Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO6474

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
30-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 december 2002 heeft verweerder naar aanleiding van appellantes Aanvraag oppervlakten 2002 onder meer de daarin opgegeven percelen 8, 9, 10, 12 en 13 als voederareaal geregistreerd en appellante voor deze percelen geen subsidie krachtens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/605 17 maart 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. C.A. de Jong, advocaat te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. B.M. Vogt, werkzaam bij LASER.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 8 december 2002 heeft verweerder naar aanleiding van appellantes Aanvraag oppervlakten 2002 onder meer de daarin opgegeven percelen 8, 9, 10, 12 en 13 als voederareaal geregistreerd en appellante voor deze percelen geen subsidie krachtens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen verleend.

Bij besluit van 23 april 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 28 mei 2003, bij het College binnengekomen op 2 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 september 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 14 januari 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Artikel 3 van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen bepaalt dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen jaarlijks subsidie verstrekt ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig verordening (EG) nr. 1251/1999, verordening (EG) nr. 3508/92, verordening (EG) nr. 2419/2001, verordening (EG) nr. 2316/1999, verordening (EG) nr. 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) nr. 1251/1999 opgestelde regioplan.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante die zijn gericht tegen het feit dat haar voor de bovengenoemde vijf percelen geen akkerbouwsubsidie is verleend, ongegrond verklaard. Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn zienswijze in het bestreden besluit, in het verweerschrift en ter zitting het volgende aangevoerd.

De registratie van deze percelen als voederareaal is gebaseerd op de Aanvraag oppervlakten die appellante zelf heeft ingediend. In die aanvraag is aan de vijf betrokken percelen de bijdragecode van voederareaal toegekend, waarvoor geen akkerbouwsubsidie wordt verleend. Nu de indieningsperiode van de aanvraag is verstreken, zou de aanvraag volgens verweerder in dit geval alleen kunnen worden gewijzigd als sprake is van een kennelijke fout in de aanvraag. De vergissing die appellante heeft gemaakt door de bijdragecode van voederareaal in te vullen in plaats van de bijdragecode van maïs, is volgens verweerder geen kennelijke fout. Verweerder wijst hierbij tevens op de omstandigheid dat er blijkens de Gecombineerde opgave 2002 dieren op het bedrijf worden gehouden en dat appellante heeft opgegeven in aanmerking te willen komen voor de extensiveringbijdrage, waarvoor de opgaaf van voederareaal (eventueel) benodigd is.

Het is niet aan verweerder om zich in de motieven van een aanvrager te verdiepen of te beoordelen of door wijziging van de aanvraag een hoger bedrag aan steun zou kunnen worden ontvangen.

2.3 Appellante voert in de eerste plaats aan dat verweerder had kunnen constateren dat de opgaaf van de betrokken percelen voor de registratie als voederareaal een kennelijke fout betrof, nu appellante deze percelen in voorgaande jaren wel in aanmerking heeft gebracht voor akkerbouwsteun en zij die ook heeft verkregen. Verweerder kan hierbij geen betekenis hechten aan de omstandigheid dat blijkens de Gecombineerde opgave dieren op het bedrijf worden gehouden en dat appellante in aanmerking wenst te komen voor de extensiveringbijdrage. Naast de in het geding zijnde percelen heeft appellante immers nog een aantal percelen als voederareaal opgegeven, welke oppervlakte reeds toereikend is ter verkrijging van dierpremies voor het aantal dieren dat in de Gecombineerde opgave staat vermeld.

In de tweede plaats voert appellante aan dat de vergissing niet aan haar kan worden tegengeworpen nu verweerder in afwijking van voorgaande jaren heeft nagelaten appellante (tijdig) een overzicht toe te sturen met behulp waarvan appellante de juistheid van haar aanvraag had kunnen controleren en eventueel tijdig de aanvraag had kunnen wijzigen. Bij het uitblijven van een dergelijk overzicht mocht appellante er op vertrouwen dat haar alsnog een hersteltermijn ter correctie van de aanvraag zou worden gegund, althans is verweerder gehouden appellante alsnog een dergelijke termijn te bieden. Hierbij komt dat verweerder gehouden was de aanvraag over het jaar 2002 met bijzondere zorgvuldigheid te bezien aangezien het jaar 2002 in het kader van de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid waarschijnlijk als referentiejaar zal gaan fungeren voor de berekening van de toekomstige inkomenssteun aan landbouwers, zodat het onthouden van de subsidie over het jaar 2002 verstrekkende gevolgen kan hebben voor het inkomen van appellante in volgende jaren. Ook hieruit volgt dat verweerder appellante tijdig in de gelegenheid had moeten stellen om haar aanvraag te wijzigen dan wel dat haar alsnog een bijzondere hersteltermijn moet worden gegund.

2.4 Het College kan appellante niet volgen in haar betoog dat in de omstandigheden van het onderhavige geval - en los van de vraag of sprake is van een kennelijke fout - verweerder gehouden was appellante in de gelegenheid te stellen haar aanvraag te wijzigen en dat zijn weigering daartoe in strijd is met het vertrouwensbeginsel of de eisen van zorgvuldigheid.

Het College ziet geen grond verweerder verplicht te achten appellante (vóór de uiterste indieningsdatum van de aanvraag) een overzicht toe te sturen teneinde haar in de gelegenheid te stellen de juistheid van haar aanvraag te controleren. Uitgangspunt is immers dat de producent verantwoordelijk is voor het juist invullen van zijn eigen aanvraag.

De omstandigheid dat verweerder in voorkomende gevallen in het kader van serviceverlening voorafgaand aan de primaire besluitvorming aanvragers wijst of heeft gewezen op hem opgevallen onduidelijkheden of mogelijke fouten in de aanvraag, maakt niet dat appellante er aanspraak op kan maken dat verweerder bij alle aanvragen systematisch onderzoek doet naar omstandigheden die twijfel zouden kunnen wekken aan de bedoeling van de aanvrager.

Dat verweerders beslissing, zoals appellante heeft gesteld, wellicht nog jaren kan doorwerken als de plannen tot hervorming van het systeem van landbouwsubsidies gerealiseerd worden, kan niet tot het oordeel leiden dat verweerder appellante daarom in strijd met artikel artikel 12 van verordening (EG) nr. 2419/2001 in de gelegenheid moet stellen haar aanvraag te wijzigen. Verweerder heeft terecht als uitgangspunt genomen dat aan het bezwaar van appellante slechts tegemoet kan worden gekomen, als zij bij het invullen van de Aanvraag oppervlakten een kennelijke fout heeft gemaakt. Uit artikel 12 van verordening (EG) nr. 2419/2001 volgt namelijk dat in dat geval ook na afloop van de uiterste indieningsdatum de aanvraag kan worden gewijzigd. Het zou in strijd zijn met de verordening als de aanvraag na de uiterste indieningsdatum zou worden gewijzigd vanwege een vergissing die geen kennelijke fout is, hoe begrijpelijk ook de omstandigheden waaronder die vergissing is begaan en ook al heeft appellante daarvan geen voordeel gehad.

2.5 Van een kennelijke fout is in dit geval alleen sprake als aan de hand van de Aanvraag oppervlakten zelf objectief kan worden vastgesteld dat de aanvankelijk gedane opgaaf niet juist kan zijn. Reeds om die reden is verweerder niet gehouden om bij de beoordeling van een aanvraag aanvragen uit eerdere jaren te betrekken.

Het College stelt vast dat de bijdragecode voor voederareaal niet in tegenspraak met andere gegevens uit de aanvraag moet worden geoordeeld. Verweerder heeft bij dit oordeel de omstandigheid kunnen betrekken dat appellante in de Gecombineerde opgave 2002 heeft opgegeven dat er dieren op het bedrijf gehouden worden en dat zij in aanmerking wenst te komen voor de extensiveringbijdrage. Hieruit kan worden afgeleid dat appellante voornemens was een aanvraag in te dienen ter verkrijgen van dierlijke premies als bedoeld in verordening (EG) nr. 1254/1999, waarvoor de opgaaf van voederareaal (eventueel) nodig is.

De omstandigheid dat appellante naast de in het geding zijnde percelen ook andere percelen als voederareaal heeft opgegeven, waarbij de oppervlakte van die overige percelen reeds toereikend zou zijn ter verkrijging van de dierlijke premies voor het aantal in de Gecombineerde opgave vermelde dieren, doet hieraan niet af. Het aantal in de Gecombineerde aanvraag vermelde dieren betreft een momentopname. In de loop van het jaar kunnen meer dieren op het bedrijf worden aangevoerd waarvoor een aanvraag om dierlijke premie wordt ingediend, zodat mogelijkerwijs een grotere oppervlakte voederareaal beschikbaar dient te zijn.

Gezien het voorgaande is de vermelding van voederareaal in de aanvraag geen kennelijke fout en is verweerder bij de beoordeling van de aanvraag terecht uitgegaan van de gegevens die daarin zijn vermeld.

2.6 Het College zal het beroep ongegrond verklaren.

2.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand