Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO5977

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-03-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/1127
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft verweerder besloten appellante's aanvraag om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer niet in behandeling te nemen, omdat zij, hoewel daartoe schriftelijk uitgenodigd, heeft nagelaten alle voor het in behandeling nemen van de aanvraag benodigde gegevens te overleggen.

Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

No.AWB 03/1127 5 maart 2004

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. Taxi B, te X, appellante,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2003 heeft verweerder besloten appellante's aanvraag om een vergunning voor het verrichten van taxivervoer niet in behandeling te nemen, omdat zij, hoewel daartoe schriftelijk uitgenodigd, heeft nagelaten alle voor het in behandeling nemen van de aanvraag benodigde gegevens te overleggen.

Bij besluit van 1 augustus 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 september 2003, bij het College binnengekomen op 9 september 2003, beroep ingesteld. Bij brief van 21 oktober 2003 heeft zij de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 20 november 2003 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 20 februari 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en de gemachtigde van verweerder de respectieve standpunten nader hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning. Ingevolge artikel 5 van de Wet beslist verweerder op een aanvraag voor een vergunning. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet en artikel 26, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 wordt een vergunning voor het verrichten van taxivervoer slechts verleend indien de vervoerder voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

Krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat appellante niet heeft aangegeven op welke wijze zij aan het vakbekwaamheidsvereiste wilde voldoen en voorts geen bewijs van vakbekwaamheid heeft overgelegd. Het aanvraagformulier vermeldt duidelijk dat er een grond van vakbekwaamheid dient te worden ingevuld en een kopie van het diploma beroepsvervoer of de verklaring van historische vakbekwaamheid moet worden meegestuurd. Appellante heeft op haar aanvraagformulier echter geen van beide gronden van vakbekwaamheid aangegeven. Bij brieven van 22 oktober en 16 december 2002 is appellante verzocht alsnog de ontbrekende stukken aan te leveren, waarbij als uiterste datum 13 januari 2003 is gesteld. Nadat deze datum ongebruikt is verstreken, is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Verweerder is na heroverweging van oordeel dat dit terecht is gebeurd.

2.3 Appellante voert in haar aanvullend beroepschrift aan dat zij verweerder een afschrift heeft doen toekomen van een schrijven van 10 april 2003 van de Stichting Examenbureau Vervoer & Logistiek. Dit schrijven houdt een overzicht in van de data waarop appellante de examens van de opleiding BOV heeft afgelegd.

Daarnaast verzoekt zij haar een vergunning te verstrekken teneinde haar in de gelegenheid te stellen het geld te verwerven om de benodigde diploma's te behalen.

2.4 Het College stelt vast dat appellante in haar aanvraag niet heeft aangegeven op welke wijze zij aan het vereiste van vakbekwaamheid wenst te voldoen. Verweerder heeft haar dan ook schriftelijk verzocht bewijs te overleggen van het feit dat zij beschikt over een erkend vakdiploma en op deze wijze voldoet het vakbekwaamheidsvereiste. Het gaat hierbij om stukken die appellante ingevolge de op pagina 4 van het aanvraagformulier opgenomen informatie verplicht was met haar aanvraag mee te sturen. Niet gebleken is dat appellante tijdig deze voor de beoordeling van haar aanvraag essentiƫle informatie, waarvan overlegging door verweerder was verzocht, aan verweerder heeft doen toekomen. Het schrijven van 10 april 2003 is geen bewijs dat appellante beschikt over de vakbekwaamheid, doch slechts dat zij met het behalen van de BOV bezig was. Het - te laat - insturen van dit schrijven kan dan ook reeds op deze grond niet worden aangemerkt als het voldoen aan verweerders verzoek.

Onder deze omstandigheden kan verweerder niet het recht worden ontzegd om van de hem op grond van artikel 4:5 van de Awb toekomende bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te laten, gebruik te maken.

Als gevolg van het buiten behandeling laten van de aanvraag heeft geen inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden. Dat betekent eveneens dat het College niet toekomt aan de bespreking van appellante's grief dat verweerder haar een vergunning had moeten verlenen, teneinde haar in de gelegenheid te stellen het behalen van de vakbekwaamheid te bekostigen.

2.5 Op grond van vorenstaande overwegingen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.6 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2004.

w.g. J.A. Hagen w.g. R. Meijer