Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO7320

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/579
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/579 11 maart 2004

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1) A, te X,

gemachtigde: mr. E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen, en

2) C, werkzaam te Y,

gemachtigde: mr. F. Waardenburg, advocaat te 's-Gravenhage,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 24 maart 2003.

1. De procedure

Bij brief van 25 september 2001 heeft A, bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen C.

Bij beslissing van 24 maart 2003 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 22 mei 2003 heeft het College van C een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 1 juli 2003 heeft A gereageerd op het beroepschrift van C en het College verzocht het door de raad van tucht ongegrond verklaarde gedeelte van de klacht gegrond te verklaren.

Bij brief van 5 september 2003 is van de zijde van A een nader stuk ingezonden.

Bij brief van 26 september 2003 heeft C gerepliceerd.

Bij brief van 24 oktober 2003 heeft A gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2004. Aldaar waren onder meer aanwezig C en zijn gemachtigde. Zoals aangekondigd bij faxbericht van 26 januari 2004 heeft A zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij tuchtbeslissing van 24 maart 2003 heeft de raad van tucht de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en C de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep van A

3.1 Bij brief van 1 juli 2003 heeft A niet alleen gereageerd op het beroep van C, maar heeft zij het College voorts verzocht het door de raad van tucht ongegrond verklaarde gedeelte van de klacht gegrond te verklaren. Gelet hierop dient de brief van 1 juli 2003 van A naar het oordeel van het College mede te worden aangemerkt als een beroepschrift tegen de beslissing van 24 maart 2003 van de raad van tucht.

3.2 Ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) kan de klager, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, binnen twee maanden na verzending van de beslissing van de raad van tucht beroep instellen bij het College.

Het beroep van A is niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na verzending van de beslissing van de raad van tucht ingesteld. Dit beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

De in rubriek 5 van deze uitspraak te melden beslissing op het beroep van A rust op titel II Wet RA.

4. De beoordeling van het beroep van C

4.1 Het beroep van C is gericht tegen de gedeeltelijke gegrondverklaring van de klacht en het opleggen van de maatregel van schriftelijke waarschuwing.

4.2 Naar het oordeel van het College bieden de beschikbare gegevens geen aanknopingspunt voor het door de raad van tucht gemaakte verwijt dat C zich bij zijn onderzoek en het opstellen van het rapport van 16 mei 2000 "teveel" heeft gebaseerd op het overzicht van 21 september 1999 van F, welk overzicht betrekking heeft op een aantal activiteiten van (onder meer) K en L.

Uit het rapport van 16 mei 2000 blijkt naar het oordeel van het College duidelijk dat C niet alleen gebruik heeft gemaakt van het overzicht van F, maar dat hij ook andere stukken, ingewonnen inlichtingen en de standpunten van de partijen bij het desbetreffende geschil in aanmerking heeft genomen.

In aanvulling hierop overweegt het College dat de beschikbare gegevens geen steun bieden aan het in de bestreden tuchtbeslissing gemaakte verwijt dat C, afgaand op het overzicht van F, heeft aangenomen dat K de bloemenkraam en inventaris van A "daadwerkelijk" aan L heeft overgedragen, terwijl hij nu juist de opdracht had te onderzoeken of deze overdracht al dan niet heeft plaatsgevonden.

In zijn rapport van 16 mei 2000 heeft C uiteengezet op grond van welke feiten en omstandigheden hij, overigens met een aantal voorbehouden, tot het oordeel is gekomen dat evenbedoelde overdracht van K aan L heeft plaatsgevonden. Uit deze uiteenzetting blijkt naar het oordeel van het College dat C zich op grond van eigen onderzoek een zelfstandig oordeel heeft gevormd over de vraag of deze overdracht al dan niet heeft plaatsgevonden. Uit de overige gedingstukken blijkt naar het oordeel van het College evenmin dat C bij zijn oordeelsvorming uitsluitend en zonder meer is afgegaan op (de juistheid van) het overzicht van Jong.

4.3 Het in de bestreden tuchtbeslissing vervatte oordeel dat C serieuzer had moeten ingaan op de bezwaren van A en op een rapport van 2 mei 2000 van G (het zogenoemde "T-rapport"), is gestoeld op de, gelet op het vorenoverwogene, onjuiste opvatting van de raad van tucht dat C, uitsluitend op basis van het overzicht van F, heeft aangenomen dat K de bollenkraam en inventaris van A heeft overgedragen aan L. In dit opzicht is de bestreden tuchtbeslissing derhalve niet deugdelijk gemotiveerd.

Het rapport van 2 mei 2000 vermeldt naar het oordeel van het College geen feiten of omstandigheden die van belang zijn bij het beantwoorden van de vraag of meerbedoelde overdracht al dan niet heeft plaatsgevonden. In dit rapport is slechts, zonder nadere toelichting, vermeld dat J heeft medegedeeld dat "(…) alle niet doorgehaalde inventaris en vervoermiddelen de eigendom van de firma niet [hebben] verlaten". Van feiten of omstandigheden waaruit zou blijken dat de overdracht van de bollenkraam en inventaris niet heeft plaatsgevonden, is in het rapport van 2 mei 2000 derhalve geen sprake.

4.4 Uit de bestreden tuchtbeslissing blijkt niet waarop de raad van tucht het verwijt baseert dat niet is gebleken dat C daadwerkelijk sturing aan het onderzoek heeft gegeven. De enkele omstandigheid dat C volgens de notulen van de zitting van de raad van tucht heeft verklaard dat hij "op afstand" stond, vormt naar het oordeel van het College onvoldoende grond voor een dergelijk verwijt. Dit verwijt vormt bovendien geen onderdeel van de klacht zoals de raad van tucht deze in de bestreden tuchtbeslissing heeft samengevat.

4.5 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep van C gegrond en kan de bestreden tuchtbeslissing niet in stand blijven. Het College zal derhalve het beroep van C gegrond verklaren en de bestreden tuchtbeslissing vernietigen, voorzover daarbij de klacht gegrond is verklaard en C de maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd.

Het College kan de zaak zelf afdoen. Uit het vorenoverwogene volgt dat de klacht, voorzover daarop gezien de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing opnieuw moet worden beslist, ongegrond moet worden verklaard. Al hetgeen A in reactie op het beroep van C heeft aangevoerd, kan hieraan niet afdoen. Dienovereenkomstig zal worden beslist.

Na te melden beslissing op het beroep van C rust op titel II Wet RA.

5. De beslissingen

Het College:

- verklaart het beroep van A niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van C gegrond;

- vernietigt de beslissing van 24 maart 2003 van de raad van tucht, voorzover daarbij de klacht gegrond is verklaard en C de

maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd;

- verklaart de klacht, voorzover daarop gezien de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden tuchtbeslissing opnieuw moet

worden beslist, ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. M.A. Fierstra en mr. H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2004.

w.g. C.J. Borman w.g. B. van Velzen

Zaak R 316

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van:

De vennootschap onder firma A,

gevestigd te X,

en haar firmanten J en H, beiden wonende te X,

K L A G E R S,

tegen

C,

registeraccountant, werkzaam te Y,

B E T R O K K E N E.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

- het klaagschrift met bijlagen van 25 september 2001, namens klagers ingediend door mr E.Tj. van Dalen, advocaat te Groningen;

- de brief van J aan de Raad van 19 februari 2002, met bijlagen;

- het verweerschrift van 19 februari 2002;

- de brief van mr F.M. Schlatmann aan de Raad van 15 augustus 2002, met bijlage;

- de brief van J aan de Raad van 28 augustus 2002, met bijlagen;

- het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 27 juni 2002, gewezen tussen J en K1 en K;

- de ter na te melden zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr F. Waardenburg.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van 26 november 2002. Aldaar zijn verschenen J en H en betrokkene, bijgestaan door mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam, diens kantoorgenote mr F.M. Schlatmann, en P en Q van R. Van de behandeling is een zittingsverslag opgemaakt.

3. De klacht

De klacht, zoals die door klagers ter zitting is samengevat, omvat de volgende onderdelen:

1. Betrokkene heeft klagers onvoldoende betrokken bij zijn onderzoek: hun reacties op concepten zijn niet verwerkt en door hen ingediende stukken zijn niet of pas na lang aandringen in het onderzoek betrokken;

2. betrokkene en zijn medewerkers hadden onvoldoende deskundigheid op het gebied van de bollenteelt;

3. betrokkene heeft zich bij zijn onderzoek teveel laten leiden door het chronologisch overzicht van F van 21 september 1999, zonder dat te controleren.

Daarnaast verwijten klagers betrokkene dat zijn rapport van 16 mei 2000 op een aantal punten feitelijke onjuistheden bevat.

4. De vaststaande feiten

4.1 A houdt zich bezig met het telen van bloembollen. In 1996 is haar onderneming in financiële problemen geraakt. De vennoten van de firma, J en H, hebben G, die door middel van zijn vennootschap K ook actief was in de bloembollenteelt, om hulp gevraagd. Op 12 april 1996 is tussen de firma en K een overeenkomst gesloten, die onder meer inhield dat de onderneming van de firma tegen betaling van fl. 132.000,= werd overgedragen aan K en dat de vennoten van de firma het recht hadden de onderneming binnen 3,5 jaar tegen dezelfde koopprijs terug te kopen. Later is de onderneming ondergebracht in een andere vennootschap van G, L.

4.2 L is op 7 mei 1998 in staat van faillissement verklaard. Tussen de firma en G is vervolgens een conflict ontstaan, met name over de vraag of de bollenkraam en inventaris van de firma daadwerkelijk (zoals G stelde) waren overgedragen aan L of niet (zoals de firma stelde).

4.3 Teneinde deze vraag te kunnen beantwoorden, heeft de curator in het faillissement van L op 2 juli 1999 aan betrokkene opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de transacties tussen K, L en de firma en de administratieve onderbouwing daarvan. Ten behoeve van het onderzoek heeft de accountant van de betrokken partijen, F, een chronologisch overzicht opgesteld van de financiële transacties tussen partijen, gedateerd 21 september 1999. In dat overzicht wordt geconcludeerd dat de firma haar bollenkraam en inventaris daadwerkelijk had overgedragen aan K/L. F heeft het overzicht met zijn dossiers aan betrokkene ter beschikking gesteld.

4.4 Het onderzoek is feitelijk uitgevoerd door twee medewerkers van betrokkene. Het rapport is op 16 mei 2000 uitgebracht.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Het eerste onderdeel van de samengevatte klacht houdt in de eerste plaats in dat betrokkene klagers onvoldoende heeft betrokken bij het onderzoek. In dat verband stellen klagers terecht dat betrokkene hen niet persoonlijk te woord heeft gestaan. De medewerkers van betrokkene, die waren belast met de feitelijke uitvoering van het onderzoek, hebben klagers echter wel meermalen te woord gestaan. Klagers zijn dus wel degelijk in de gelegenheid gesteld hun visie mondeling weer te geven en vragen te stellen. Ook de brieven die klagers aan betrokkene hebben gestuurd zijn, voorzover ze om een reactie vroegen, allemaal beantwoord. Dat betrokkene (althans zijn medewerkers) de administratie van de firma niet heeft (hebben) ingezien, is niet aannemelijk geworden. Klagers zijn voorts voldoende in de gelegenheid te reageren op de bevindingen van betrokkene, want er zijn hun twee concept-rapporten toegestuurd. Dat betrokkene niet alle opmerkingen van klagers heeft verwerkt, is op zichzelf niet verwijtbaar. Betrokkene behoefde immers niet een rapport te maken waarin klagers zich geheel zouden kunnen vinden. In zoverre is het eerste klachtonderdeel ongegrond.

5.2 Het eerste klachtonderdeel komt er voor het overige op neer dat betrokkene door klagers ingediende stukken niet of pas na lang aandringen in zijn onderzoek heeft betrokken. Dit klachtonderdeel leent zich voor gezamenlijke behandeling met het derde klachtonderdeel, dat ertoe strekt dat betrokkene bij zijn onderzoek een te weinig kritische houding heeft ingenomen ten opzichte van het chronologisch overzicht van F, van 21 september 1999. De Raad deelt het standpunt van klagers, dat betrokkene zich bij zijn onderzoek teveel heeft gebaseerd op het overzicht van F. Op basis van dat overzicht heeft betrokkene zijn onderzoek (ook) gebaseerd op de veronderstelling dat er daadwerkelijk overdracht van de bollenkraam en de inventaris van de firma aan K/L had plaatsgevonden en dat vervolgens de onderneming van de firma voor rekening en risico van L werd uitgeoefend. Betrokkenes onderzoek was echter juist bedoeld om inzicht te verschaffen in de vraag of bedoelde overdracht nu wel of niet had plaatsgevonden. Doordat het antwoord op die vraag als uitgangspunt voor het onderzoek werd genomen, stond de uitkomst van het onderzoek al bij voorbaat vast.

5.3 Uit de opdrachtbevestiging kan niet worden afgeleid dat betrokkene opdracht had zich te baseren op het overzicht van F. Betrokkene had opdracht gekregen de transacties tussen K, L en de firma te onderzoeken. In plaats van zich daartoe te beperken, heeft betrokkene echter onderzoek gedaan naar (gepretendeerde) vorderingen tussen de betrokken partijen, zich daarbij baserend op het overzicht van F.

5.4 In dit kader merkt de Raad op dat betrokkene, hoewel hij eindverantwoordelijk was, zich teveel afzijdig heeft gehouden van het onderzoek. Hij heeft de feitelijke uitvoering daarvan overgelaten aan medewerkers en het is niet gebleken dat hij daadwerkelijk sturing aan het onderzoek heeft gegeven. Dit klemt temeer nu betrokkene ervan op de hoogte kon zijn dat de uitkomsten van het onderzoek verregaande gevolgen konden hebben voor alle betrokken partijen. Betrokkene was immers door een curator ingeschakeld en het moet hem bekend zijn geweest dat er inmiddels tussen partijen conflicten waren gerezen en procedures waren aangespannen. Dat de betrokken partijen het op een groot aantal punten van feitelijke aard fundamenteel oneens waren, blijkt ook wel uit het rapport van betrokkene.

5.5 Nu betrokkene als uitgangspunt voor zijn onderzoek had gekozen (met als enige argument dat F dat in zijn overzicht ook had gedaan) dat daadwerkelijke overdracht had plaatsgevonden -een standpunt dat door klagers gemotiveerd werd bestreden- had hij serieuzer moeten ingaan op de bezwaren van klagers tegen het concept- en het definitieve rapport. In dit licht had hij het rapport van T, dat klagers hem op 4 mei 2000 -dus voorafgaand aan het uitbrengen van het definitieve rapport- ter hand hebben gesteld, niet naast zich neer mogen leggen. Het rapport van T geeft immers, los van de vraag of het rapport inhoudelijk juist is, steun aan de stelling van klagers dat geen daadwerkelijke overdracht van de bollenkraam en de inventaris had plaatsgevonden. Nu betrokkene in zijn rapport met zoveel woorden heeft aangegeven dat de veronderstelling dat overdracht daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, waarop zijn rapport is gebaseerd, mogelijk niet juist is, had hij het rapport van T, dat een aanwijzing vormde voor de onjuistheid van die veronderstelling, in zijn onderzoek moeten betrekken. In zoverre zijn het eerste en derde klachtonderdeel gegrond.

5.6 Het tweede klachtonderdeel en hetgeen klagers in het klaagschrift overigens hebben gesteld, mist, naast de besproken klachtonderdelen, zelfstandige betekenis, zodat dit hier verder onbesproken zal blijven. De Raad zal ook niet treden in de beoordeling van de gestelde feitelijke onjuistheden in het rapport van betrokkene, omdat die het kader van de onderhavige tuchtprocedure te buiten gaan. Al het vorenoverwogene leidt tot de volgende slotsom. Betrokkene is bij zijn onderzoek en daaruit voortvloeiende rapportage onvoldoende zorgvuldig te werk gegaan. De door hem, op basis van het overzicht van F, gehanteerde veronderstelling maakt dat de uitkomst van zijn onderzoek bij voorbaat vaststond. Betrokkene is onvoldoende ingegaan op aanwijzingen voor de mogelijke onjuistheid van de door hem gehanteerde veronderstelling. Mede tegen de achtergrond van de omstandigheid dat betrokkene in een conflictsituatie werd ingeschakeld en er aldus ernstig rekening mee moest houden dat zijn rapport in gerechtelijke procedures een rol zou gaan spelen -hetgeen ook is gebeurd- heeft betrokkene aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De Raad acht ter zake van de gegrond bevonden klachtonderdelen oplegging van de na te melden maatregel passend en geboden.

6. De beslissing

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam:

- verklaart de klacht gegrond zoals hiervoor overwogen;

- legt aan betrokkene terzake de maatregel op van schriftelijke waarschuwing.

Aldus beslist door mr A. Rutten-Roos, voorzitter, H.G. Dix RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in tegenwoordigheid van mr W.M. de Vries, adjunct-secretaris, en in het openbaar uitgesproken op _________________________.