Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO7057

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-03-2004
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 13 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 april 2003.

Bij dit besluit, dat strekt ter uitvoering van de uitspraak van het College van 28 november 2002, geregistreerd onder nummer 02/682, LJN-nummer AF1548, heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen een besluit van 16 augustus 2001, waarbij aan appellant is bericht dat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van hardheidsgeval 1, als geregeld in artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Meststoffenwet (hierna: Mw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Vijfde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/538 18 maart 2004

16010 Meststoffenwet

Registratie referentie hoeveelheid

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. J.A.J.M. van Houtum, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. N.G. van Breukelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 13 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 april 2003.

Bij dit besluit, dat strekt ter uitvoering van de uitspraak van het College van 28 november 2002, geregistreerd onder nummer 02/682, LJN-nummer AF1548, heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen een besluit van 16 augustus 2001, waarbij aan appellant is bericht dat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van hardheidsgeval 1, als geregeld in artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, van de Meststoffenwet (hierna: Mw).

Onder dagtekening 13 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 14 juli 2003 is appellant in de gelegenheid gesteld zijn stelling dat sprake is van het gedeeltelijk vervallen van de oude Hinderwetvergunning, die volgens de brief van 15 januari 2002 van burgemeester en wethouders van C dateert van 18 november 1974 te onderbouwen, zo mogelijk aan de hand van stukken.

Bij brief van 24 juli 2003 heeft appellant hierop gereageerd, onder bijvoeging van diertellingkaarten over de jaren 1989 tot en met 1992.

Bij faxbrief van 28 augustus 2003 heeft verweerder hierop zijn reactie kenbaar gemaakt.

Op 5 februari 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

Voor de grondslag van het geschil zij verwezen naar het normatieve kader, zoals dat is weergegeven in rubriek 2 van voornoemde, aan partijen bekende, uitspraak van het College d.d. 28 november 2002, no. 02/682, LJN-nummer AF1548. Hetgeen terzake is overwogen wordt hier geacht te zijn herhaald en ingelast.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Dit besluit houdt - voorzover hier van belang - het volgende in.

"Vergroting aantal te houden dieren

(…)

In het referentiejaar 1995 werden gemiddeld 62.180 slachtkuikens op het bedrijf gehouden. De (nieuwe) milieuvergunning ziet op een aantal van 90.000 slachtkuikens.

Gelet op deze aantallen wordt aan de vergrotingseis voldaan.

Berekening extra pluimveerecht

(…)

Artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit bepaalt dat de vergroting van het pluimveerecht ten hoogste overeen komt met de hoeveelheid meststoffen afkomstig van het aantal kippen waarmee het ingevolge de nieuwe milieuvergunning op het bedrijf te houden kippen kan worden vergroot ten opzichte van het aantal dat vóór de verlening van deze milieuvergunning op grond van de Wet milieubeheer kon worden gehouden. Althans, indien dit leidt tot een geringere hoeveelheid dan de hoeveelheid berekend op grond van onderdeel b van het tweede lid. Dit betekent dat voor de berekening van de omvang van het extra pluimveerecht gelet op artikel 4 Uitvoeringsbesluit wel degelijk een vergelijking moet worden gemaakt tussen de aantallen in de voorgaande vergunning en de aantallen in de nieuwe vergunning. Het CBb heeft deze uitleg bevestigd in de uitspraak van 6 maart 2003 (AWB 02/1210).

Vervallen deel voorgaande vergunning

Op grond van artikel 27 Hinderwet of artikel 8.18 Wet milieubeheer kan (een deel van) de vigerende vergunning, al dan niet van rechtswege, komen te vervallen. Indien dit aan de orde is, maakt Bureau Heffingen een vergelijking tussen het aantal kippen of kalkoenen in het niet-vervallen deel van de vigerende vergunning en het aantal kippen of kalkoenen in de nieuwe aanvraag. De vraag of een (deel van de) vergunning vervallen is, dient te worden beantwoord door de gemeente, omdat deze het bevoegd gezag is met betrekking tot milieuvergunningen. Bureau Heffingen treedt niet in deze beoordeling door de gemeente.

Op basis van artikel 27 Hinderwet zijn er volgens de gemeente C geen rechten komen te vervallen. Hiervoor verwijs ik u naar de verklaring van de gemeente C, waarvan een kopie is bijgevoegd. Het vervallen van een deel van de rechten kan niet worden aangetoond door te verwijzen naar de dieraantallen op de aangifte overschotheffing. Deze aantallen betreffen namelijk gemiddelde aantallen en niet het hoogste aantal op enig moment in het jaar. Nu zowel de voorgaande vergunning als de nieuwe vergunning zien op een aantal van 90.000 kippen, levert de berekening op grond van het Uitvoeringsbesluit geen extra pluimveerecht op.

Hoewel ik van mening ben dat ik niet mag treden in de beoordeling van de gemeente, heb ik gemeend toch te moeten nagaan wat de uitkomst voor uw cliënt zou zijn, indien er wel een deel van de vergunning zou zijn vervallen. Ik ben hierbij uitgegaan van de dieraantallen in de jaren 1989 t/m 1992, die u in de procedure heeft ingebracht. Hieruit blijkt dat het hoogste aantal slachtkuikens in 1989 is gehouden, te weten 87.440 stuks. Uitgaande van dit aantal levert de berekening een extra pluimveerecht op van 614 kg fosfaat. Dit is minder dan 10% van het (…)recht op basis van de standaardberekening. Ondanks het feit dat uw cliënt voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van hardheidsgeval 1, kunnen er voor zijn bedrijf geen extra pluimveerechten worden berekend.

(…)"

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder in het bestreden besluit appellant de extra pluimveerechten onthouden, nu verweerder in dat besluit ook heeft beslist dat appellant voldoet aan de toetredingsvoorwaarden van hardheidsgeval 1.

Gevolg van het bestreden besluit is dat appellant zijn bedrijf moet inkrimpen van 90.000 naar 62.180 vleeskuikens.

Er is wel degelijk sprake van een situatie waarin een gedeelte van de oorspronkelijke Hinderwetvergunning, voorzover deze betrekking had op het maximaal toegestane aantal vleeskuikens, gelet op artikel 27, derde lid, Hinderwet van rechtswege is vervallen. Ter motivering van dit standpunt heeft appellant verwezen naar de door hem overgelegde diertellingkaarten en voorts gesteld dat verweerder ten onrechte is afgegaan op informatie van de gemeente C, nu deze niet deugdelijk en zorgvuldig heeft getoetst of de oude vergunning wegens het gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar niet gebruiken van een deel van het vergunde aantal dieren, gedeeltelijk was vervallen. Dit brengt mee dat de op 29 april 1996 ten behoeve van de onderhavige inrichting verleende milieuvergunning een vergroting van het aantal te houden dieren mogelijk maakte.

Appellant stelt voorts dat niet aannemelijk is dat geen sprake is geweest van het gedeeltelijk vervallen van de oorspronkelijke vergunning, omdat het dan immers voor hem niet nodig was geweest de nieuwe vergunning, zoals die op 29 april 1996 is verleend, aan te vragen. Onaannemelijk is dat appellant een nieuwe vergunning heeft aangevraagd voor hetzelfde aantal dieren waarvoor hij al vergunning had gekregen. Appellant was gedwongen een nieuwe vergunning aan te vragen omdat de oude gedeeltelijk was vervallen.

Verweerder heeft de beschikking over de precieze aantallen in het verleden gehouden dieren en kan daarom uit de eigen administratie afleiden in hoeverre de oude Hinderwetvergunning van rechtswege is vervallen.

Het bestreden besluit is strijdig met de beginselen der zorgvuldigheid, motivering en evenredigheid.

5. De beoordeling van het geschil

Niet meer in geschil is dat, uitgaande van het voorheen daadwerkelijk op het bedrijf van appellant aanwezige aantal vleeskuikens en de uitbreiding van dat aantal ten gevolge van de vergunningverlening op grond van de Wm, wordt voldaan aan de uitbreidingseis van artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw. Derhalve is uitsluitend de vraag aan de orde of, nu ingevolge de aanhef van voormeld artikellid in een dergelijk geval de (extra) omvang van het pluimveerecht wordt bepaald overeenkomstig de bij het Uitvoeringsbesluit te stellen regels, verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat appellant gelet op het bepaalde in - artikel 4 van - het Uitvoeringsbesluit niet voor extra pluimveerechten in aanmerking kan komen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, Uitvoeringsbesluit wordt het overeenkomstig hoofdstuk V, titel 2, paragraaf 3 - met uitzondering van de artikelen 58k en 58m - Mw bepaalde pluimveerecht vermeerderd aan de hand van de door de belanghebbende bij diens melding op grond van artikel 58k, eerste lid, Mw aangegeven hoeveelheid fosfaat.

Op grond van het tweede lid van artikel 4 Uitvoeringsbesluit komt, indien dit althans leidt tot een geringere hoeveelheid dan de hoeveelheid berekend op grond van het bepaalde onder a. van dit artikellid, die aangegeven hoeveelheid overeen met het verschil in mestproductie tussen het ingevolge de (nieuwe) milieuvergunning toegestane aantal kippen/kalkoenen en het aantal dat voor die vergunning kon worden gehouden. Dit leidt op grond van het bepaalde in artikel 4, tweede lid en onder 2, uitzondering indien het verschil tussen het aantal kippen/kalkoenen dat op grond van de (nieuwe) milieuvergunning kan worden gehouden en het aantal dat zou kunnen worden gehouden indien de daar bedoelde berekening wordt gevolgd tot een geringer aantal leidt.

Vaststaat dat zowel de voor de inrichting van appellant op 29 april 1996 verleende milieuvergunning als de voordien geldende vergunning van 18 november 1974 betrekking hebben op een aantal van 90.000 vleeskuikens. Het verschil in (mestproductie van) het aantal vergunde kippen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Uitvoeringsbesluit is derhalve nihil.

Dit zou slechts anders zijn, indien juist is de stelling van appellant dat het aantal dieren dat op grond van de oude vergunning was toegestaan, als gevolg van het (gedeeltelijk) vervallen van die vergunning ingevolge artikel 27 Hinderwet is verminderd. Appellant is er evenwel niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hiervan sprake is. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de door appellant overgelegde telkaarten niet valt af te leiden dat in de periode 1989 tot en met 1992 op geen enkel moment 90.000 kuikens zijn gehouden, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat een deel van de vergunning van rechtswege is komen te vervallen. Ook de brief van de gemeente C van 15 januari 2002 geeft geen enkel aanknopingspunt voor een dergelijke conclusie, terwijl verweerder zich voorts op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de bij hem aanwezige mestproductiegegevens als zodanig geen uitsluitsel gaven over de eventuele toepasselijkheid van artikel 27 Hinderwet.

Gelet op het vorenstaande is verweerder terecht uitgegaan van het - nihil bedragende - verschil (in mestproductie) tussen het aantal voorheen vergunde en het aantal op basis van de nieuwe milieuvergunning toegestane dieren.

Al hetgeen appellant voorts nog heeft aangevoerd, stuit op het vorenoverwogene af.

De conclusie is derhalve dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ingevolge het bepaalde in artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder a, Mw juncto artikel 4 Uitvoeringsbesluit niet voor extra pluimveerechten in aanmerking komt.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004.

w.g. M.A. van der Ham w.g. I.K. Rapmund