Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO6371

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
26-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/1069
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 4 juni 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om premie voor stieren ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) voor het verkoopseizoen 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1069 21 januari 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. W.L.B. Boxman, juridisch adviseur te Terneuzen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkzaam bij Laser.

1. De procedure

Op 4 juni 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag om premie voor stieren ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) voor het verkoopseizoen 2000.

Verweerder heeft op 15 juli 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2003, bij welke gelegenheid partijen hun standpunt, bij monde van hun gemachtigde, nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Regeling is, ten tijde hier van belang, het navolgende bepaald:

" Artikel 1.1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

producent: individueel bedrijfshoofd, natuurlijke of rechtspersoon of, voorzover het stieren-, ossen- of zoogkoeienhouderij betreft, samenwerkingsverband van natuurlijke of rechtspersonen, niet zijnde een producentengroepering ongeacht de rechtspositie van die groepering en van haar leden, van wie, respectievelijk waarvan het bedrijf zich op het grondgebied van de Gemeenschap bevindt en die ofwel runderen houdt, ofwel ten minste 10 ooien houdt;

producentengroepering: elke vorm van groepering, vereniging of samenwerking, waarin producenten van schapevlees wederzijdse rechten en verplichtingen hebben met betrekking tot het uitoefenen van een schapenhouderij;

(…)

Artikel 2.3

1. Terzake van het gedurende de desbetreffende aanhoudperiode op hun bedrijf aanhouden van een zoogkoe, stier, os, onderscheidenlijk ooi, wordt jaarlijks op daartoe strekkende aanvraag, na afloop van het betrokken verkoopseizoen, overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de verordeningen 1254/1999, 2342/1999, 2467/98 en 2700/93 aan producenten premie verstrekt.

(…)

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 29 augustus 2000 en 10 november 2000 bij verweerder aanvragen ingevolge de Regeling ingediend voor respectievelijk 4 en 7 stieren. Deze aanvragen hebben betrekking op het beweerdelijk door appellante geëxploiteerde bedrijf, gevestigd op het adres X te B.

- Op het adres X te B is gevestigd het landbouwbedrijf van de broer van appellante, C.

- Naar aanleiding van deze aanvragen als ook de omstandigheid dat van haar broer eveneens een aanvraag op grond van de Regeling was ontvangen voor het verkrijgen van stierenpremie, heeft de Algemene Inspectiedienst van verweerders ministerie (AID) op 19 februari 2001 en 23 juli 2001 een bedrijfscontrole verricht bij appellante. Van deze controles is een rapportage opgemaakt. Tot deze rapportage behoort een bijlage, houdende een op 1 juli 2000 tussen appellante en haar broer gesloten overeenkomst, blijkens welke appellante voor de periode van 1 juli 2000 tot 1 februari 2001 een gedeelte van een stal huurt voor een bedrag van fl. 25,- per week. Blijkens deze overeenkomst is slechts huur verschuldigd voor de periode(s) dat appellante de stalruimte daadwerkelijk benut voor het stallen van vee en staat de stalruimte buiten deze periode(s) ter beschikking van haar broer.

- Bij besluiten van 3 september 2001 en 5 september 2001 zijn de aanvragen van appellante afgewezen.

- Appellante heeft tegen voormelde besluiten bezwaar gemaakt.

- Op 19 maart 2002 heeft haar broer, namens appellante, telefonisch een mondelinge toelichting op het bezwaar gegeven. Van dit gesprek is een verslag gemaakt waarin onder meer het volgende staat vermeld:

" De voorzitter vraagt de heer C waarom hij mevrouw A niet zelf te spreken krijgt. De heer C antwoordt dat hij door zijn zus gevraagd is als gemachtigde op te treden. Zij heeft een volledige baan en kan moeilijk vrij krijgen.

De heer C legt uit dat hij zelf een bedrijf heeft met zoogkoeien en stieren. De stierkalfjes die uit de zoogkoeien geboren worden verkoopt hij aan zijn zus.

Mevrouw A verzorgt de stieren voor en na haar werk en besteedt daar: ±1 uur per dag aan. De stieren worden gevoerd met ruwvoer en krachtvoer. Dit voer wordt door mevrouw A aangekocht van C. Mevrouw A voert de stieren met behulp van een kruiwagen en riek. Deze bedrijfsmiddelen zijn eigendom van moeder. Het voer voor de stieren van A wordt gezamenlijk opgeslagen.

De stal waarin de stieren gehouden worden huurt mevrouw A van C. Hiervoor is een huurovereenkomst opgesteld. De voorzitter vraagt waarom deze overeenkomst tijdelijk is en of deze na 1 februari 2001 nog is voortgezet. Meneer C antwoordt dat het niet de bedoeling van mevrouw A was om na de aanhoudperiode nog stieren aan te houden.

Vandaar de tijdelijke overeenkomst. A heeft na 1 februari 2001 geen stieren meer gehouden en dus niet opnieuw stalruimte gehuurd.(…)

Op de vraag waarom A stieren is gaan houden, antwoordt de heer C dat zijn zus altijd al zeer geïnteresseerd is geweest in het veehouderijbedrijf en "het bloed kruipt waar het niet gaan kan".

De stieren worden door mevrouw A aan verschillende handelaren verkocht. Ook de heer C koopt wel eens stieren van zijn zus.

Alle betalingen van aan- en verkoop van vee en aankoop van voer, tussen de heer C en mevrouw A, geschieden contant.

A heeft wel een eigen bankrekeningnummer voor betaling aan o.a. Gezondheidsdienst.

De voorzitter vraagt de heer C hoe de mestafzet is geregeld. C legt uit dat zijn zus de mest verkoopt of weggeeft aan particulieren die mest nodig hebben voor groentetuinen."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het navolgende overwogen:

" Feitelijk is de vraag aan de orde of er op uw bedrijfsadres in de zin van de Regeling meer bedrijven zijn gevestigd, dan wel of er feitelijk sprake is van één bedrijf zoals bedoeld in de Regeling immers, waar slechts één bedrijfsvoering valt aan te wijzen, kan slechts één producent verantwoordelijk zijn

Beoordeeld zal worden of (…) u derhalve kan worden aangemerkt als producent in de zin van artikel 1.1, van de Regeling. Niet aan de hand van een enkele factor, maar op grond van de samenstel van factoren en feitelijke omstandigheden zal beoordeeld worden of u producent bent van een zelfstandige bedrijfsvoering in de zin van de Regeling.

Evident is dat zowel het bedrijf van de heer C, als- uw bedrijf gevestigd zijn op het adres X, B. Ik heb vastgesteld dat de heer C in familierechtelijke relatie staat tot u als broer tot zus.

Mij is gebleken dat u van de heer C een gedeelte van de stal huurt om stieren in aan te houden. Deze stal is in eigendom van de heer C en is voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 1 februari 2001 aan u verhuurd. Dit blijkt uit een schriftelijke huurovereenkomst van 1 juli 2000 welke in het dossier in gevoegd. In de huurovereenkomst is de bepaling opgenomen dat de heer C het verhuurde deel voor het aanhouden van zijn eigen stieren kan gebruiken indien de stal vroegtijdig leeg komt te staan.

Mij is gebleken dat u uw runderen van de heer C betrekt. Deze stieren zijn op het bedrijf van de heer C geboren. Door de heer C vindt de aankoop van runderen voor zijn eigen bedrijf bij derden plaats. Mij is niet gebleken dat u zich zelfstandig bezig houdt met het aanwerven van de door u aangehouden stieren. Ook blijkt uit het I&R-register dat 8 van de totaal 11 runderen, na door u te zijn aangehouden, terug zijn gekeerd op het stierenbedrijf van de heer C. De runderen zijn bij de overplaatsing van de ene UBN naar de andere op hetzelfde adres gebleven.

Ook is mij gebleken dat de aankoop van het voer bestemd voor de door u aangehouden stieren niet zelfstandig door u plaats vindt, maar dat de heer C alle voer bij derden betrekt. Het door u benodigde deel aan voer door u bij de heer C aangekocht.

Voor de opslag van voer maakt u gebruik van een deel van de voerkuil die in eigendom van de heer C is, en door de heer C ten behoeve van zijn eigen bedrijf op hetzelfde adres gebruikt wordt.

Tevens heb ik vastgesteld dat u ook de overige door u gebruikte bedrijfsmiddelen niet zelf in eigendom heeft, maar dat u tevens gebruik maakt van de bedrijfsmiddelen van uw, moeder.

Ondanks het feit dat binnen het bedrijf van de heer C financiële, administratieve (en bouwkundige) scheiding van activiteiten in de bedrijfsvoering zijn doorgevoerd, alsmede het feit dat er binnen de totale bedrijfsactiviteiten op het onderhavige adres enige elementen bestaan die voor rekening en verantwoording van u komen, terwijl andere elementen voor rekening en verantwoording van de heer C, concludeer ik dat niet overtuigend is aangetoond dat er ter plaatse twee verschillende producenten een eigen bedrijf voeren, of dat u als zelfstandig producent in de zin van de Regeling kunt worden aangemerkt."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

De enkele omstandigheid dat het bedrijf van appellante op hetzelfde adres is gevestigd als dat van haar broer en dat tot op zekere hoogte bedrijfsmiddelen worden gedeeld is onvoldoende om te oordelen dat de bedrijfsvoering van appellante zodanig met die van haar broer is verweven dat zij niet als producent in de zin van de Regeling kan worden aangemerkt.

Appellante heeft aan alle administratieve voorwaarden voldaan en is ook in feitelijke zin zelf verantwoordelijk voor haar eigen bedrijfsvoering. Zij heeft een stalruimte gehuurd voor het aanhouden van de dieren, heeft de betrokken runderen en het benodigde voer voor eigen rekening aangekocht en heeft de dieren in de aanhoudperiode zelf verzorgd.

Geen wettelijk bepaling staat er aan in de weg om een contractuele relatie aan te gaan met een familielid. Voorzover appellante de stieren, als ook het benodigde voer, betrekt van haar broer, en zij (mede) gebruik maakt van diens bedrijfsmiddelen, levert dit voor appellante slechts een objectief bedrijfseconomisch voordeel op, waarbij zij als beginnend ondernemer bovendien kan profiteren van de expertise van haar broer.

5. De beoordeling van het geschil

In geschil is of verweerder op goede gronden heeft beslist dat appellante niet als producent in de zin van artikel 1 van de Regeling kan worden aangemerkt

Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich ter beantwoording van deze vraag terecht op het standpunt dat de feitelijke situatie in de bedrijfsvoering bepalend is.

Niet in geschil is dat de stieren, waarvoor appellante premie heeft aangevraagd gedurende de aanhoudperiode verbleven in stalruimte, die bij haar broer in eigendom is en door appellante werd gehuurd. Voorts staat vast dat de stieren voorafgaand aan de aanhoudperiode door haar broer aan appellante zijn geleverd en na het verstrijken van de aanhoudperiode in verreweg de meeste gevallen door appellante weer zijn teruggeleverd aan haar broer.

Appellante heeft bovendien erkend dat het (kracht)voer door haar van haar broer is afgenomen en werd opgeslagen in een deel van de voerkuil die in eigendom van haar broer is, en door haar broer ten behoeve van zijn eigen bedrijf op hetzelfde adres gebruikt wordt.

Tenslotte is vast komen te staan dat appellante gedurende de aanhoudperiodes, naast haar normale baan, ongeveer één uur per dag heeft gespendeerd aan de verzorging van de dieren, dat zij voordien ook gewoon was af en toe haar broer te helpen bij het verzorgen van diens dieren en dat buiten de twee onderhavige aanhoudperiodes door appellante geen bedrijfsactiviteiten zijn ontplooid.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden heeft verweerder op goede gronden tot het oordeel kunnen komen dat de activiteiten van appellante met betrekking tot het houden van de betrokken stieren zodanig met het bedrijf van haar broer is verweven dat slechts sprake is van één bedrijf en appellante op grond van de enkel en alleen door haar verrichte activiteiten niet als producent in de zin van artikel 1 van de Regeling kan worden aangemerkt. Hierbij neemt het College in aanmerking dat niet valt in te zien wat de door appellante gestelde bedrijfsuitoefening in feitelijke zin heeft toegevoegd aan de gang van zaken op het betrokken adres ten opzichte van de situatie dat zij zich niet als zelfstandig producent zou hebben geprofileerd. Voorzover dan ook sprake is van enige feitelijke betrokkenheid van appellante bij de bedrijfsvoering op het betrokken adres, bestaat deze daaruit dat appellante met haar broer in een samenwerkingsverband is gaan opereren.

Het beroep is gelet op al het vorenoverwogene ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand