Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO6470

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
30-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 27 januari 2003 heeft het College een beroepschrift ontvangen, dat op 4 september 2002 is ingekomen bij de rechtbank 's-Gravenhage en vervolgens is doorgezonden aan het College, en waarbij appellant beroep instelt tegen een besluit van verweerders van 23 juli 2002.

Bij dit besluit hebben verweerders beslist op het bezwaar van appellant tegen de oplegging onder dwangsom van de last zijn winkel niet langer op zondag geopend te hebben in strijd met de Winkeltijdenwet en de Verordening Winkeltijden gemeente Den Haag 2000.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/182 19 maart 2004

12510 Winkeltijdenwet

Bestuursdwang/dwangsom

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerders,

gemachtigde: mr. A.S. Imanse en L. van der Meij, werkzaam bij de gemeente Den Haag.

1. De procedure

Op 27 januari 2003 heeft het College een beroepschrift ontvangen, dat op 4 september 2002 is ingekomen bij de rechtbank 's-Gravenhage en vervolgens is doorgezonden aan het College, en waarbij appellant beroep instelt tegen een besluit van verweerders van 23 juli 2002.

Bij dit besluit hebben verweerders beslist op het bezwaar van appellant tegen de oplegging onder dwangsom van de last zijn winkel niet langer op zondag geopend te hebben in strijd met de Winkeltijdenwet en de Verordening Winkeltijden gemeente Den Haag 2000.

Bij brief van 6 februari 2003 heeft de griffier van het College appellant verzocht het verschuldigde griffierecht te voldoen.

Hierop heeft appellant bij brief van 12 februari 2003 als volgt gereageerd:

"Op advies van het college van Burgemeester en Wethouders heb ik het betreffende beroepschrift gericht aan de rechtbank te Den Haag . Dit advies bleek, en de gemeente heeft dat ook toegegeven, op een fout te berusten. Inmiddels is door mij echter wel het verschuldigde griffierecht betaald ter attentie van betreffende rechtbank.

Aangezien de gemeente mij wederom onnodige uitgaven laat doen zal ik de gemeente vragen het aan u verschuldigde griffierecht namens mij te voldoen.

Ik verzoek u derhalve de zaak niet in behandeling te nemen alvorens het verschuldigde griffierecht door de gemeente den haag namens mij is voldaan.

(…)

In verband met een werkvakantie in Azie ben ik tot en met 3 april afwezig "

Bij brief van 18 februari 2003 heeft de griffier van het College appellant onder meer als volgt geantwoord:

"In reactie op Uw brief d.d. 12 februari 2003 deel ik U mede dat het door U bij Rechtbank 's-Gravenhage, Sector Bestuursrecht, betaalde griffierecht door de Rechtbank aan U zal moeten worden teruggestort, nu Uw beroep daar immers niet zal worden behandeld.

Ik raad U aan het voor de behandeling van Uw beroep door het College te betalen griffierecht tijdig te voldoen, aangezien Uw beroep anders niet-ontvankelijk verklaard zal moeten worden. Van het storten van griffierecht kan geen uitstel worden verleend."

Op 7 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 12 maart 2003 is appellant gemaand het verschuldigde griffierecht te voldoen en is hem daarbij onder meer het volgende medegedeeld:

"Indien binnen vier weken na dagtekening van deze brief het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven op de bovenvermelde rekening kan het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden."

Hierop heeft appellant bij brief, gedateerd op 22 april 2003 en bij het College ingekomen op 28 april 2003, onder meer als volgt gereageerd:

"Op advies van de gemeente Den Haag heb ik het bedoelde bezwaarschrift gericht aan de Rechtbank sector bestuursrecht. Ook het verschuldigde griffierecht heb ik daar op tijd betaald.

(…)

Het griffierecht wat volgens de griffier van uw College zou moeten worden terugbetaald aan mij heb ik tot op heden niet mogen ontvangen.

Wellicht is het mogelijk dat indien de Rechtbank een bezwaarschrift doorzend naar een andere rechtbank ook het betaalde griffierecht aan u word overgedragen.

Ik heb in mijn brief nadrukkelijk gevraagd om de zaak niet in behandeling te nemen alvorens het griffierecht is voldaan.

Gelet op het bovenstaande acht ik het niet juist mij een aanmaning te doen toekomen. "

Bij brief van 6 mei 2003 heeft de griffier van het College als volgt geantwoord :

"Naar aanleiding van Uw op 28 april 2003 ingekomen brief d.d. 22 april 2003 wijs ik U wederom op het gestelde in mijn brief van 18 februari 2003, waarvan ik duidelijkheidshalve een kopie bijsluit.

Op dit moment is ter griffie nog niet vast te stellen of van U tijdig het griffierecht is ontvangen. Mocht U nog niet hebben betaald, dan adviseer ik U dit per ommegaande alsnog te doen. Wellicht dat het College bij te late betaling in Uw geval tot het oordeel komt, dat het griffierecht verontschuldigbaar te laat is gestort. Is dit laatste niet het geval, dan wordt het griffierecht in ieder geval weer aan U terugbetaald. Uw beroep zal bij niet betalen of niet verschoonbaar te laat betalen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, hetgeen betekent dat het College geen uitspraak zal kunnen doen over de hoofdzaak.

Ik adviseer U over het door Rechtbank 's-Gravenhage, Sector Bestuursrecht, aan U terug te betalen griffierecht kontakt op te nemen met die Bestuurssector."

Op 15 mei 2003 is het door appellant verschuldigde griffierecht bijgeschreven op de aangewezen bankrekening van het College.

Op 23 september 2003 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Op 8 oktober 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen, appellant in persoon en verweerders bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van de ontvankelijkheid

2.1 Bij artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat indien het verschuldigde griffierecht niet binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling van de griffier is bijgeschreven dan wel ter griffie is gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.

De voorgeschreven mededeling van de griffier van het College is verzonden op 6 februari 2003 zodat het door appellant verschuldigde griffierecht uiterlijk op 6 maart 2003 diende te zijn bijgeschreven op de aangewezen bankrekening van het College. Ruim voor afloop van deze termijn, bij brief van 18 februari 2003, heeft de griffier appellant nogmaals gewezen op het belang het griffierecht tijdig te betalen omdat anders het beroep niet-ontvankelijk verklaard zal moeten worden.

Op 12 maart 2003 heeft de griffier appellant opnieuw gemaand het griffierecht te voldoen en hem hiertoe een nieuwe termijn van vier weken na dagtekening van die brief gegund. Hiervan uitgaande had het door appellant verschuldigde griffierecht uiterlijk op 9 april 2003 moeten zijn bijgeschreven op de bankrekening van het College.

De conclusie uit voorgaande overwegingen is dat het door appellant verschuldigde griffierecht, dat op 15 mei 2003 is bijgeschreven op de bankrekening van het College, niet is voldaan binnen de termijn van vier weken, bepaald bij artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.

2.2 De vraag is vervolgens, artikel 8:41, tweede lid, van de Awb volgend, of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet onmiddellijk heeft betaald in afwachting van terugbetaling van het griffierecht dat hij aan de Rechtbank had betaald, en dat hij het College om uitstel had gevraagd. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

Appellant is naar aanleiding van zijn verzoek van 12 februari 2003 om de behandeling van zijn zaak uit te stellen, bij brief van 18 februari 2003 nogmaals gewezen op het belang van tijdige betaling. Al aangenomen dat hij laatstbedoelde brief eerst na zijn terugkeer uit Azië op 3 april 2003 heeft ontvangen - dienaangaande is door appellant niets gesteld en ook overigens niets gebleken - lag het op de weg van appellant na zijn terugkeer zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk en toereikend op deze brief te reageren. Dit klemt te meer nu appellant bij terugkeer op 3 april 2003 ook de aanmanende griffiersbrief van 12 maart 2003 heeft aangetroffen.

De reactie die het College eerst op 28 april 2003, meer dan drie weken na terugkeer van appellant, ontving, is niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk gegeven.

Bovendien is deze reactie niet toereikend, nu deze inhoudelijk niet meer behelst dan een herhaling van hetgeen appellant eerder had geschreven bij brief van 12 februari 2003, na welke brief appellant inmiddels tweemaal en met redenen omkleed door de griffier tot betaling was gemaand. Appellant heeft geen rechtens relevante redenen aangevoerd, die hem noopten betaling van het verschuldigde griffierecht te blijven uitstellen gedurende de maand april 2003.

De conclusie is dat, nu appellant heeft nagelaten na zijn terugkeer op 3 april 2003 zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk en toereikend te reageren op genoemde twee brieven van de griffier van het College, geen grond bestaat voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest tijdig aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

2.3 De slotsom is dat het beroep van appellant ingevolge artikel 8:41, tweede lid, van de Awb niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep van appellant niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2004.

w.g. M.J. Kuiper w.g. W.F. Claessens