Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO7744

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-04-2004
Datum publicatie
19-04-2004
Zaaknummer
AWB 02/1003
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 30 mei 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante, gericht tegen verweerders besluit tot weigering om aan haar met toepassing van artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij extra varkensrechten toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1003 1 april 2004

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B en C, te D, appellante,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B. Raven, werkzaam bij Bureau Heffingen.

1. De procedure

Op 30 mei 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante, gericht tegen verweerders besluit tot weigering om aan haar met toepassing van artikel 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij extra varkensrechten toe te kennen.

Op 5 juli 2002 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Het College heeft van verweerder op 6 september 2002 een verweerschrift ontvangen en op 11 september 2002 nadere stukken.

Op 3 december 2002 heeft het College van appellante een conclusie van repliek ontvangen.

Bij brief van 18 september 2003, ingekomen op 19 september 2003, heeft appellante desgevraagd meegedeeld dat zij haar beroep na de uitspraak van het College van 8 april 2003 (AWB 02/913 e.a.) onverkort voortzet.

Bij brief van 13 november 2003 heeft appellante aan het College en verweerder meegedeeld dat zij voornemens is ter zitting een aantal met name opgegeven getuigen te horen.

Op 14 november 2003 heeft het College van appellante nadere stukken ontvangen.

Het College heeft de zaak ter behandeling gevoegd met 62 vergelijkbare zaken van appellanten met dezelfde gemachtigde en op 27 november 2003 ter zitting behandeld, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Voorts zijn ter zitting op verzoek van appellante als (partij)getuigen gehoord C, B, E en F.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Regelgeving

Ingevolge artikel 25 van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) kunnen bij algemene maatregel van bestuur, voor bepaalde groepen van gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht of fokzeugenrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Bij deze regels kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

Artikel 34 Whv bepaalt dat een belanghebbende bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroep kan instellen tegen een op grond van deze wet genomen besluit.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, Bhv wordt, voorzover hier van belang, met betrekking tot een daartoe aangemeld bedrijf met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15 Whv de hoogte van het varkensrecht en het fokzeugenrecht bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit besluit, onder de in dit besluit geregelde voorwaarden en beperkingen.

Artikel 9 Bhv maakt deel uit van hoofdstuk 2, paragraaf 3, Bhv, welke paragraaf als opschrift heeft "Investeringen ten behoeve van uitbreiding binnen niet-benutte mestproductierechten". In dit artikel, zoals luidend na de op 1 juli 2000 in werking getreden wijziging met terugwerkende kracht tot 1 september 1998 (Staatsblad 2000, 233), is onder meer het volgende bepaald:

"1. Het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, van een daartoe aangemeld bedrijf wordt overeenkomstig deze paragraaf vergroot, indien met betrekking tot het desbetreffende bedrijf na 1992 en vóór 10 juli 1997 ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden varkens:

a. door het bevoegd gezag een milieuvergunning is verleend,

b. een aanvraag is ingediend om een milieuvergunning, die naar aanleiding van de aanvraag uiterlijk op 1 januari 2001 is verleend, dan wel

c. bij het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer dan wel overeenkomstig artikel 4 van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of artikel 3 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer een of meer meldingen zijn gedaan. Een overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane melding wordt slechts in aanmerking genomen voorzover deze betrekking heeft op een verandering van de inrichting die overeenkomstig de op het tijdstip van de melding voor de inrichting geldende milieuvergunning kon leiden tot een uitbreiding van het aantal varkens.

2. Een bedrijf komt uitsluitend voor de toepassing van deze paragraaf in aanmerking indien ten aanzien van het bedrijf is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is per saldo niet verkleind ten gevolge van de registratie van kennisgevingen van verplaatsingen met betrekking tot dat recht die zijn gedaan in de periode van 1 januari 1996 tot 10 juli 1997 of, ingeval het bedrijf na 1 januari 1996 door samenvoeging is ontstaan of een of meerdere malen is overgedragen, in de periode gelegen tussen die samenvoeging of de laatste van die overdrachten en 10 juli 1997;

b. uiterlijk op 1 januari 2003 is binnen de inrichting extra huisvesting gebouwd voor ten minste 75% van het aantal varkens waarvoor extra huisvesting diende te worden gebouwd om alle varkens die mogen worden gehouden ingevolge de verleende milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onderscheidenlijk ingevolge de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van dat lid dan wel het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer, te kunnen huisvesten overeenkomstig de verleende milieuvergunning, onderscheidenlijk overeenkomstig de in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde milieuvergunning in samenhang met de overeenkomstig artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedane meldingen, dan wel overeenkomstig het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer of het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer in samenhang met de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde meldingen;

c. uiterlijk op 1 januari 2003 is op het bedrijf huisvesting voor varkens aanwezig voor tenminste het aantal varkens dat overeenkomt met 85% van het op grond van deze paragraaf vergrote varkensrecht;

d. bij de melding, bedoeld in artikel 2, wordt een afschrift van de vergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c en, in voorkomend geval, de milieuvergunning, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, waarop door het bevoegd gezag de datum van ontvangst is aangetekend, overgelegd. Bij gebreke van een dergelijke aantekening wordt tevens een door het bevoegd gezag afgegeven bewijs van ontvangst, waarin die datum is vermeld, overgelegd;

e. binnen zes weken na de verlening van de milieuvergunning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dan wel, indien die verlening vóór de inwerkingtreding van dit besluit heeft plaatsgevonden, binnen zes weken na die inwerkingtreding, wordt een afschrift van de milieuvergunning overgelegd aan het Bureau Heffingen. Op verzoek van het Bureau Heffingen wordt binnen de daarbij aangegeven termijn de milieuvergunning aan dat bureau overgelegd.

(…)

6. Deze paragraaf blijft buiten toepassing indien de vergroting minder dan 10% van het overeenkomstig hoofdstuk II, uitgezonderd artikel 14, en artikel 24 van de wet bepaalde varkensrecht zou zijn."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 10 maart 1997 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente D naar aanleiding van een 17 juni 1996 ontvangen aanvraag aan C een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een fokzeugen- en vleesvarkenshouderij en het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting aan de G-weg te D.

- Naar aanleiding van door de vennoten van de maatschap verstrekte gegevens heeft Bureau Heffingen de maatschap A en B en C in verband met de uitvoering van de Meststoffenwet geregistreerd en hiervan op 6 oktober 1998 mededeling aan de vennoten gedaan.

- Op 21 augustus 1998 heeft de grondkamer een op 20 februari 1998 ondertekende pachtovereenkomst goedgekeurd met betrekking tot de varkensstal op de locatie G-weg te D tussen C als verpachter en de vennoten van de maatschap A en B en C gezamenlijk als pachter, welke pachtovereenkomst zou zijn ingegaan met ingang van 1 december 1997. Eveneens op 21 augustus 1998 heeft de grondkamer een met ingang van 1 december 1997 aangegane pachtovereenkomst met betrekking tot een aantal percelen bouw- en grasland te H goedgekeurd, waarbij A en B de verpachter en A en B en C gezamenlijk als pachter zijn vermeld.

- Bij bedrijfssituatie-overzicht van 9 december 1998, gericht aan de maatschap A en B en C, heeft Bureau Heffingen bericht dat voor deze maatschap 172.63 ha grond in reguliere pacht is geregistreerd en dat in verband hiermee in 1999 de grondgebonden mestproductierechten 21.579 bedragen.

- Op 20 augustus 1999 heeft de grondkamer pachtwijzigingsovereenkomsten goedgekeurd, inhoudende dat de ingangsdatum van de hiervoor genoemde pachtovereenkomsten is gewijzigd van 1 december 1997 in 3 maart 1997.

- Op 12 oktober 1998 heeft Bureau Heffingen van appellante - ondertekend door C - een Aanmelding Besluit hardheidsgevallen ontvangen, waarin zij heeft aangekruist in aanmerking te willen komen voor hardheidscategorie 3.

- Op 31 augustus 1999 heeft Bureau Heffingen een formulier ontvangen, waarin is vermeld dat A en B met ingang van 3 maart 1997 171.62.70 ha landbouwgrond hebben overgedragen aan de maatschap C en A en B.

- Bij besluit van 29 december 1999 heeft Bureau Heffingen appellante bericht dat zij niet in aanmerking komt voor hardheidscategorie 3.

- Op 10 augustus 2000 heeft Bureau Heffingen van appellante een aanmelding ontvangen, waarin is verzocht in aanmerking te worden gebracht voor categorie 14a.

- Appellante heeft op onderscheidenlijk 2 juli 2001 en 12 november 2001 bezwaarschriften ingediend.

- Op 19 maart 2002 heeft naar aanleiding van die bezwaarschriften een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij besluit van 3 mei 2002 heeft Bureau Heffingen aan appellante meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor categorie 14a.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de weigering aan haar (voorwaardelijke) varkensrechten toe te kennen afgewezen op de grond dat appellante niet voor 10 juli 1997 (de datum waarop de herstructurering van de varkenshouderij in een brief aan de Tweede Kamer is aangekondigd) door eigendom, een door de grondkamer goedgekeurde reguliere pachtovereenkomst of een zakelijk gebruiksrecht kon beschikken over de inrichting waarvoor een milieuvergunning als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Bhv is aangevraagd. Derhalve is naar de opvatting van verweerder in deze zaak geen sprake van "het desbetreffende bedrijf" als bedoeld in dit artikellid. Hieraan heeft verweerder toegevoegd dat uit de gedingstukken en de hoorzitting in bezwaar niet - op voorhand - is gebleken dat appellante daadwerkelijk varkens houdt op het bedrijf en/of als houder van varkens kan worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 8 april 2003 in de zaken K (AWB 02/913 e.a, www.rechtspraak.nl, LJN nummer AF7722) geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep van appellante en tevens gepleit voor het in stand laten van de rechtsgevolgen.

Met betrekking tot de conclusie tot gegrondverklaring van het beroep van appellante heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat de bij het bestreden besluit gestelde eis dat appellante voor 10 juli 1997 diende te beschikken over enige titel met betrekking tot de door haar gepachte staldelen niet berust op een wettelijke grondslag, zodat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, als vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Namens verweerder is voorts gesteld dat in deze zaak geen sprake is van een duidelijke relatie tussen voorheen bij A en B, die als akkerbouwer beschikt(e) over landbouwgrond, aanwezige niet-benutte grondgebonden mestproductierechten en investeringen in de onderhavige varkensstallen op de locatie G-weg te D, zoals die blijken uit de daarop betrekking hebbende milieuvergunning van 10 maart 1997.

Verweerder stelt zich nader, mede gelet op voormelde uitspraak van het College, op het standpunt dat voor toepasselijkheid van het bij artikel 9 Bhv geregelde hardheidsgeval vereist is dat reeds ten tijde van de aanvraag van de milieuvergunning sprake was van een duidelijke relatie tussen de varkensstal/inrichting en bij appellante aanwezige grondgebonden mestproductierechten.

Hiervan is echter, mede gezien de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen, in de onderhavige gevallen geen sprake. De contacten tussen A en B en de aanvrager van de milieuvergunning voor de stallen, C, hebben blijkens die verklaringen immers pas na de Wm-vergunningaanvraag van C plaatsgevonden, terwijl die contacten - voorzover uit de getuigenverklaringen valt op te maken - pas in maart 1997 tot samenwerking in de vorm van een maatschap zouden hebben geleid.

Naar de opvatting van verweerder kan appellante derhalve, zij het op een andere dan de bij de bestreden besluiten vermelde grond, niet in aanmerking komen voor toepassing van artikel 9 Bhv, zodat verweerder het College verzoekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 Evenals verweerder stelt appellante thans voorop dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, nu dit - mede gelet op de jurisprudentie van het College - niet berust op een deugdelijke motivering. Ook appellante heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van het College van 8 april 2003 in de zaken AWB 02/913 e.a., alsmede naar de uitspraak van het College van 28 augustus 2003 in AWB 02/1665 e.a (www.rechtspraak.nl, LJN-nummer 6086).

Verweerder heeft noch ten aanzien van appellante, noch in enig ander aan appellante bekend geval de uit de jurisprudentie voortvloeiende eis gesteld dat sprake moet zijn van een duidelijke relatie tussen bij een Bhv-melder aanwezige, voorheen niet-benutte grondgebonden mestproductierechten en de milieuvergunning voor de inrichting, waarin varkens worden gehouden. Mede om die reden heeft verweerder, in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, nagelaten bij diens besluitvorming ten aanzien van appellante aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te beoordelen of sprake is van een zodanige relatie.

Naar de opvatting van appellante behoort het vorenstaande, evenals het grote aantal ter zitting van 27 november 2003 behandelde zaken, mee te brengen dat het College bij de gegrondverklaring van het beroep niet zelf in de zaken voorziet, onderscheidenlijk de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand zal laten.

Indien het College verweerder bij de uitspraak opdraagt een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellante te nemen, zal verweerder aldus in bezwaar alsnog aan de hand van zorgvuldig onderzoek op de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval kunnen en moeten ingaan.

4.2 Appellante stelt dat verweerder bij de beoordeling van meldingen ingevolge artikel 9 Bhv steeds de situatie van de melder heeft beoordeeld, zoals deze bestond vóór 10 juli 1997, met dien verstande dat verweerder bekeek of uiterlijk op 9 juli 1997 sprake was van een situatie waarin de melder een rechtsgeldige titel had ten aanzien van de varkensinrichting/-stal.

Deze praktijk van verweerder, althans Bureau Heffingen, behoort naar de opvatting van appellante gelet op het gelijkheidsbeginsel mee te brengen dat in de onderhavige zaak wordt gekeken of uiterlijk op 9 juli 1997 sprake was van een duidelijke relatie tussen de mestproductierechten van A en B en de door C aangevraagde en ontvangen milieuvergunning voor de stal(len) en niet, zoals verweerder thans stelt, of zulks reeds ten tijde van de Wm-aanvraag van C het geval was.

C heeft in de loop van 1996, derhalve ruimschoots voor de aankondiging van de herstructurering van de varkenshouderij, het plan opgevat om tezamen met een of meer derden een varkenshouderij op te starten waarop de varkens gehouden worden op basis van de grondgebonden mestproductierechten van die derden.

A en B is sedert begin jaren '90 doende geweest om zijn bedrijf uit te breiden met de varkenshouderij. Vanwege planologische beperkingen was het echter niet mogelijk om ter plaatse een intensieve veehouderij op te starten.

C heeft op 17 juni 1996 een aanvraag voor een milieuvergunning ingediend ten behoeve van de uitbreiding van het aantal te houden varkens op het bedrijf. C en A en B zijn vervolgens in de winter van 1996/1997 met elkaar in onderhandeling getreden over het aangaan van een samenwerking. A en B zou zijn landbouwgrond inbrengen terwijl C het nieuwe stalcomplex en de dieren zou inbrengen, met als doel te komen tot een gezamenlijke exploitatie van de grondgebonden varkenshouderij.

C heeft bij I een financiering aangevraagd voor het stichten van het nieuwe stallencomplex. In december 1996 heeft I aan hem een offerte uitgebracht, waarbij is aangegeven dat er niet geïnvesteerd hoefde te worden in de aankoop van verplaatsbare mestproductierechten voor varkens/kippen vanwege het feit dat de nieuwe varkenshouderij zou worden opgestart op basis van grondgebonden mestproductierechten. I had reeds toen van C vernomen dat hij druk in onderhandeling was met een derde en dat hij er van overtuigd was dat deze onderhandelingen zouden slagen.

Na het verlenen van de milieuvergunning hebben partijen in maart 1997 definitief met elkaar overeenstemming bereikt over het aangaan van een samenwerkingsverband, maar door drukke werkzaamheden bij J te K heeft het tot september 1997 geduurd totdat de maatschapsakte gereed was en ondertekend kon worden.

C en A en B hebben de onroerende zaken die het bedrijf als bedoeld in artikel 1 Whv vormen, ingebracht op basis van door de grondkamer goedgekeurde pachtcontracten waarvan de ingangsdata liggen voor 10 juli 1997. Tussen partijen vindt een intensieve vorm van samenwerking plaats waarbij sprake is van het zogenaamde kringloopprincipe.

De ter zitting voorgebrachte getuigen hebben bevestigd dat de besprekingen tussen partijen hebben plaatsgevonden in de winter 1996/1997 en dat deze reeds in maart 1997 hebben geleid tot overeenstemming over de wijze van samenwerken.

Appellante concludeert dat voor 10 juli 1997 sprake was van een duidelijke band tussen de landbouwgrond van (haar vennoten) A en B en de daarop rustende mestproductierechten - en de inrichting, waarvoor op 10 maart 1997 aan (haar vennoot) C een Wm-vergunning voor het houden van varkens is verleend. Zij stelt zich op het standpunt dat zij, mede gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van het College, door verweerder ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor (extra) varkensrechten ingevolge artikel 9 Bhv, zodat het beroep gegrond is en verweerder, zonodig na zorgvuldig onderzoek naar de individuele omstandigheden, opnieuw op het bezwaarschrift zal dienen te beslissen. In verband met die individuele omstandigheden wijst appellante er tenslotte op dat in 2000 door de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (AID) een onderzoek ter plaatse is ingesteld en dat dit onderzoek niet heeft geleid tot strafrechtelijke vervolging, zodat moet worden aangenomen dat appellante door de AID als serieuze varkenshouder is aangemerkt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat het bestreden besluit, waarbij verweerder zijn beslissing dat appellante niet in aanmerking komt voor toepassing van artikel 9 Bhv heeft gehandhaafd, niet berust op een deugdelijke motivering. In het bestreden besluit heeft verweerder immers, zonder dat de toepasselijke regelgeving daartoe een grondslag biedt, voor zijn besluitvorming doorslaggevend geacht dat appellante, die de hardheidsmelding heeft gedaan, niet voor 10 juli 1997 beschikte over enige titel met betrekking tot de - gedeelten van de - varkensstallen, gelegen op de locatie G-weg 2 te D.

5.2 Hetgeen partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of (ook) bij een juiste toetsingsmaatstaf voor appellante geen aanspraak op varkensrechten bestaat (standpunt verweerder) of dat verweerder bij een zorgvuldig onderzoek in het kader van nieuw te nemen beslissingen op bezwaar tot toekenning van varkensrechten aan appellante dient over te gaan (standpunt appellante). Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Het College heeft in zijn uitspraak van 8 april 2003 in de zaken AWB 02/913 e.a. reeds aan de hand van de geschiedenis van de totstandkoming van de Whv geconstateerd dat de in artikel 9 Bhv geregelde hardheidsgevallen een uitzondering vormen op het aan de Whv ten grondslag liggende uitgangspunt dat in het relevante referentiejaar wel aanwezige, doch niet benutte mestproductierechten niet tot een aanspraak op varkensrechten kunnen leiden. Voorts heeft het College er in die uitspraak op gewezen dat het Bhv zijn grondslag vindt in artikel 25 Whv, dat is bedoeld voor groepen van gevallen, waarbij bepaling van de hoogte van het varkensrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 van de Whv leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Aan het vorenstaande, in verbinding met het opschrift van paragraaf 3 Bhv - Investeringen ten behoeve van uitbreiding binnen niet-benutte mestproductierechten - heeft het College de gevolgtrekking verbonden dat slechts indien sprake is van een duidelijke relatie tussen voorheen niet-benutte mestproductierechten (latente ruimte) en het ter benutting voor de varkenshouderij van die mestproductierechten aanvragen/verkrijgen van een milieuvergunning, ingevolge artikel 9 Bhv een aanspraak op (extra) varkensrechten kan bestaan (onderdeel 5.1 van genoemde uitspraak). In genoemde uitspraak heeft het College geconcludeerd dat in de daar aan de orde zijnde situatie van een duidelijke relatie als hiervoor bedoeld geen sprake was en heeft het College voorts, mede gelet op de strekking van artikel 9 Bhv, geen plaats gezien voor het oordeel dat (delen van) de inrichting waarvoor in de periode na 1992 en vóór 10 juli 1997 een milieuvergunning was verleend, voor laatstgenoemde datum reeds zozeer tot de bedrijven van die appellanten behoorden, dat deze niettemin geacht moest worden "het desbetreffende bedrijf" in de zin van artikel 9 Bhv te zijn.

5.3 Het door appellante gestelde strekt er - mede aan de hand van de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen - in het bijzonder toe aannemelijk te maken dat er weliswaar na de indiening van de aanvraag om een milieuvergunning door C, doch vóór 10 juli 1997 sprake was van bindende samenwerkingsafspraken tussen haar huidige vennoten C en A en B, waarbij de inmiddels verleende milieuvergunning van C een prominente rol speelde.

5.4 Anders dan appellante met haar standpunt kennelijk wil betogen, kan het vorenstaande niet leiden tot de slotsom dat zij recht heeft op toekenning van varkensrechten met toepassing van artikel 9 Bhv, waartoe het College het volgende overweegt.

Mede gelet op de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen, kan naar het oordeel van het College worden geconcludeerd dat weliswaar vóór 10 juli 1997 sprake was van bepaalde afspraken tot samenwerking tussen A en B en C, maar tevens dat deze afspraken voor genoemde datum niet hebben geleid tot een situatie dat, gezien ook de definitie van bedrijf in artikel 1, onder c, van de Whv, de bedrijven van A en B en C één geheel vormden. Naar het oordeel van het College moeten deze afspraken van maart 1997 worden aangemerkt als afspraken tot samenwerking van twee op zich zelf staande bedrijven tot een samenwerking, die hooguit in de toekomst - in elk geval niet vóór 10 juli 1997- een samenwerkingsverband zou kunnen inhouden dat als "een bedrijf" in de zin van de Whv en "het desbetreffende bedrijf" in de zin van artikel 9 Bhv kan worden aangemerkt. Het College vindt hiervoor bevestiging in de aanvankelijk door de vennoten van appellante gekozen ingangsdatum (1 december 1997) van de door hen gesloten pachtovereenkomsten. Dat de nadien op 20 augustus 1999 goedgekeurde pachtwijzigingsovereenkomsten als ingangsdatum 3 maart 1997 hebben, kan niet gelden als objectief bewijs dat reeds eerder sprake was van een bedrijf als hiervoor bedoeld.

5.5 Op de hiervoor in paragraaf 5.4 genoemde gronden moet worden geoordeeld dat hetgeen appellante heeft betoogd niet kan leiden tot de door haar beoogde gevolgtrekking.

5.6 Uit het in paragraaf 5.1. van deze uitspraak overwogene volgt dat het beroep van appellante gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, Awb voor vernietiging in aanmerking komt, doch uit de daarop volgende paragrafen volgt tevens dat appellante aan artikel 9 Bhv geen aanspraak op (extra) varkensrechten kan ontlenen. Het College ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijft, zoals door verweerder verzocht.

5.7 Het College ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante in verband met haar beroep gemaakte proceskosten.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellante gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door appellante in verband met de behandeling van haar beroep gemaakte kosten tot een

bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te vergoeden door de Staat;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ad € 218,- (tweehonderd en achttien euro).

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr.Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2004.

w.g. B. Verwayen w.g. Th.J. van Gessel