 Klager is als financieel manager werkzaam bij woningcorporatie G te H. G is per 3 juli 2001 voortgekomen uit een fusie van verschillende woningcorporaties, waaronder I, waar klager vóór de fusie werkzaam was. Klager hield zich onder meer bezig met treasury-activiteiten.

4.2 F, aan welk kantoor betrokkene is verbonden, is met ingang van het boekjaar 2001 belast met de controle van de jaarrekening van G. Betrokkene heeft de jaarrekening 2001 gecontroleerd. Hoofdstuk 4 van zijn accountantsverslag, dat op 10 april 2002 is uitgebracht, is gewijd aan Treasury. In paragraaf 4.3 van dat hoofdstuk is vermeld: “Met betrekking tot I wordt opgemerkt dat de administratieve organisatie informeel van opzet was (met name voor wat betreft functiescheiding) en dat er transacties zijn geëffectueerd (schrijven van put-opties) waarvan kan worden afgevraagd of deze binnen het vigerende beleggingsbeleid passen”.

4.3 Naar aanleiding van het accountantsverslag is door de raad van commissarissen en de concerndirectie van G op 8 mei 2002 opdracht gegeven aan F, te onderzoeken of en in hoeverre de transacties bij I in het eerste halfjaar 2001 in overeenstemming waren met het vigerende treasurystatuut. Het rapport van dat onderzoek is op 22 mei 2002 uitgebracht. In dat rapport is onder meer vermeld: “De transacties afgesloten in deze periode zijn in overeenstemming met het vigerende treasury-statuut d.d. 24 januari 1999” en voorts “In tegenstelling tot de formulering in het treasury statuut is het overigens (technisch) niet mogelijk gedekte put opties te schrijven. De (ongedekt) geschreven put-opties werden wel afgesloten”.

4.4 Tussen klager en G speelt een arbeidsconflict.

5. De gronden van de beslissing

5.1 In het kader van zijn controlewerkzaamheden heeft betrokkene gewezen op een onduidelijkheid in het treasury-statuut van I. Niet valt in te zien dat betrokkene daarvan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het behoort immers tot de taken van de controlerend accountant zijn opdrachtgever te wijzen op alle zaken waarop hij tijdens zijn controle stuit waarvan hij denkt dat ze voor de opdrachtgever van belang kunnen zijn. Betrokkene heeft dit bovendien in neutrale termen gedaan en op geen enkele wijze klager –of wie dan ook- van laakbaar handelen beschuldigd.

5.2 Dat de raad van commissarissen van G vervolgens een opdracht heeft verstrekt tot nader onderzoek naar de treasury-activiteiten is een beslissing die aan de raad van commissarissen was en die betrokkene –of klager- niet regardeerde.

5.3 Voor zover de klacht inhoudt dat betrokkene treasury-deskundigheid ontbeert, faalt hij. Betrokkene heeft zich bij zijn controlewerkzaamheden laten bijstaan door een kantoorgenoot die die deskundigheid, naar klager erkent, in ruime mate bezit. Daarmee heeft betrokkene in een mogelijke lacune in zijn eigen deskundigheid op correcte wijze voorzien. Van overtreding van het in artikel 11 GBR vervatte deskundigheidsvereiste is dan ook geen sprake.

5.4 De slotsom uit het hiervoor overwogene is dat de klacht ongegrond is.

6. De beslissing

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam:

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, J.W. Schallenberg RA en G. van Essen RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. de Vries, adjunct-secretaris, en in het openbaar uitgesproken op _________________________.