Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO6370

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
26-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/67
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 30 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van het Bedrijfschap Schildersbedrijf (hierna: Bedrijfschap) van 22 november 2002.

Bij dat besluit heeft het Bedrijfschap het bezwaarschrift van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 03/67 13 februari 2004

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

Jachtbouw Tijssen B.V., te Zoeterwoude, appellante,

gemachtigde: W.B.J. Tijssen,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, te Rijswijk, als rechtsopvolger van het Bedrijfschap Schildersbedrijf, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 30 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van het Bedrijfschap Schildersbedrijf (hierna: Bedrijfschap) van 22 november 2002.

Bij dat besluit heeft het Bedrijfschap het bezwaarschrift van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 17 maart 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2003. Bij die gelegenheid is namens appellante niemand verschenen en heeft verweerder zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 16 mei 1997 heeft de Sociaal Economische Raad de Instellingsverordening Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf vastgesteld, welke verordening door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens zijn ambtgenoot van Economische Zaken, is goedgekeurd op 11 juli 1997. Bij deze verordening is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 2

1. In deze verordening en daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder schilders- en afwerkingsbedrijf: het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk in, op of aan bouwwerken of andere werken, schepen of woonarken dan wel onderdelen daarvan of daarvoor bestemd, aanbrengen van verf of soortgelijke producten.

2. (…)"

Artikel 3

1. Er is een bedrijfschap voor het Schilders- en Afwerkingsbedrijf.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin het schilders- en afwerkingsbedrijf wordt uitgeoefend (…)

Artikel 5

I. Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. de registratie van ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld en de daarin werkzame personen;

(…)"

Bij de Registratieverordening Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf van 19 mei 1998, bij besluit van 1 juli 1998 goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad, (hierna: de Registratieverordening) is voorzover hier van belang het volgende bepaald:

"Artikel 3

1. Er is een register waarin gegevens over ondernemingen en ondernemers worden geregistreerd.

(…)

Artikel 4

1. In het register worden gegevens opgenomen over de onderneming en de ondernemer, alsmede administratieve gegevens.

(…)

Artikel 5

1. De gegevens over de onderneming en de ondernemer (…) worden ontleend aan:

a. de opgave van de ondernemer zelf;

b. het handelsregister bedoeld in artikel 1 van de Handelsregisterwet;

c. SFS te Rijswijk;

d. een zelfstandig door het bedrijfschap ingesteld onderzoek; of

e. een combinatie van de in de onderdelen a tot en met d genoemde bronnen.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 19 juni 2002 heeft appellante op verzoek van het Bedrijfschap een ingevulde "vragenlijst ten behoeve van registratie" toegezonden. Bij vraag 9 van deze vragenlijst, getiteld: "Activiteiten die hoofdzakelijk door uw bedrijf worden uitgevoerd" heeft appellante onder de subafdeling: "Schilders- en afwerkingsbedrijf" de optie "Jachten t/m 20 meter onderhoud schilderen" aangevinkt en daarbij de aantekening geplaatst dat deze schilderswerkzaamheden alleen plaatsvinden in combinatie met reparatiewerkzaamheden en dat schilderswerk wordt uitbesteed.

- Bij besluit van 26 juni 2002 heeft het Bedrijfschap appellante geregistreerd als onderneming waarvoor het Bedrijfschap is ingesteld.

- Hiertegen heeft appellante bij brief van 16 juli 2002 bezwaar gemaakt. Daarin wordt onder meer het volgende aangevoerd:

" De grootste bron van inkomsten van het bedrijf komt uit de watersportwinkel.

Hiernaast hebben wij een jachtwerf voor reparatie, onderhoud en stalling met daaruit voortvloeiende schilderwerkzaamheden. Hier wordt ongeveer een gelijk percentage werk verricht aan timmerwerk - schilderwerk - electronica - gasinstallatie - tuigwerk - santair/fitwerk e.d."

- Bij brief van 16 oktober 2002 heeft appellante de gronden van haar bezwaarschrift aangevuld. Daar staat onder meer in vermeld dat appellante slechts allround watersportmedewerkers in dienst heeft en geen schilders en dat in geval van groot schilderwerk deze werkzaamheden worden uitbesteed.

- Appellante heeft van de haar geboden gelegenheid om te worden gehoord geen gebruik gemaakt.

- Vervolgens heeft het Bedrijfschap het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Op de vragenlijst ten behoeve van de registratie heeft u aangegeven dat door uw bedrijf onderhoudschilderwerk aan jachten wordt vericht. Op de vragenlijst heeft u verder geschreven dat het schilderwerk wordt uitbesteed en dat deze

werkzaamheden uitsluitend in combinatie met reparatiewerkzaamheden plaatsvinden.Omdat het (laten) verrichten van schilderwerk aan schepen onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap valt is uw onderneming op grond van artikel 4 van de Registratieverordening geregistreerd.

Naar aanleiding van uw bezwaarschrift heeft het Bedrijfschap wederom een onderzoek verricht naar de activiteiten van uw bedrijf. Uw onderneming is door de A.N.W.B. erkend voor de activiteit "jachtschilder". Verder vermeldt u op uw internetsite dat uw onderneming de beschikkking heeft over een geconditioneerde schilderwerkplaats. Hieruit leiden wij af dat u onder de werkingssfeer van het Bedrijfschap valt.

In uw bezwaarschrift heeft u aangegeven dat de watersportwinkel de grootste bron van inkomsten vormt voor uw bedrijf. Voor de registratie is het echter niet van belang dat het (doen) uitvoeren van jachtschilderwerk een nevenactiviteit van uw bedrijf is."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

"Artikel 2 van de Instellingsverordening Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf heeft betrekking op bedrijven die als hoofdactiviteit het aanbrengen van verf of soortgelijke producten hebben. Dit criterium wordt ook aangegeven in het door het Bedrijfschap gehanteerde vragenformulier. Tijssen heeft aangegeven dat de voornaamste bron van inkomsten voortvloeien uit de watersportwinkel. (…)

Er wordt incidenteel schilderwerk verricht, waarbij dit vrijwel altijd gerelateerd is aan uitgevoerde reparaties.

In de overweging op het bezwaarschrift wordt door het Bedrijfschap aangegeven dat de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden van belang zijn. Naar aanleiding van het bezwaarschrift zou het Bedrijfschap opnieuw onderzoek hebben verricht naar de ativiteiten van Tijssen. Op het bedrijf zelf is echter nooit iemand geweest. Het is dan ook als onbegrijpelijk ervaren dat er nooit een bezoek is gebracht door iemand van het Bedrijfschap om nader kennis te maken en de activiteiten van het bedrijf te bekijken.

Wel heeft men gemeend, op grond van de constatering dat Tijssen door de ANWB als o.a. jachtschilder is erkend en dat op de internetsite van Tijssen gesproken wordt van een schilderwerkplaats, Tijssen als feitelijke hoofdactiviteit schilderwerk uitvoert en onder de werkingssfeer zou vallen.

De ANWB kent vele vormen van erkenningen. Is men door de ANWB erkend dan heeft dit het voordeel dat de ANWB deze bedrijven onder de aandacht van haar leden brengt. Veel bedrijven zullen daarom ook trachten een erkenning te bemachtigen. De door de ANWB gehanteerde criteria zijn voornamelijk van algemene facilitaire aard. De erkenning zegt dus niets over de mate waarin een bedrijf ook daadwerkelijk de bewuste bedrijfsactiviteit uitvoert. (…)

Tevens wil ik nog opmerken dat Tijssen, op grond van de door haar uitgevoerde werkzaamheden is aangesloten bij de brancheorganisatie voor ondernemers, werkzaam in de watersport, te weten HISWA Vereniging. De HISWA vereniging is op dit moment zelf bezig met het (doen) opzetten van een bedrijfschap.

Tijssen kan zich met de stelling dat zij onder het Bedrijfschap Schildersbedrijf zou vallen niet verenigen (...)."

5. De beoordeling van het geschil

Appellante heeft niet betwist dat zij - zij het in beperkte mate - werkzaamheden als omschreven in hogervermeld artikel 2 van de Instellingsverordening verricht en dat zij ten tijde van het bestreden besluit deze werkzaamheden ook aanbood. De stelling van appellante dat het schilderwerk wordt uitbesteed, leidt hierbij niet tot een ander oordeel, nu blijkbaar slechts het groot schilderwerk wordt uitbesteed, terwijl het resterend gedeelte van het schilderwerk wel door appellante wordt uitgevoerd. Reeds hieruit volgt dat zij - mede - het schildersbedrijf uitoefent.

Uit bedoeld artikel 2 blijkt voorts niet, zoals appellante heeft gesteld, dat de registratieplicht beperkt is tot bedrijven waar het schildersbedrijf als hoofdactiviteit wordt uitgeoefend. Weliswaar genereert appellante met bovengenoemde werkzaamheden als schilder naar gesteld niet een groot deel van haar omzet, maar door of namens appellante zijn geen gegevens overgelegd waaruit zou moeten worden afgeleid dat het verworven bedrag zodanig verwaarloosbaar is, dat registratie om die reden achterwege had dienen te blijven.

Gezien het vorenstaande heeft het Bedrijfschap zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat appellante onder werkingssfeer van het Bedrijfschap valt, zodat zij op goede gronden is geregistreerd. Hetgeen door appellante overigens is aangevoerd kan daaraan niet afdoen.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R.P.H. Rozenbrand