Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO8264

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
AWB 02/998
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 30 mei 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten, gericht tegen verweerders besluit tot weigering om aan hen met toepassing van artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij extra varkensrechten toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/998 1 april 2004

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: B. Raven, werkzaam bij Bureau Heffingen.

1. De procedure

Op 30 mei 2002 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten, gericht tegen verweerders besluit tot weigering om aan hen met toepassing van artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij extra varkensrechten toe te kennen.

Op 8 juli 2002 hebben appellanten de gronden van het beroep aangevuld.

Het College heeft van verweerder op 6 september 2002 een verweerschrift ontvangen en op 11 september 2002 nadere stukken.

Bij brief van 26 mei 2003, ingekomen op 27 mei 2003, hebben appellanten desgevraagd meegedeeld dat zij hun beroepen na de uitspraak van het College van 8 april 2003 (AWB 02/913 e.a.) onverkort voortzetten.

Bij brief van 13 november 2003 hebben appellanten aan het College en verweerder meegedeeld dat zij voornemens zijn ter zitting een aantal met name opgegeven getuigen te horen.

Op 14 november 2003 heeft het College van appellanten nadere stukken ontvangen.

Het College heeft de zaak ter behandeling gevoegd met 62 vergelijkbare zaken van andere appellanten met dezelfde gemachtigde en op 27 november 2003 ter zitting behandeld, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Voorts zijn ter zitting op verzoek van appellanten als (partij-)getuigen gehoord A, D en E.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Regelgeving

Ingevolge artikel 25 van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) kunnen bij algemene maatregel van bestuur, voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Bij deze regels kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

Artikel 34 Whv bepaalt dat een belanghebbende bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep kan instellen tegen een op grond van deze wet genomen besluit.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, Bhv wordt, voorzover hier van belang, met betrekking tot een daartoe aangemeld bedrijf met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 Whv de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit besluit, onder de in dit besluit geregelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 9 Bhv maakt deel uit van hoofdstuk 2, paragraaf 3, Bhv, welke paragraaf als opschrift heeft "Investeringen ten behoeve van uitbreiding binnen niet-benutte mestproductierechten". In dit artikel, zoals luidend na de op 1 juli 2000 in werking getreden wijziging met terugwerkende kracht tot 1 september 1998 (Staatsblad 2000, 233), is onder meer het volgende bepaald:

"1. Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens:

a. door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend,

b. een aanvraag is ingediend om een milieuvergunning, die naar aanleiding van de aanvraag uiterlijk op 1 januari 2001 is verleend, dan wel

c. bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer dan wel overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer een of meer meldingen zijn gedaan. Een overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane melding wordt slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking heeft op een verandering van de inrichting die overeenkomstig de op het tijdstip van de melding voor de inrichting geldende milieuvergunning kon leiden tot een uitbreiding van het aantal varkens.

2. Een bedrijf komt uitsluitend voor de toepassing van deze paragraaf in aanmerking indien ten aanzien van het bedrijf is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is per saldo niet verkleind ten gevolge van de registratie van kennisgevingen van verplaatsingen met betrekking tot dat recht die zijn gedaan in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 of, ingeval het bedrijf na 1 januari 1996 door samenvoeging is ontstaan of een of meerdere malen is overgedragen, in de periode gelegen tussen die samenvoeging of de laatste van die overdrachten en 10 juli 1997;

b. uiterlijk op 1 januari 2003 is binnen de inrichting extra huisvesting gebouwd voor ten minste 75% van het aantal varkens waarvoor extra huisvesting diende te worden gebouwd om alle varkens die mogen worden gehouden ingevolge de verleende milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onderscheidenlijk ingevolge de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van dat lid dan wel het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, te kunnen huisvesten overeenkomstig de verleende milieuvergunning, onderscheidenlijk overeenkomstig de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde milieuvergunning in samenhang met de overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane meldingen, dan wel overeenkomstig het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer in samenhang met de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde meldingen;

c. uiterlijk op 1 januari 2003 is op het bedrijf huisvesting voor varkens aanwezig voor tenminste het aantal varkens dat overeenkomt met 85% van het op grond van deze paragraaf vergrote varkensrecht;

d. bij de melding, bedoeld in artikel 2, wordt een afschrift van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en, in voorkomend geval, de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, waarop door het bevoegd gezag de datum van ontvangst is aangetekend, overgelegd. Bij gebreke van een dergelijke aantekening wordt tevens een door het bevoegd gezag afgegeven bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld, overgelegd;

e. binnen zes weken na de verlening van de milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel, indien die verlening vóór de inwerkingtreding van dit besluit heeft plaatsgevonden, binnen zes weken na die inwerkingtreding, wordt een afschrift van de milieuvergunning overgelegd aan het Bureau Heffingen. Op verzoek van het Bureau Heffingen wordt binnen de daarbij aangegeven termijn de milieuvergunning aan dat bureau overgelegd.

(…)

6. Deze paragraaf blijft buiten toepassing indien de vergroting minder dan 10% van het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht zou zijn."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief gedateerd 24 juli 1996 heeft F, destijds werkzaam bij G (hierna: F), appellanten naar aanleiding van een gesprek van 9 juli 1996 nader geïnformeerd omtrent voor hen bestaande mogelijkheden grondgebonden mestproducties te benutten.

- Bij besluit van 2 augustus 1996 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente H aan D een nieuwe, de gehele inrichting aan de I-straat te H omvattende milieuvergunning verleend voor een varkensfokkerij en -mesterij. De aanvraag daartoe was op 12 juli 1995 bij burgemeester en wethouders van de gemeente H ingekomen.

- In antwoord op een brief van 23 december 1996 heeft Bureau Heffingen bij brief van 14 februari 1997 aan F het volgende bericht:

"Uw cliënten, maatschap A en B en J zijn voornemens een bedrijf te starten aan de I-straat te H. De schuur op voornoemd adres wordt daartoe verpacht aan maatschap A en B. Maatschap A en B wil aldaar dierlijke mest gaan produceren op basis van de, met de 125 ha landbouwgrond - dewelke de maatschap thans als akkerbouwbedrijf exploiteert - corresponderende grondgebonden rechten. Dit is slechts mogelijk indien de landbouwgrond wordt ingebracht krachtens een geldige titel (juridisch eigendom, door de grondkamer goedgekeurde (…) pacht of een zakelijk gebruiksrecht) in het nieuwe bedrijf en daarbij feitelijk in gebruik is.

In uw schrijven geeft u aan dat maatschap A en B de varkens gaat betrekken op basis van een overeenkomst tot opfok en verzorging van varkens. Hierbij worden de varkens door bemiddeling van de verpachter van de stal, J, aangeleverd. Daarbij vermeldt u dat de arbeid in de gepachte stal wordt verricht door een ingehuurde werknemer. Voorwaarde hierbij is dat maatschap A en B als houder van de dieren moet kunnen worden aangemerkt (…)

Ten aanzien van uw vraag hoe in de toekomst een en ander wordt geregeld kan ik - gezien het stadium waarin het door u aangehaalde wetsvoorstel zich bevindt - geen uitspraken doen."

- Bij pachtovereenkomst, gedateerd 10 juli 1997, zijn appellanten als pachter met ingang van 26 april 1997 voor de duur van 6 jaar een pachtovereenkomst aangegaan met J te H, vertegenwoordigd door voornoemde D. Deze pachtovereenkomst heeft betrekking op de vleesvarkensstal aan de I-straat te H. Nadat appellanten en de verpachter hadden ingestemd met een wijziging in de pachtduur in 12 jaren, heeft de grondkamer de aldus gewijzigde pachtovereenkomst op 14 november 1997 goedgekeurd.

- Op 13 oktober 1998 heeft Bureau Heffingen van appellanten een formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen" ontvangen, waarin zij hebben aangekruist in aanmerking te willen komen voor hardheidscategorie 3.

- Met ingang van 1 oktober 1999 is de pachtovereenkomst met betrekking tot de varkensstal I-straat te H gewijzigd in die zin dat appellanten hun rechten als afgaand pachter uit die overeenkomst hebben overgedragen aan de opkomend pachter K te L, vertegenwoordigd door E. Deze wijziging is op 17 maart 2000 goedgekeurd door de grondkamer.

- In een brief gedagtekend 1 oktober 1999, op 6 oktober 1999 ontvangen door Bureau Heffingen, hebben appellanten desgevraagd nadere informatie verschaft. In deze brief verzoeken zij de locatie I-straat aan hun mestnummer toe te voegen en stellen zij dat deze locatie sinds april 1998 tot hun bedrijf behoort.

- Bij op 18 oktober 2000 bij Bureau Heffingen ingekomen "verklaring voorwaardelijke rechten" hebben appellanten aangegeven dat zij naar hun opvatting sedert 26 april 1997 voldoen aan de voorwaarden van het gewijzigde Bhv.

- Bij besluit van 5 oktober 2001 heeft Bureau Heffingen appellanten bericht dat zij niet in aanmerking komen voor hardheidscategorie 3. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 9 november 2001 bezwaar gemaakt.

- Op 12 maart 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen de weigering aan hen (voorwaardelijke) varkensrechten toe te kennen afgewezen op de grond dat appellanten niet voor 10 juli 1997 (de datum waarop de herstructurering van de varkenshouderij in een brief aan de Tweede Kamer is aangekondigd) door eigendom, een door de grondkamer goedgekeurde reguliere pachtovereenkomst of een zakelijk gebruiksrecht konden beschikken over de inrichting waarvoor een milieuvergunning als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Bhv is aangevraagd. Derhalve is naar de opvatting van verweerder in deze zaak geen sprake van "het desbetreffende bedrijf" als bedoeld in dit artikellid. Hieraan heeft verweerder toegevoegd dat uit de gedingstukken en de hoorzitting in bezwaar niet - op voorhand - is gebleken dat appellanten daadwerkelijk varkens houden op hun bedrijf en/of als houders van varkens kunnen worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 8 april 2003 in de zaken M (AWB 02/913 e.a, www.rechtspraak.nl, LJN nummer AF7722) geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep van appellanten en tevens gepleit voor het in stand laten van de rechtsgevolgen.

Met betrekking tot de conclusie tot gegrondverklaring van het beroep van appellanten heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat de bij het bestreden besluit gestelde eis dat appellanten voor 10 juli 1997 dienden te beschikken over enige titel met betrekking tot de door hen gepachte stal niet berust op een wettelijke grondslag, zodat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Namens verweerder is voorts gesteld dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een duidelijke relatie tussen voorheen bij appellanten, die als akkerbouwer beschikken over landbouwgrond, aanwezige niet-benutte grondgebonden mestproductierechten en investeringen in de onderhavige varkensstal op de locatie I-straat te H, zoals die blijken uit de daarop betrekking hebbende milieuvergunning van 2 augustus 1996.

Verweerder stelt zich nader, mede gelet op voormelde uitspraak van het College, op het standpunt dat voor toepasselijkheid van het bij artikel 9 Bhv geregelde hardheidsgeval vereist is dat reeds ten tijde van de aanvraag van de milieuvergunning op 12 juli 1995 sprake was van een duidelijke relatie tussen de varkensstal/inrichting en bij appellanten aanwezige grondgebonden mestproductierechten.

Hiervan is echter, mede gehoord de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen, in de onderhavige gevallen geen sprake. De contacten tussen appellanten en de aanvrager van de milieuvergunning voor de stallen, D, hebben blijkens die verklaringen immers pas na de bedoelde Wm-vergunningaanvraag plaatsgevonden, terwijl die contacten - voorzover uit de getuigenverklaringen valt op te maken - pas in het voorjaar van 1997 tot samenwerkingsafspraken hebben geleid.

Naar de opvatting van verweerder kunnen appellanten derhalve, zij het op een andere dan de bij de bestreden besluiten vermelde grond, niet in aanmerking komen voor toepassing van hardheidsgeval 3, zodat verweerder het College verzoekt de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten.

4. Het standpunt van appellanten

4.1 Evenals verweerder stellen appellanten thans voorop dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, nu dit - mede gelet op de jurisprudentie van het College - niet berust op een deugdelijke motivering. Ook appellanten hebben hierbij verwezen naar de uitspraak van het College van 8 april 2003 in de zaken AWB 02/913 e.a., alsmede naar de uitspraak van het College van 28 augustus 2003 in AWB 02/1665 e.a (www.rechtspraak.nl, LJN-nummer 6086).

Verweerder heeft noch ten aanzien van appellanten, noch in enig ander aan appellanten bekend geval de uit de jurisprudentie voortvloeiende eis gesteld dat sprake moet zijn van een duidelijke relatie tussen bij een Bhv-melder aanwezige, voorheen niet-benutte grondgebonden mestproductierechten en de milieuvergunning voor de inrichting, waarin varkens worden gehouden. Mede om die reden heeft verweerder, in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, nagelaten bij diens besluitvorming ten aanzien van appellanten aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van een zodanige relatie.

Naar de opvatting van appellanten behoort het vorenstaande, evenals het grote aantal ter zitting van 27 november 2003 behandelde zaken, mee te brengen dat het College bij de gegrondverklaring van het beroep niet zelf in de zaken voorziet, onderscheidenlijk de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten niet in stand zal laten.

Indien het College verweerder bij de uitspraak opdraagt een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellanten te nemen, zal verweerder aldus in bezwaar alsnog aan de hand van zorgvuldig onderzoek op de specifieke omstandigheden van de onderhavige gevallen kunnen en moeten ingaan.

4.2 Appellanten stellen dat verweerder bij de beoordeling van meldingen ingevolge artikel 9 Bhv steeds de situatie van de melder heeft beoordeeld, zoals deze bestond vóór 10 juli 1997, met dien verstande dat verweerder bekeek of uiterlijk op 9 juli 1997 sprake was van een situatie waarin de melder een rechtsgeldige titel had ten aanzien van de varkensinrichting/-stal.

Deze praktijk van verweerder, althans Bureau Heffingen, behoort naar de opvatting van appellanten gelet op het gelijkheidsbeginsel mee te brengen dat in de onderhavige zaken wordt gekeken of uiterlijk op 9 juli 1997 sprake was van een duidelijke relatie tussen de mestproductierechten van appellanten en de (aanvraag/aanvrager van de) milieuvergunning voor de stal te H en niet, zoals verweerder thans stelt, of zulks reeds ten tijde van de Wm-aanvraag van D het geval was.

In het onderhavige geval is beslist geen sprake van een constructie ter ontduiking van de effecten van de herstructurering van de varkenshouderij, of van anticipatiegedrag. Appellanten wijzen er op dat F reeds in juli 1996 aan hen heeft geadviseerd een samenwerkingsverband met een veehouder aan te gaan. Gelet op de door appellanten in het geding gebrachte pachtcontracten staat voorts vast dat de varkensstal aan de I-straat te H van 26 april 1997 - derhalve voor de cruciale datum waarop de herstructurering van de varkenshouderij werd aangekondigd - tot 1 oktober 1999 deel heeft uitgemaakt van hun bedrijf. Voorts blijkt uit een door appellanten overgelegde concept-pachtovereenkomst, waarin als ingangsdatum 1 januari 1997 is genoemd, dat appellanten reeds voor 26 april 1997 voornemens waren een samenwerkingsverband aan te gaan met J. Dit wordt bevestigd door de correspondentie tussen F en Bureau Heffingen eind 1996/begin 1997.

De pachtovereenkomst is weliswaar eerst op exact 10 juli 1997 ondertekend, maar deze is reeds daags tevoren opgesteld en uitgedraaid. De opdracht tot het opstellen van de pachtovereenkomst is dus voor 10 juli 1997 gegeven. Uitsluitend door de varkenspest in het voorjaar van 1997 hebben appellanten toen niet direct een aanvang kunnen maken met de varkenshouderij.

De werkzaamheden in de varkensstal werden in opdracht en voor rekening van appellanten verricht.

Appellanten concluderen dat in het onderhavige geval voor 10 juli 1997 sprake was van een duidelijke band tussen hen - hun landbouwgrond en de daarop rustende mestproductierechten - en de inrichting, waarvoor op 2 augustus 1996 aan D een Wm-vergunning voor het houden van varkens is verleend. Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij, mede gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van het College, door verweerder ten onrechte niet in aanmerking zijn gebracht voor (extra) varkensrechten ingevolge artikel 9 Bhv, zodat hun beroep gegrond is en verweerder, zonodig na zorgvuldig onderzoek naar de individuele omstandigheden, opnieuw op hun bezwaarschriften zal dienen te beslissen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat, hoewel appellanten zich inmiddels niet meer met de varkenshouderij bezig te houden, zij in verband met een, na de gevraagde vernietiging van het ten aanzien van hen genomen bestreden besluit, mogelijke toekenning van een vergoeding in het kader van de Opkoopregeling varkensrechten, nog belang hebben bij beoordeling van hun beroep.

5.2 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn beslissing dat appellanten niet in aanmerking komen voor toepassing van artikel 9 Bhv heeft gehandhaafd, niet berust op een deugdelijke motivering. In het bestreden besluit heeft verweerder immers, zonder dat de toepasselijke regelgeving daartoe een grondslag biedt, voor zijn besluitvorming doorslaggevend geacht dat appellanten niet voor 10 juli 1997 beschikten over enige titel met betrekking tot de - gedeelten van de - varkensstallen, gelegen aan de I-straat te H.

5.3 Hetgeen partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of (ook) bij een juiste toetsingsmaatstaf voor appellanten geen aanspraak op varkensrechten bestaat (standpunt verweerder) of dat verweerder bij een zorgvuldig onderzoek in het kader van een nieuw te nemen beslissing op bezwaar tot toekenning van varkensrechten aan appellanten dient over te gaan (standpunt appellant). Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Het College heeft in zijn uitspraak van 8 april 2003 in de zaken AWB 02/913 e.a. reeds aan de hand van de geschiedenis van de totstandkoming van de Whv geconstateerd dat de in artikel 9 Bhv geregelde hardheidsgevallen een uitzondering vormen op het aan de Whv ten grondslag liggende uitgangspunt dat in het relevante referentiejaar wel aanwezige, doch niet benutte mestproductierechten niet tot een aanspraak op varkensrechten kunnen leiden. Voorts heeft het College er in die uitspraak op gewezen dat het Bhv zijn grondslag vindt in artikel 25 Whv, dat is bedoeld voor groepen van gevallen, waarbij bepaling van de hoogte van het varkensrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 van de Whv leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Aan het vorenstaande, in verbinding met het opschrift van paragraaf 3 Bhv - Investeringen ten behoeve van uitbreiding binnen niet-benutte mestproductierechten - heeft het College de gevolgtrekking verbonden dat slechts indien sprake is van een duidelijke relatie tussen voorheen niet-benutte mestproductierechten (latente ruimte) en het ter benutting voor de varkenshouderij van die mestproductierechten aanvragen/verkrijgen van een milieuvergunning, ingevolge artikel 9 Bhv een aanspraak op (extra) varkensrechten kan bestaan (onderdeel 5.1 van genoemde uitspraak). Het College heeft in genoemde uitspraak geconcludeerd dat in de daar aan de orde zijnde situatie van een duidelijke relatie als hiervoor bedoeld geen sprake was en, mede gelet op de strekking van artikel 9 Bhv, geen plaats gezien voor het oordeel dat (delen van) de inrichting waarvoor in de periode na 1992 en vóór 10 juli 1997 een milieuvergunning was verleend, voor laatstgenoemde datum reeds zozeer tot de bedrijven van die appellanten behoorde, dat deze niettemin geacht moest worden "het desbetreffende bedrijf" in de zin van artikel 9 Bhv te zijn.

5.4 Het door appellanten gestelde strekt er - mede aan de hand van de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen - in het bijzonder toe aannemelijk te maken dat er weliswaar na de indiening van de aanvraag van de milieuvergunning door D, doch vóór 10 juli 1997 sprake was van bindende afspraken tussen hen en D, waarbij de milieuvergunning van D een prominente rol speelde. Naar hun opvatting is om die reden aan de aan artikel 9 inherente eis dat voor evengenoemde datum sprake moet zijn van een duidelijke relatie tussen die milieuvergunning en de bij hen aanwezige - latente - mestproductierechten, voldaan.

5.5 Anders dan appellanten met hun standpunt kennelijk willen betogen, kan het vorenstaande niet leiden tot de slotsom dat zij recht hebben op toekenning van varkensrechten met toepassing van artikel 9 Bhv, waartoe het College het volgende overweegt.

Gelet op de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen kan naar het oordeel van het College weliswaar worden geconcludeerd dat vóór 10 juli 1997 sprake was van bepaalde afspraken tot samenwerking tussen appellanten en D, maar tevens dat deze afspraken niet hebben geleid tot een situatie dat, mede gelet op de definitie van bedrijf in artikel 1, onder c, Whv (delen van) de inrichting waarvoor de milieuvergunning destijds was aangevraagd reeds vóór genoemde datum tot het bedrijf van appellanten kon(den) worden gerekend.

Naar het oordeel van het College moeten deze afspraken worden aangemerkt als afspraken van een op zich zelf staand bedrijf met een ander op zichzelf staand bedrijf tot een samenwerking die hooguit in de toekomst - in elk geval niet vóór 10 juli 1997 - een samenwerkingsverband zou kunnen inhouden dat als "een bedrijf" in de zin van de Whv en "het desbetreffende bedrijf" in de zin van artikel 9 Bhv kan worden aangemerkt.

5.6 Op de hiervoor in paragraaf 5.5 weergegeven gronden moet worden geoordeeld dat hetgeen appellanten hebben betoogd niet kan leiden tot de door hen beoogde gevolgtrekking.

5.7 Uit het in paragraaf 5.2 van deze uitspraak overwogene volgt dat het beroep van appellanten gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, Awb voor vernietiging in aanmerking komt, doch uit de daarop volgende paragrafen volgt tevens dat appellanten aan artikel 9 Bhv geen aanspraak op (extra) varkensrechten kunnen ontlenen. Het College ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, zoals door verweerder verzocht.

5.8 Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellanten in verband met hun beroep gemaakte proceskosten.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellanten gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door appellanten in verband met de behandeling van hun beroep gemaakte kosten tot een

bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat de Staat aan appellanten vergoedt het door hen betaalde griffierecht ad € 218,- (zegge: tweehonderd en achttien

euro).

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2004.

w.g. B. Verwayen w.g. Th.J. van Gessel