Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO6357

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
26-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/587
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 23 mei 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 april 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het door appellante gemaakte bezwaar tegen een besluit van 31 oktober 2001, waarbij verweerder een aanvraag van appellante om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 heef afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 161 met annotatie van J.H. van der Veen
JB 2004/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/587 27 februari 2004

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. Heuveltax, te Amsterdam, appellante,

gemachtigde: mr. R.A. IJsendijk, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 23 mei 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 april 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het door appellante gemaakte bezwaar tegen een besluit van 31 oktober 2001, waarbij verweerder een aanvraag van appellante om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000 heef afgewezen.

Op 27 juni 2003 is een aanvullend beroepschrift ingekomen.

Op 30 september 2003 is een verweerschrift ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2004, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt hebben toegelicht. Zijdens appellante is voorts verschenen A, directeur-grootaandeelhouder bij Autobedrijf Axi B.V., één der vennoten van V.O.F. Heuveltax.

2. De grondslag van het geschil

Bij het beoordelen van de zaak gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Appellante is opgericht op 23 december 1987 en staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam ingeschreven met als bedrijfsomschrijving: "het voor gemeenschappelijke rekening en risico exploiteren van bedrijfsvergunningen taxivervoer". De vennoten van appellante waren blijkens dit register ten tijde hier van belang de Koöperatieve Taxichauffeursvereniging "Veilig Vervoer" U.A. en Autobedrijf Axi B.V., beide gevestigd te Amsterdam. Enig aandeelhouder van Autobedrijf Axi B.V. is Axi Holding B.V., statutair gevestigd te Amsterdam. De directeur van Axi Holding B.V. - A - was op basis van een managementovereenkomst gedetacheerd bij Autobedrijf Axi B.V. A gaf namens vennoot Autobedrijf Axi B.V. leiding aan appellante. De leden van de Koöperatieve Taxichauffeursvereniging "Veilig Vervoer" U.A. waren ieder voor zich een separate vennootschap onder firma aangegaan met Autobedrijf Axi B.V. Laatstbedoelde vennootschappen onder firma waren genaamd Heuveltax 1 tot en met Heuveltax 31.

- Het vervoer door de vennootschappen onder firma Heuveltax 1 tot en met Heuveltax 31 wordt verricht met vergunningbewijzen voor het verrichten van taxivervoer van appellante. De vennootschappen onder firma Heuveltax 1 tot en met Heuveltax 31 hebben zelf geen vergunning voor het verrichten van taxivervoer, de chauffeurs/vennoten van deze vennootschappen zijn niet in loondienst bij appellante, de vennootschappen verrichten zelfstandig taxivervoer voor eigen rekening en risico en betalen aan appellante een dagvergoeding om gebruik te kunnen maken van de vergunning, de auto en de aansluiting met de taxicentrale.

- Bij besluit van 28 april 1998 (kenmerk: 434/OLT/92) is appellante door het toenmalige bevoegde bestuursorgaan, het dagelijks bestuur van het Openbaar Lichaam Taxivervoer Amsterdam, Zaanstreek, Amstelland en Meerlanden (OLT AZAM) voor een onbepaalde termijn vergunning verleend om met tien taxi's straattaxivervoer te verrichten binnen en vanuit het AZAM-gebied. In het vergunningsbesluit staan de twee vennoten van appellante vermeld en wordt A als vakbekwame persoon aangemerkt.

- Bij besluit van 31 oktober 2001 heeft verweerder een "omzettingsaanvraag", als bedoeld in artikel VII van de Wet deregulering taxivervoer, van de door het toenmalige bevoegde bestuursorgaan aan appellante verleende vergunning, afgewezen.

- Tegen dit besluit van verweerder heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Op 26 maart 2003 heeft verweerder van appellante een "Aanvraagformulier wijziging taxivergunning" ontvangen. In de begeleidende brief bij dit formulier heeft appellante onder meer het volgende vermeld:

" De firma V.O.F. Heuveltax is een zogenaamde "omzetter". Hiermee bedoel ik dat de firma beschikt over een vergunning zoals afgegeven door het voormalig bevoegde gezag. (…) Ten aanzien van deze vergunning is omzetting gevraagd medio 2000. Tot op heden is nog niet onherroepelijk op die omzettingsaanvraag beslist. Vorenbedoelde vergunning vermeldt als vervoerder de Firma Heuveltax die bestaat uit twee vennoten: de Koöperatieve Taxichauffeursvereniging "Veilig Vervoer" en Autobedrijf AXI B.V.

Per 19 maart 2003 zijn 18 vennoten tot de vennootschap toegetreden. Ik doe u hierbij toekomen een afschrift van de "Overeenkomst van vennootschap onder firma" van gelijke datum waarbij een en ander is overeengekomen. Tevens doe ik u hierbij toekomen het origineel uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel per 19 maart 2003."

- Blijkens de bij de aanvraag van 26 maart 2003 gevoegde "Overeenkomst van vennootschap onder firma" d.d. 19 maart 2003 en het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Amsterdam van 19 maart 2003 bestond appellante op dat moment uit de vennoten de Koöperatieve Taxichauffeursvereniging "Veilig Vervoer" U.A., Autobedrijf Axi B.V., A, alsmede zeventien andere natuurlijke personen.

- Bij brief van 31 maart 2003 heeft verweerder appellante medegedeeld dat de op 26 maart 2003 ingediende aanvraag niet compleet is en heeft hij appellante in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen twaalf weken aan te vullen. Hierbij is onder meer aangegeven dat originele verklaringen omtrent het gedrag, niet ouder dan twee maanden, nodig zijn voor een veertiental vermelde personen.

- Op 10 april 2003 heeft een hoorzitting plaatsgehad. Ter hoorzitting heeft appellante verweerder verzocht bij zijn besluit op bezwaar uit te gaan van de gewijzigde organisatiestructuur.

- Bij het bestreden besluit van 14 april 2003 heeft verweerder beslist op het tegen het besluit van 31 oktober 2001 gemaakte bezwaar en het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij brief van 16 juni 2003 heeft appellante verweerder verzocht de termijn om de aanvraag van 26 maart 2003 aan te vullen te verlengen tot en met 2 juli 2003.

- In reactie op de brief van appellante van 16 juni 2003 heeft verweerder appellante bij brief van 27 juni 2003 medegedeeld niet te kunnen tegemoetkomen aan het verzoek om de aanvraag van 26 maart 2003 aan te merken als een aanvraag tot wijziging van een taxivergunning en het bij een dergelijke aanvraag behorende legesbedrag in rekening te brengen. Voorts heeft verweerder appellante bij deze gelegenheid nogmaals gewezen op het feit dat de aanvraag van 26 maart 2003 nog met ontbrekende gegevens moet worden aangevuld en dat verweerder akkoord gaat met verlenging van de aanvullingstermijn tot en met 2 juli 2003.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder meer beslist dat, voor zover appellante heeft verzocht om haar aanvraag tot wijziging van de taxivergunning mee te nemen bij de beoordeling van de beslissing op het bezwaar, zulks achterwege kan worden gelaten omdat appellante niet als vervoerder in de zin van de Wet personenvervoer (2000) kan worden aangemerkt en, ingevolge artikel 14, derde lid, van het Besluit personenvervoer 2000, het slechts de vervoerder is die een aanvraag tot wijziging kan doen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, voor zover voor de beoordeling van dit geding thans van belang, betoogd dat verweerder ten onrechte is voorbij gegaan aan de omstandigheid dat zij sinds 19 maart 2003 een andere bedrijfsconstructie kent. Overeenkomstig de uitleg door verweerder van het begrip vervoerder, dient appellante thans wel als vervoerder te worden aangemerkt. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de nieuwe constructie niet in zijn besluit betrokken.

5. De beoordeling van het geschil

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat appellante per 19 maart 2003 de organisatiestructuur heeft gewijzigd. Ter beoordeling staat de vraag of verweerder deze wijziging bij zijn beslissing op bezwaar had moeten betrekken. Naar het oordeel van het College dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient op een bezwaarschrift te worden beslist na heroverweging van het bestreden besluit. Zodanige heroverweging dient plaats te vinden in het licht van alle feiten en omstandigheden, zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging. Een wijziging van de organisatiestructuur van de aanvrager als thans aan de orde, is naar het oordeel van het College een omstandigheid die bij de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de vergunningaanvraag had moeten worden meegewogen. Met de wijziging heeft appellante immers beoogd tegemoet te komen aan de primaire afwijzingsgrond van verweerder, te weten dat zij niet kan worden aangemerkt als vervoerder in de zin van degene voor wiens rekening en risico het taxivervoer wordt verricht, als vereist ingevolge de Wet personenvervoer 2000. Verweerder heeft door bij het nemen van het bestreden besluit de door appellante doorgevoerde wijziging in de organisatiestructuur niet in zijn afwegingen te betrekken ten aanzien van de bestreden afwijzing een onvolledige heroverweging toegepast.

Om redenen van proceseconomie zal het College de overige door appellante naar voren gebrachte beroepsgronden thans niet bespreken, aangezien deze enkel van belang zijn wanneer verweerder zijn weigering appellante de gevraagde vergunning te verlenen bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar handhaaft. In voorkomend geval kan appellante daar opnieuw tegen opkomen.

Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is

overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die appellante in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken en

stelt de hoogte daarvan vast op € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), aan appellante te betalen door de Staat der

Nederlanden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,-- (zegge:

tweehonderd en tweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.A. Hagen en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2004.

w.g. C.M. Wolters w.g. L. van Duuren