Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO5970

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/703
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tuchtbeschikking van 13 juni 2003 met kenmerk TPVV 34/2003 heeft het tuchtgerecht aan appellante een maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 13, eerste lid aanhef en onder b, van de Landbouwkwaliteitswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 178 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/703 4 maart 2004

20312 Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, gevestigd te C, appellante van een tuchtbeschikking van 13 juni 2003, gewezen door het Tuchtgerecht Productschap Vee en Vlees, kamer primaire sector (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij tuchtbeschikking van 13 juni 2003 met kenmerk TPVV 34/2003 heeft het tuchtgerecht aan appellante een maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 13, eerste lid aanhef en onder b, van de Landbouwkwaliteitswet.

Bij brief van 25 juni 2003, ingekomen ter griffie op 26 juni 2003, heeft appellante beroep ingesteld tegen de tuchtbeschikking. Bij brief van 15 juli 2003 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 22 januari 2004, alwaar namens appellante zijn verschenen A en B. Van de zijde van het gemeenschappelijk secretariaat van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (hierna: Productschap) zijn voor het verstrekken van inlichtingen ter zitting verschenen mr. R.B.R. Henke en dr. P.C. Vesseur.

2. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het tuchtgerecht bewezen verklaard dat appellante: (a) 424 van de in de periode 1 augustus 2001 tot en met 31 maart 2003 van haar vestiging afgevoerde vleesvarkens niet heeft laten vaccineren tegen de ziekte van Aujeszky en

(b) op haar vestiging 115 maal entingen tegen de ziekte van Aujeszky achterwege heeft gelaten bij zeugen en opfokvarkens.

Het bewezenverklaarde levert naar het oordeel van het tuchtgerecht op overtreding van artikel 2, eerste en derde lid, van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2000 (hierna: Verordening 2000).

Wegens deze overtredingen is appellante als maatregel een geldboete van € 400,- opgelegd.

3. De beoordeling

3.1 Appellante heeft de bewezenverklaarde feiten erkend en ook voor het College staat vast dat het tuchtgerecht terecht tot de bewezenverklaring is gekomen.

Het College stelt vast dat per 30 november 2002 Verordening 2000 is vervangen door de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002 (hierna: Verordening 2002) (PBO-blad SER, 29 november 2002, nummer 74, jaargang 52). Voor zover de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd op of na 30 november 2002, kwalificeert het College, in zoverre met verbetering van de tuchtbeschikking, deze feiten als overtreding van artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening 2002. Voor zover de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd voor 30 november 2002 zijn deze door het tuchtgerecht terecht aangemerkt als overtreding van artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening 2000.

3.2 Appellante stelt dat het biologisch dynamische karakter van haar bedrijf met zich brengt dat op haar bedrijf strenge normen van toepassing zijn die betrekking hebben op het duurzaam veehouden. In het stelsel van biologisch dynamische veehouderij past, zo stelt zij, geen zelfstandige vaccinatie tegen ziekten. Alle handelingen die niet nodig zijn worden achterwege gelaten. Zij betoogt dat zij vanuit dit oogpunt bezien principiële bezwaren heeft tegen de vaccinatieplicht.

Met betrekking tot deze grief stelt het College vast dat artikel 10, eerste lid, van Verordening 2000 (en 2002) voorziet in de mogelijkheid dat de voorzitter van het Productschap Vee en Vlees in bijzondere gevallen ontheffing verleent. Gelet op deze ontheffingsbevoegdheid dient naar het oordeel van het College de beantwoording van de vraag of omstandigheden als door appellante genoemd, grond vormen om haar niet gebonden te achten aan de verplichting haar dieren in te enten dient, primair in het kader van een ontheffingsverzoek plaats te vinden. Appellante heeft geen ontheffing. Evenmin heeft zij een ontheffingsverzoek ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan, de voorzitter van het Productschap Vee en Vlees. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat in de door appellante aangevoerde bijzondere omstandigheden geen grond gevonden kan worden om in het kader van deze tuchtrechtelijke procedure af te zien van het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel.

Meer in het bijzonder overweegt het College hieromtrent nog het volgende. Uit de processtukken blijkt dat appellante zich heeft gewend tot de Gezondheidsdienst voor Dieren en dat deze dienst haar bij brief van 27 januari 2001 heeft laten weten dat er geen mogelijkheden zijn voor ontheffing, behalve in geval van gewetensbezwaren, en dat op grond van een biologisch dynamische bedrijfsfilosofie geen ontheffingen worden afgegeven door het productschap. Appellante heeft op basis van deze informatie kennelijk ervan afgezien daadwerkelijk een verzoek om een ontheffing bij de tot verlening daarvan bevoegde autoriteit, de voorzitter van het Productschap Vee en Vlees, in te dienen. Dat appellante, hoewel op de hoogte gesteld van het feit dat (de voorzitter van) het productschap in dezen de bevoegde instantie is, aldus de gelegenheid onbenut heeft gelaten om langs de daarvoor geëigende weg (het indienen van een ontheffingsverzoek bij het productschap) te laten vaststellen of die voorzitter, dan wel (in beroep) de bestuursrechter al dan niet tot een afwijzende beslissing met betrekking tot dat ontheffingsverzoek zullen komen, moet voor haar rekening en risico blijven.

Dat appellante, zoals zij stelt, verantwoordelijk en verantwoord omgaat met de preventie van dierziekten en deelneemt aan een erkend certificeringssysteem inzake het vrij zijn van de ziekte van Aujeszky, alsook dat op haar bedrijf nooit Aujeszky is geconstateerd, doet evenmin af aan de verplichting tot naleving van de Verordening.

3.3 Appellante betoogt verder dat zij al meer dan tien jaren geen entingen heeft uitgevoerd op haar bedrijf, hetgeen bekend is bij alle organisaties en instellingen die betrokken zijn bij de preventie en bestrijding van dierziekten. Volgens appellante is deze situatie al die tijd gedoogd en mocht zij erop vertrouwen dat niet alsnog handhavend zou worden opgetreden.

Van de zijde van het Productschap is dienaangaande ter zitting uiteengezet dat van een bewust gedogen door het Productschap geen sprake is geweest. Het Productschap heeft, nadat het in 2000 de taken en regelgeving van het Landbouwschap inzake de bestrijding van de ziekte van Aujeszky had overgenomen, om redenen van capaciteit ervoor gekozen eerst handhavend op te treden tegen grote overtreders. Gelet op artikel 9, tweede lid, van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (Pb. 1964, P 121, blz. 1977-2012), is Nederland bij beschikking 2001/905/EG van de Commissie van 18 december 2001 (Pb. 2001, L 335, blz. 22), geplaatst op de lijst van gebieden waar goedgekeurde ziektebestrijdingsprogramma's worden uitgevoerd. In het streven te behoren tot een gebied dat uiteindelijk vrij zal zijn van de ziekte van Aujeszky, heeft het Productschap extra reden gezien handhavend op te treden.

Onder deze omstandigheden kan appellante aan het feit dat niet eerder handhavend bij haar was opgetreden niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat niet (meer) handhavend zou worden opgetreden, zodat haar betoog faalt. Overigens heeft het tuchtgerecht blijkens de tuchtbeschikking bij het opleggen van de maatregel rekening gehouden met het feit dat tegen haar overtreden van de onderhavige regeling gedurende langere tijd niet is opgetreden. Het College ziet geen grond hierover anders te oordelen.

3.4 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

Deze uitspraak berust op artikel 13 en artikel 2, eerste en derde lid, van Verordening 2000, artikel 13 en artikel 2, eerste derde lid, van Verordening 2002, titel IV van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie en artikel 13, eerste lid aanhef en onder b, van de Landbouwkwaliteitswet.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. C.J. Borman en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2004.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp