Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO5895

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/863
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2002 heeft verweerder appellant voederareaal toegekend, doch hem geen subsidie krachtens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen verleend.

Bij besluit van 7 juli 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 03/863 6 februari 2004

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. K.J.H. Terwal en drs. B.M. Vogt, beide werkzaam bij LASER,

1. Het procesverloop

Bij besluit van 16 december 2002 heeft verweerder appellant voederareaal toegekend, doch hem geen subsidie krachtens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen verleend.

Bij besluit van 7 juli 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 juli 2003, bij het College binnengekomen op 29 juli 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 14 januari 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar appellant, in persoon en bijgestaan door L. van Baaren, en verweerder bij monde van zijn gemachtigden, hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Artikel 3 van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen bepaalt dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen jaarlijks subsidie verstrekt ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig verordening (EG) nr. 1251/1999, verordening (EG) nr. 3508/92, verordening (EG) nr. 2419/2001, verordening (EG) nr. 2316/1999, verordening (EG) nr. 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van verordening (EG) nr. 1251/1999 opgestelde regioplan.

2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant die zijn gericht tegen het feit dat hem voor vier percelen geen akkerbouwsubsidie is verleend, ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de registratie van deze percelen als voederareaal is gebaseerd op de Aanvraag oppervlakten die appellant zelf heeft ingediend. In die aanvraag is aan de vier betrokken percelen de bijdragecode van voederareaal toegekend, waarvoor geen akkerbouwsubsidie wordt verleend. Nu de indieningsperiode van de aanvraag is verstreken, zou de aanvraag volgens verweerder in dit geval alleen kunnen worden gewijzigd als sprake is van een kennelijke fout in de aanvraag. De vergissing die appellant heeft gemaakt door de bijdragecode van voederareaal in te vullen in plaats van de bijdragecode van maïs, is volgens verweerder geen kennelijke fout.

2.3 Appellant voert aan dat de vergissing is te wijten aan de grote complexiteit van het aanvraagformulier voor de zogeheten Gecombineerde opgave 2002, waarvan de Aanvraag oppervlakten deel uitmaakt. Ter zitting heeft hij in dit verband gewezen op de lijst met errata voor de Gecombineerde opgave 2002, die verweerder heeft verspreid. Verder voert hij aan dat hij geen voordeel heeft gehad bij de vergissing en dat het van verweerder niet redelijk is hem aan zijn aanvraag te houden, terwijl zijn bedoeling duidelijk een andere was. In dat verband wijst hij erop dat hij in de aanvragen voor voorgaande jaren steeds de bijdragecode van maïs en niet die van voederareaal aan zijn percelen heeft toegekend, en dat hij ook steeds alleen landbouwpremie heeft aangevraagd en gekregen, terwijl hij nog nooit dierlijke premies heeft aangevraagd.

2.4 Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht als uitgangspunt genomen dat aan het bezwaar van appellant slechts tegemoet kan worden gekomen, als hij bij het invullen van de Aanvraag oppervlakten een kennelijke fout heeft gemaakt. Uit artikel 12 van verordening (EG) nr. 2419/2001 volgt namelijk dat in dat geval ook na afloop van de uiterste indieningsdatum de aanvraag kan worden gewijzigd. Het zou in strijd zijn met de verordening als de aanvraag na de uiterste indieningsdatum zou worden gewijzigd vanwege een vergissing die geen kennelijke fout is, hoe begrijpelijk ook de omstandigheden waaronder die vergissing is begaan en ook al heeft appellant daarvan geen voordeel gehad. Daarbij merkt het College op dat niet is gebleken dat de lijst van errata waarnaar appellant verwijst, betrekking had op de vergissing die hier aan de orde is.

2.5 Van een kennelijke fout is in dit geval alleen sprake als aan de hand van de Aanvraag oppervlakten zelf al objectief kan worden vastgesteld dat de aanvankelijk gedane opgave niet juist kan zijn. Reeds om die reden zou een vergelijking met eerdere aanvragen waarop appellant doelt, er niet toe kunnen leiden dat een opgave in de Aanvraag oppervlakten als een kennelijke fout moet worden aangemerkt. Het College stelt vast dat de bijdragecode voor voederareaal niet in tegenspraak met andere gegevens uit de aanvraag moet worden geoordeeld. Ter zitting is namelijk gebleken dat appellant in de Gecombineerde opgave 2002 dieren heeft opgegeven waarvoor voederareaal nodig kan zijn om in aanmerking te komen voor dierlijke premies als bedoeld in Verordening 1254/1999, zodat de opgave van voederareaal in de Aanvraag oppervlakten op zichzelf niet onbegrijpelijk was. Voorzover appellant ter zitting erop heeft gewezen dat hij, gezien het beschikbare melkquotum, niet de mogelijkheid had om dieren te houden waarvoor voederareaal nodig was, stelt het College vast dat verweerder deze conclusie pas had kunnen trekken na een - inhoudelijke - beoordeling van de aanvraag die een verdergaand onderzoek door verweerder vereist dan op dit punt van hem kan worden gevergd. Gezien het voorgaande is de vermelding van voederareaal in de aanvraag geen kennelijke fout en is verweerder bij de beoordeling van de aanvraag terecht uitgegaan van de gegevens die daarin zijn vermeld.

2.6 Uit het voorgaande volgt dat het College het beroep ongegrond verklaart.

2.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.B.L. van der Weele