Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO5973

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-02-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 9 april 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 februari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 9 december 2002, genomen op grond van de Regeling EG-steunverlening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/422 27 februari 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 9 april 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 februari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 9 december 2002, genomen op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 26 mei 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2003, alwaar appellante, vertegenwoordigd door B, en de gemachtigde van verweerder hun standpunten hebben toegelicht.

Bij beschikking van 24 oktober 2003 heeft het College het onderzoek heropend.

Bij brief van 12 november 2003 heeft verweerder een nader stuk ingezonden.

Bij brief van 12 december 2003 heeft appellante een reactie gegeven op verweerders brief.

Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 6

1. Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

(…)

Artikel 7

1. Voor een aanvraag oppervlakten of mededeling in het kader van deze regeling maakt de producent gebruik van een door LASER vastgesteld formulier dat door de producent volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

2. Bij de indiening van een formulier, als bedoeld in het eerste lid, legt de producent alle bewijsstukken over ten aanzien waarvan zulks wordt verlangd ingevolge het betreffende formulier, dan wel ingevolge deze regeling.

(…)

Artikel 8

1. De aanvraagperiode wordt jaarlijks bij afzonderlijke regeling door de minister vastgesteld.

2. Indien de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de subsidie waarop de producent recht zou hebben indien LASER de aanvraag oppervlakten tijdig zou hebben ontvangen, verlaagd overeenkomstig artikel 13 van verordening 2419/2001, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.

3. Indien de aaanvraagoppervlakten meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de aanvraag afgewezen, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.

Artikel 13

1. Indien de producent één of meer verplichtingen als bedoeld in de in artikel 1 genoemde verordeningen of van deze regeling niet kan nakomen wegens overmacht of buitengewone omstandigheden alsbedoeld in artikel 48 van verordening 2419/2001, ontvangt LASER binnen 10 werkdagen vanaf het tijdstip waarop dit voor de producent mogelijk is, hiervan schriftelijk bericht.

(…)

Artikel 1, eerste lid, van de Regeling vaststelling indieningsperiode 2002 aanvraag oppervlakten, luidt als volgt:

'' Als periode voor het indienen van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, wordt vastgesteld de periode die loopt van 1 april 2002 tot en met 15 mei 2002.''

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (Pb. nr. L 327, p. 11) is het volgende bepaald.

Artikel 13

1. Behoudens overmacht en buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 48 wordt bij indiening van een steunaanvraag "oppervlakten" of een steunaanvraag "dieren" na de in de betrokken sectorspecifieke voorschriften bepaalde termijn het steunbedrag waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, verlaagd met 1 % per werkdag vertraging.

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen.

(…). ''

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 19 juli 2002 heeft appellante een kopie van een Gecombineerde Opgave 2002 voor Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten en de daarbij behorende Overzicht gewaspercelen en Bedrijfskaart, op 10 mei 2002 ondertekend, in een enveloppe aan Laser toegezonden. Appellante heeft in het kader van de Regeling onder andere 8.13 ha snijmaïs opgegeven.

- Laser heeft voornoemde stukken ontvangen op 1 augustus 2002.

- Bij besluit van 9 december 2002 heeft verweerder de aanvraag niet ontvankelijk verklaard, omdat de aanvraag buiten de uiterste aanvraagperiode is ontvangen.

- Appellante heeft op 17 januari 2003 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

'' De aanvrager is verantwoordelijk voor het tijdig indienen van de aanvraag. De gevolgen van het niet tijdig indienen van de aanvraag komen in beginsel geheel voor rekening en risico van de aanvrager. Dit is slechts anders indien er sprake is van de in artikel 48 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 bedoelde overmacht en buitengewone omstandigheden, dan wel indien er sprake is van een situatie die eveneens een beroep op overmacht zou kunnen rechtvaardigen.

Aan de orde is de vraag of in uw geval sprake is van overmacht of buitengewone omstandigheden als hiervoor bedoeld. In dit artikel worden in het tweede lid als voorbeelden van buitengewone omstandigheden onder andere genoemd het overlijden van het bedrijfshoofd, langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd en een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in belangrijke mate beinvloedt. Niet gebleken is dat er zich een van deze met name genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Artikel 48, tweede lid, van de Verordening bevat echter geen uitputtende opsomming. Daarom moet worden bezien of de omstandigheden waar u zich op beroept, kunnen worden aangemerkt als overmacht, zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dit in de vaste rechtspraak heeft uitgelegd.

Dit betekent dat het feit dat u uw aanvraag niet op tijd heeft kunnen indienen, niet aan u kan worden toegerekend, wanneer dat te wijten zou zijn aan abnormale en onvoorziene omstandigheden die vreemd zijn aan u en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet had een kunnen worden vermeden.

U stelt de aanvraag op 10 mei 2002 te hebben verzonden. U bent zelf verantwoordelijk voor het tijdig indienen van uw aanvraagformulier en voor de tussenpersonen die u hiervoor inschakelt. De indiener van een aanvraag draagt het risico dat zijn aanvraag de geadresseerde nimmer dan wel te laat bereikt, wanneer dit niet per aangetekende post is verzonden en anderszins de ontvangst niet aannemelijk kan worden gemaakt.

Mij is niet gebleken dat zich zulke abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, dat u niet in staat bent geweest de aanvraag tijdig in te dienen. Er is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Gelet op bovenstaande kan uw impliciete beroep op overmacht en buitengewone omstandigheden naar mijn mening niet slagen. Derhalve is uw aanvraag terecht op grond van artikel 8, derde lid van de Regeling niet-ontvankelijk, en komen de gevolgen van het te laat indienen van de aanvraag oppervlakten 2002 voor uw rekening en risico.''

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante stelt dat zij de Gecombineerde opgave en de daarbij behorende Overzicht gewaspercelen en Bedrijfskaart ten behoeve van de Landbouwtelling en de Aanvraag Oppervlakten op 10 mei 2002 in een enveloppe heeft verzonden. Na telefonische contact met Laser te hebben opgenomen heeft Laser appellante meegedeeld dat deze stukken niet waren aangekomen. Op verzoek van Laser heeft appellante op 19 juli 2002 kopieën van deze stukken met een begeleidend briefje per aangetekende brief verzonden.

5. Het nadere standpunt van verweerder

Verweerder heeft aangegeven dat de originele Landbouwtelling 2002 op 1 augustus 2002 pas is binnengekomen. Gelet op appellants stelling dat de Landbouwtelling en de Aanvraag Oppervlakten gelijktijdig in een enveloppe zijn opgestuurd, kan het niet anders zijn dan dat ook de Aanvraag Oppervlakten op 1 augustus 2002 en derhalve te laat is ingediend.

6. De beoordeling van het geschil

Het College stelt allereerst vast dat het door verweerder bij brief van 12 november 2003 ingezonden stuk is een origineel exemplaar van een Opgave Landbouwtelling 2002 met ontvangstdatum van 1 augustus 2002. Het formulier is niet ingevuld, maar wel ondertekend. Ten aanzien van verweerders standpunt dat appellante de aanvraag, doordat de aanvraag oppervlakten en de landbouwtelling in dezelfde enveloppe zaten, te laat heeft ingediend, overweegt het College het volgende. Met de originele Opgave Landbouwtelling 2002 kan niet worden bewezen, zoals verweerder stelt, dat appellante de aanvraag pas na het verstrijken van de aanvraagperiode heeft ingediend. Appellante heeft immers voor het jaar 2002 een kopie van een Gecombineerde Opgave Landbouwtelling, Gebruik gewaspercelen en Aanvraag oppervlakten ingediend. Slechts het origineel van de Gecombineerde Opgave had, gelet op appellantes verklaring, als bewijs kunnen dienen dat de aanvraag van appellante niet tijdig was ingediend. Het College overweegt voorts het volgende.

Het College stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid van appellante is om conform de geldende voorschriften - en dus tijdig - haar aanvraag in te dienen. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat appellante zodanige voorzieningen dient te treffen dat zij kan aantonen dat het aanvraagformulier tijdig bij verweerder is ingediend. Hiertoe is appellante evenwel niet in staat, aangezien zij haar beweerdelijk eerder ingediende aanvraag niet aangetekend heeft verzonden. Zij heeft wel na het verstrijken van de aanvraagperiode kopieën van de desbetreffende stukken opgestuurd. Hiermee is echter niet bewezen dat appellante de betreffende aanvraag op 10 mei 2002, zoals appellante stelt, of in ieder geval binnen de aanvraagperiode heeft ingediend.

Bij de beoordeling van dit geschil dient dan ook te worden uitgegaan van 1 augustus 2002 als ontvangstdatum van (een kopie van) de gecombineerde opgave en de daarbij horende stukken ten behoeve van de aanvraag oppervlakten. Het College kan derhalve slechts constateren dat appellante haar aanvraag niet tijdig heeft ingediend. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 8, derde lid, van de Regeling kon verweerder niet ander beslissen dan de aanvraag af te wijzen. Dat verweerder in plaats daarvan de aanvraag niet ontvankelijk heeft verklaard beschouwt het College als een technische onvolkomenheid. Het College ziet geen aanleiding om het bestreden besluit op grond van dit gebrek te vernietigen. Het gaat hier immers om een gebrek van het bestreden besluit zonder enige betekenis en waardoor appellante op geen enkele wijze in zijn belangen is geschaad.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van overmacht of bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 2419/2001.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz