Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO5739

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
03/1394 (8:29)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij een op 17 november 2003 ter griffie ingekomen verzoekschrift hebben verzoeksters de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het uitblijven van een (nieuw) besluit van verweerder met betrekking tot de bezwaarschriften van verzoeksters van 31 maart 1999, 12 april 1999 en 27 april 1999 terzake van 22 besluiten van verweerder van 19 februari 1999, 5 maart 1999, 12 maart 1999 en 19 maart 1999. Bedoelde besluiten hebben betrekking op niet-landbouwbestrijdingsmiddelen op basis van, onder meer, de werkzame stof koperoxide en strekken onder meer tot wijziging van het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing van bedoelde middelen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 03/1394 13 januari 2004

32010

Uitspraak op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

1. International Paint (Nederland) B.V., te Rhoon, en

2. Akzo Nobel Coatings B.V., te Sassenheim,

verzoeksters,

gemachtigden: mr.drs. C.J.M. Stubenrouch, advocaat te Rotterdam en mr. M.J. Osse, advocaat te Brussel,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

1. Bij een op 17 november 2003 ter griffie ingekomen verzoekschrift hebben verzoeksters de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen naar aanleiding van het uitblijven van een (nieuw) besluit van verweerder met betrekking tot de bezwaarschriften van verzoeksters van 31 maart 1999, 12 april 1999 en 27 april 1999 terzake van 22 besluiten van verweerder van 19 februari 1999, 5 maart 1999, 12 maart 1999 en 19 maart 1999. Bedoelde besluiten hebben betrekking op niet-landbouwbestrijdingsmiddelen op basis van, onder meer, de werkzame stof koperoxide en strekken onder meer tot wijziging van het wettelijk gebruiksvoorschrift en de gebruiksaanwijzing van bedoelde middelen.

2. Op 3 december 2003 heeft verweerder schriftelijk gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening. Daarbij heeft verweerder te kennen gegeven dat een beslissing op het bezwaarschrift van verzoeksters niet meer in het jaar 2003 valt te verwachten om reden dat een door verweerder ingezette procedure tot notificatie van het voornemen om het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen analoog toe te passen op de onderhavige antifouling verven nog niet is afgerond. Ter ondersteuning van deze mededeling heeft verweerder een afschrift overgelegd van een uit hoofde van artikel 9, tweede lid, van richtlijn 98/34/EG van 22 juni 1998 uitgebrachte, uitvoerig gemotiveerde mening van de Commissie met betrekking tot voornoemd voornemen tot notificatie. Bedoeld stuk draagt het kenmerk: SG(2003) D/52261, Richtlijn 98/34/EG, Kennisgeving: 2003/0201/NL.

Verweerder heeft, met een beroep op het bepaalde bij artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van dit stuk.

3. Bij brief van 12 december 2003 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover die nog niet in het bezit van het College waren, aan het College doen toekomen. Het betreft een viertal produkties. Verweerder heeft het College verzocht deze produkties met toepassing van artikel 8:29 Awb niet aan verzoeksters of derden ter hand te stellen.

4. Desgevraagd heeft verweerder te kennen gegeven dat voornoemd verzoek van 12 december 2003 voor zover het betreft produktie 1 - die op zichzelf weer uit verschillende onderdelen bestaat - uitsluitend betrekking heeft op het uit twee pagina's bestaande stuk met de titel "Bericht van kennisgeving (16- puntenlijst) ter notificatie van een ontwerp van een technisch voorschrift conform richtlijn 98/34/EG zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG". De voorzieningenrechter vat het verzoek van verweerder van 12 december 2003 derhalve aldus op dat door verweerder beperking van de kennisneming wordt gevraagd ten aanzien van voornoemd stuk, alsmede ten aanzien van de overige op die datum ingezonden produkties, te weten Mededeling van de Commissie SG(2003) D/51254, Richtlijn 98/34/EG, Kennisgeving: 2003/0201/NL (produktie 2); Mededeling van de Commissie SG(2003) D/51775, Richtlijn 98/34/EG, vertaling van het bericht 103,

Kennisgeving: 2003/0201/NL, (produktie 3) en Mededeling van de Commissie SG(2003) D/51737, Richtlijn 98/34/EG, Kennisgeving: 2003/0201/NL (produktie 4).

5. Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, kan een partij bij het overleggen van stukken het College mededelen dat uitsluitend het College van die stukken kennis zal mogen nemen. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat het College beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

6. Ter beoordeling staat derhalve thans de vraag of de namens verweerder gevraagde beperking van de kennisneming in die zin dat alleen (de voorzieningenrechter) van het College hiervan kennis zal mogen nemen, gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter, evengenoemd artikel 8:29 Awb in een geval als het onderhavige van overeenkomstige toepassing achtend, overweegt omtrent deze vraag als volgt.

7. Een beslissing als hier aan de orde vergt doorgaans een afweging van belangen. Enerzijds zijn daarbij aan de orde het belang dat partijen over en weer gelijkelijk beschikken over de voor de beslechting van het geschil relevante informatie, alsmede het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt daarbij het belang dat bepaalde informatie, zoals bijvoorbeeld informatie die van een derde afkomstig is, niet, althans niet zonder voorafgaande toestemming van die derde, openbaar wordt.

Dit laatste belang heeft voor een geval als het onderhavige specifieke regeling gevonden in de ter uitvoering van artikel 255, tweede lid, EG vastgestelde Verordening 1049/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (Pb 2001, L 145, blz. 43; hierna: verordening). Artikel 5 van de verordening bepaalt dat indien van een lidstaat een document wordt gevraagd dat hij in zijn bezit heeft en dat van een instelling afkomstig is, hij de betrokken instelling raadpleegt om een besluit te kunnen nemen waardoor het doel van de verordening niet in gevaar komt - tenzij het duidelijk is dat het document wel of niet wordt vrijgegeven.

Nu het verzoek van verweerder van 3 december 2003 betrekking heeft op een document dat afkomstig is van de Commissie en ook de produkties 2, 3 en 4 waarop het verzoek van 12 december 2003 betrekking heeft documenten behelzen die afkomstig zijn van de Commissie, terwijl thans - nu (nog) geen antwoord is ontvangen op brieven van de voorzieningenrechter ter zake aan de Commissie - duidelijkheid in vorenbedoelde zin nog ontbreekt, dient de vraag of beperking van de kennisneming van deze documenten in die zin dat alleen (de voorzieningenrechter) van het College hiervan kennis zal mogen nemen gerechtvaardigd is gelet op artikel 5 van de verordening naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevestigend te worden beantwoord.

Het verzoek van 12 december 2003, voor zover betrekking hebbende op het "Bericht van kennisgeving (16-puntenlijst) ter notificatie van een ontwerp van een technisch voorschrift conform richtlijn 98/34/EG zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG", komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens voor inwilliging in aanmerking. Hoewel dit stuk niet van een instelling als hiervoor bedoeld afkomstig is, acht de voorzieningenrechter beperking van de kennisneming als door verweerder gevraagd evenzeer gerechtvaardigd, nu dit stuk door verweerder is overgelegd in een procedure ter notificatie van een technisch voorschrift, van die procedure thans deel uitmaakt en die procedure nog niet is afgerond.

Gelet op de hierna te geven beslissing zal, gelet op het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, aan verzoeksters worden gevraagd of zij er in toestemmen dat de voorzieningenrechter (mede) op grond van nagenoemde niet aan hen toegezonden stukken zal beslissen over het voorliggende verzoek.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter beslist dat beperking van de kennisneming in die zin dat alleen de voorzieningenrechter van het College hiervan kennis zal mogen nemen, gerechtvaardigd is van:

- de Mededeling van de Commissie met het kenmerk SG(2003) D/52261;

- het "Bericht van kennisgeving (16- puntenlijst) ter notificatie van een ontwerp van een technisch voorschrift

conform richtlijn 98/34/EG zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG";

- de Mededeling van de Commissie met het kenmerk SG(2003) D/51254;

- de Mededeling van de Commissie met het kenmerk SG(2003) D/51775;

- de Mededeling van de Commissie met het kenmerk SG(2003) D/51737.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2004.

w.g. R.R. Winter w.g. M.J. van den Broek