Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO4665

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-01-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
AWB 02/353
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 02/353 29 januari 2004

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 21 december 2001,

gemachtigde: mr. E. Hermsen, advocaat te Veldhoven.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 21 december 2001, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op dezelfde dag genomen beslissing op een door appellant op 10 december 2000 tegen C RA (hierna: betrokkene) ingediende klacht.

Bij een op 21 februari 2002 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 29 maart 2002 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 23 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F. Waardenburg, advocaat te 's-Gravenhage.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 Betrokkene is zijn contractuele verplichting de jaarstukken 1998 op te maken niet nagekomen. Appellant heeft aan betrokkene alle hiervoor benodigde stukken ter beschikking gesteld. Wanneer betrokkene de hem ter beschikking staande stukken niet voldoende had gevonden, had hij de nog ontbrekende stukken schriftelijk op moeten vragen. Nu hij dat heeft nagelaten had de Raad van Tucht moeten oordelen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

4.2 Betrokkene heeft onder druk en dwang gelden van de belastingdienst op zijn rekening laten binnenkomen en heeft nooit toestemming gekregen voor de verrekening van de gerestitueerde belastinggelden. Een deel van de vorderingen is betwist. Appellant is door zowel betrokkene als de voorgaande accountant onder druk gezet door een oneigenlijk beroep op het retentierecht.

4.3 Appellant betwist de hoogte van de declaraties van betrokkene. De raad van tucht had hierover uitspraak moeten doen. De betreffende nota's zijn nooit naar behoren gespecificeerd. De accountantswerkzaamheden van betrokkene, waarop de nota van I B.V. ziet, hebben niets ingehouden. Deze nota is bovendien dubbel betaald, eenmaal door verrekening met de op de rekening van het kantoor van betrokkene gestorte belastingteruggave en eenmaal uit de opbrengst van de door C BV verkochte stacaravans.

4.4 Hoewel de raad van tucht wel tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen zag in de handelwijze van betrokkene bij de aankoop van de stacaravans, en de verrekening van de declaraties van betrokkene met de bedrijfsmiddelen van appellant, heeft hij op dit punt geen oordeel gegeven. De raad had de klacht ambtshalve moeten uitbreiden. Nu dat niet is gebeurd, dient het College dit na vernietiging van de uitspraak alsnog te doen.

4.5 Appellant stelt dat de handtekening onder de verklaring waarbij hij drie caravans voor ƒ 25.000,-- aan betrokkene zou hebben verkocht vervalst is. Appellant verzoekt het College zonodig een nader handtekeningenonderzoek in te stellen. De caravans vertegenwoordigden een waarde van ƒ 80.000,-- à ƒ 90.000,-- en zijn door betrokkene verhuurd met een huuropbrenst van ongeveer ƒ 30.000,-- , voor welk bedrag appellants inkomen en ook de waarde van de caravans is verminderd. Voorts heeft betrokkene van gelden van derden, die bij hem waren binnengekomen en bestemd waren voor appellant, een bedrag betaald aan V (welk bedrag reeds was betaald), voor betaling waarvan appellant in het geheel geen toestemming heeft gegeven. Dat het handelen van betrokkene onzorgvuldig is geweest blijkt ook uit de brief van het Bureau Financiële Ondersteuning van de politie (BFO). Voorzover mogelijk dient het College te bepalen dat betrokkene meewerkt aan een verder onderzoek door het BFO.

5. De beoordeling

5.1 Met het eerste middel heeft appellant willen betogen dat de raad de omstandigheid dat betrokkene niet schriftelijk om de voor de opstelling van de jaarstukken 1998 benodigde en ontbrekende bescheiden heeft verzocht, ten onrechte niet aan betrokkene heeft tegengeworpen. Het College volgt dat betoog niet. Uit de toepasselijke regelgeving kan een verplichting in die zin voor de betrokken accountant niet worden afgeleid. Ieder aanknopingspunt voor het oordeel dat betrokkene onzorgvuldig tewerk is gegaan bij zijn pogingen de hem nog benodigde bescheiden te vergaren ontbreekt voorts. De vaststelling dat betrokkene blijkens de stukken, ondanks herhaalde verzoeken aan appellant, niet over de benodigde bescheiden beschikte, is niet onjuist gebleken. De raad is gelet hierop terecht tot het oordeel gekomen dat betrokkene onder deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van het niet afronden van de jaarstukken. Het eerste middel faalt derhalve.

5.2 Appellant heeft zijn stelling dat hij geen toestemming heeft gegeven om de belastingrestitutie op de kantoorrekening van betrokkene te laten overmaken en hieruit diverse schulden te voldoen op geen enkele wijze met bewijzen onderbouwd. Het verweer van betrokkene dat appellant zelf hierom had verzocht omdat hij beslag op zijn eigen bank- of girorekening vreesde alsmede dat een dergelijke restitutie niet op andermans rekening geschiedt zonder deugdelijke machtiging komt het College niet onaannemelijk voor. Van gebruik of oneigenlijk gebruik van het retentierecht door betrokkene is het College niet gebleken. Wat betreft het aanwenden van het ontvangen bedrag ter voldoening van vorderingen op appellant heeft de raad van tucht terecht verwezen naar de regeling die klager met zijn advocaat, betrokkene en de voorgaande accountant is overeengekomen. Appellant heeft niet met bewijzen onderbouwd waarom betrokkene hierop niet had mogen afgaan. Ten aanzien van zijn algemeen geformuleerde stelling dat hij (de hoogte van) diverse vorderingen betwist, stelt het College vast dat appellant op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij dit indertijd ook aan betrokkene heeft kenbaar gemaakt. Nu de raad van tucht deze klacht terecht ongegrond heeft verklaard faalt ook het tweede middel.

5.3 Het derde middel betreft de hoogte van de door betrokkene ingediende declaraties. Naar vaste jurisprudentie van het College (uitspraak van 25 juli 2003, AWB 02/1681, op internet te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN nummer AI 1140), kan hierover in het kader van een tuchtrechtelijke procedure alleen met vrucht worden geklaagd, indien betrokkene bij het opstellen en indienen van de declaraties zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid heeft gehandeld, dat daardoor de eer van de stand van de registeraccountants is geschaad of anderszins is gehandeld in strijd met de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR 1994). Betrokkene heeft in de procedure bij de raad van tucht onbetwist gesteld dat hij aan appellant en aan zijn advocaat een volledige specificatie van zijn werkzaamheden heeft doen toekomen. Appellant heeft hier tegenovergesteld dat de werkzaamheden van betrokkene niets hebben ingehouden. Het College heeft, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet kunnen vaststellen dat betrokkene declaraties heeft verzonden terzake van niet verrichte of overbodige werkzaamheden. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door betrokkene is dus niet gebleken. Het College komt in het bestek van de onderhavige tuchtprocedure niet de bevoegdheid toekomt om bindende uitspraken te doen over de hoogte van facturen. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de Raad voor Geschillen van het Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) en de burgerlijke rechter. De door appellant bij de raad van tucht aangevoerde bezwaren zijn terecht ongegrond verklaard zodat het derde middel derhalve eveneens faalt.

5.4 Het vierde middel heeft betrekking op de overweging van de raad van tucht dat betrokkene had behoren af te zien van het aangaan van een koopovereenkomst met zijn cliënt, aangezien het naar het oordeel van de raad van tucht niet in overeenstemming is met de eer van de stand der Registeraccountants indien een accountant zich - zoals in casu - voor zijn openstaande declaraties door zijn cliënt laat betalen met bedrijfsmiddelen van die cliënt. De raad van tucht heeft hierover geen beslissing gegeven, omdat de klacht zich niet tegen dit feit richtte.

Het middel houdt in dat de raad van tucht de klacht ambtshalve had kunnen en moeten uitbreiden.

Het College overweegt dienaangaande allereerst dat artikel 40, eerste lid, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: de Wet) bepaalt dat de raad van tucht een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar in behandeling neemt hetzij op een bij de raad ingediende klacht, hetzij op verzoek van het bestuur, hetzij ambtshalve, en dat de raad van tucht van het in behandeling nemen van een bezwaar onverwijld kennis geeft aan de betrokken registeraccountant onder vermelding van het bezwaar.

Het College stelt vervolgens vast dat appellant niet is opgekomen tegen het oordeel van de raad van tucht dat de klacht van appellant zich niet richtte tegen de door de raad gewraakte handelwijze van betrokkene.

Zoals appellant terecht heeft opgemerkt had de raad van tucht ambtshalve een tegen betrokkene gerezen bezwaar in behandeling kunnen nemen. De uitspraak van de raad van tucht moet aldus worden begrepen dat deze daartoe klaarblijkelijk geen aanleiding heeft gezien. Daartegen staat geen rechtsmiddel voor de oorspronkelijke klager open. Artikel 52, eerste lid, van de Wet bepaalt immers dat beroep kan worden ingesteld door de klager, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. Die situatie is, wat dit onderdeel betreft, niet aan de orde. Voor een uitbreiding van het beroepsrecht van klager tot onderdelen die buiten zijn klacht liggen, bestaat geen aanleiding, zodat ook dit middel faalt.

5.5 Het vijfde middel betreft de klacht dat betrokkene een valse handtekening heeft gezet onder de koopovereenkomst van de vier caravans en nu - overigens in een te laat stadium van de procedure - ook onder de kwitantie van 26 april 1999. Deze stellingen heeft appellant op geen enkele wijze met bewijsstukken of zelfs maar concrete aanwijzingen onderbouwd zodat niet is gebleken dat sprake is van een valse handtekening laat staan dat zou zijn gebleken dat terzake enig tuchtrechtelijk verwijt aan betrokkene zou kunnen worden gemaakt. Gelet hierop ziet het College geen aanleiding voor het door appellant voorgestelde nader handtekeningenonderzoek Ook het vijfde middel faalt.

5.6 Het verzoek te bepalen dat betrokkene dient mee te werken aan een nader onderzoek door BFO dient te worden afgewezen aangezien het College daartoe niet bevoegd is. Overigens blijkt uit de stellingen van appellant in het geheel niet dat sprake is van een dergelijk onderzoek.

5.7 Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep te worden verworpen.

5.8 Deze beslissing is gebaseerd op titel II, paragraaf 6, Wet op de Registeraccountants en op hoofdstuk II van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994.

6. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004.

w.g. J.A. Hagen w.g. A. Bruining

892/00.53

DE RAAD VAN TUCHT VOOR REGISTERACCOUNTANTS

EN ACCOUNTANTS-ADMINISTRATIECONSULENTEN

TE 'S-GRAVENHAGE

heeft de volgende uitspraak gedaan inzake de klacht van:

A

wonende te B

klager

C O N T R A:

C RA

kantoorhoudende te B

betrokkene

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

- Bij brief van 10 december 2000 heeft klager een klacht ingediend tegen betrokkene. Deze heeft zich verweerd bij brief van 15 februari 2001. Daarna heeft klager gerepliceerd bij brief van 23 maart 2001 en heeft betrokkene gedupliceerd bij brief van 28 mei 2001.

- De zaak is behandeld ter openbare zitting van de Raad van 8 oktober 2001, alwaar klager is verschenen, bijgestaan door mevrouw D, alsmede betrokkene.

DE VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de schriftelijke stukkenwisseling en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten:

1. Klager heeft in de vorm van een éénmanszaak een bedrijf, waarin hij stacaravans en vakantiebungalows verhuurt.

2. Klager heeft betrokkene met ingang van 14 september 1998 opdracht verleend tot het verrichten van accountantswerkzaamheden, waaronder het opstellen van de jaarstukken van klagers onderneming, het verzorgen van aangifte Inkomstenbelasting en het bijwerken van de administratie per kwartaal met bijbehorende werkzaamheden, alsmede het verzorgen van de aangifte Omzetbelasting.

3. De opdracht is door betrokkene schriftelijk bevestigd bij brief van 23 september 1998, welke door klager voor akkoord is ondertekend.

4. Klager liet zijn accountancybelangen tot september 1998 behartigen door E RA, kantoorhoudende te K.

5. Ten tijde van de opdrachtaanvaarding door betrokkene had klager meerdere schulden, waaronder een schuld aan zijn vorige accountant, aan zijn advocaat en aan andere zakelijke relaties.

6. Ingevolge een aan betrokkene verleende volmacht heeft betrokkene op twee tijdstippen februari en maart 1999 belastingrestituties ten behoeve van klager geïncasseerd tot een bedrag van f 118.139,--.

Daaruit heeft betrokkene diverse schulden van klager voldaan tot een totaalbedrag van f 127.536,30, zodat (het kantoor van) betrokkene nog f 9.397,30 te vorderen overhield. Daarnaast had betrokkene van klager ter zake van zijn facturen voor verrichte werkzaamheden een bedrag van omstreeks f 13.496,-- te vorderen.

7. Betrokkene heeft klager bijgestaan in diverse aangelegenheden, waaronder geschillen met campingeigenaren in F en in G en bij de oplevering van een in opdracht van klager gebouwde woning.

8. Betrokkene heeft de samenstelling van de jaarstukken 1998 niet afgerond. Betrokkene beschikte niet over alle daarvoor benodigde gegevens.

9. Bij schriftelijk overeenkomst van 11 maart 1999 heeft een vennootschap van betrokkene, C B.V. , vier stacaravans van klager gekocht voor een koopsom van f 25.000,--. Op de betreffende caravans rustte een beslag van de campingeigenaar. De betaling van de koopsom, welke bij afzonderlijke schriftelijke verklaring van 26 april 1999 door klager is bevestigd, vond plaats doordien C B.V. aan de eigenaar van camping H in F een bedrag van f 9.200,-- heeft betaald. Voorts heeft C B.V. aan het accountantskantoor van betrokkene, I Accountants Belastingadviseurs, een bedrag van f 13.496,09 ter zake van openstaande declaraties betaald en tenslotte voor transportkosten van de caravans f 4.582,50. Als gevolg van de betaling aan de campingeigenaar is het beslag opgeheven.

10. Tussen betrokkene en klager is overeengekomen dat klager het recht had de betreffende caravans terug te kopen voor hetzelfde bedrag. Betrokkene heeft klager herhaaldelijk aangeboden de caravans terug te kopen. Daarvan heeft klager geen gebruik gemaakt. Uiteindelijk heeft betrokkene op 26 januari 2000 drie caravans aan een derde verkocht voor f 30.000,--. De vierde caravan is door en voor rekening van klager verkocht aan een derde voor f 17.625,--. Betrokkene heeft het meerdere van de opbrengst boven hetgeen klager aan hem verschuldigd was aan klager betaald.

11. Klager heeft de opdracht aan betrokkene ingetrokken op 28 december 1999.

12. Bij brief van 10 maart 2000 heeft betrokkene op eerste verzoek de in zijn bezit zijnde bescheiden van klager aan de opvolgende accountant, J RA, gezonden.

DE KLACHT

De klacht betreft de volgende verwijten:

a. het niet nakomen van accountantswerkzaamheden die schriftelijk overeengekomen waren, nl. de jaarstukken 1998;

b. het onder druk en dwang gelden van de belastingdienst laten binnenkomen, en deze te beheren, zonder toestemming of opdracht en zonder met klager te overleggen;

c. betrokkene heeft een valse verklaring gemaakt voor de verkoop van drie caravans van klager die hij voor f 25.000,-- aan betrokkene verkocht zou hebben, waarbij deze een valse handtekening, waarschijnlijk een gescande handtekening geplaatst heeft. De waarde is f 80.000,-- à f 90.000,--.

Deze caravans, die betrokkene ingenomen heeft inclusief inventaris, heeft betrokkene verhuurd met een huuropbrengst van ongeveer f 30.000,--.

Klagers hiervan afhankelijk inkomen is hierdoor f 30.000,-- per jaar minder, en de waarde van de caravans is verminderd;

d. betrokkene heeft andere belanghebbenden negatief beïnvloed, o.a. banken. In deze is betrokkene niet onpartijdig geweest;

e. het niet afgeven of achterhouden van persoonlijke boekhoudkundige stukken;

HET VERWEER VAN BETROKKENE

Betrokkene heeft tot zijn verweer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

1. Betrokkene heeft de door klager verstrekte opdracht schriftelijk bevestigd op 23 september 1998. Betrokkene heeft, alvorens de opdracht te aanvaarden, collegiaal overleg gevoerd met zijn voorganger, E RA, alsmede met klagers toenmalige advocaat.

2. De jaarstukken 1998 zijn niet opgemaakt door toedoen van klager, die ondanks herhaalde verzoeken niet alle benodigde bescheiden aanleverde, zoals bankafschriften en in- en verkoopfacturen.

3. Op verzoek van klager zijn in januari 1999 de door klager te ontvangen belastingteruggaven overgemaakt naar de bankrekening van betrokkenes kantoor. Klager vreesde voor beslaglegging op zijn eigen bankrekeningen. Van de door de fiscus betaalde bedragen zijn de belangrijkste schuldeisers van klager voldaan. Betrokkene heeft daarvan verantwoording afgelegd. Uit de verantwoording blijkt dat betrokkene f 118.139,-- heeft ontvangen en f 127.536,30 aan schuldeisers heeft betaald. Betrokkene hield per saldo een bedrag van f 9.397,30 te vorderen. Daarnaast had betrokkene ter zake van facturen op dat moment f 13.496,-- van klager te vorderen.

Betrokkene heeft klager nooit gedwongen iets te doen. Betrokkene heeft verwezen naar een brief van klager van 17 september 1998 aan de vorige accountant E RA, waarin klager bevestigde dat met betrokkene en genoemde E is afgesproken dat de kosten van laatstgenoemde verrekend konden worden met de belastingteruggave.

4. De beschuldiging van het vervalsen van klagers handtekening onder de koopovereenkomst van de caravans berust volgens betrokkene op geen enkele grond. Klager heeft na de totstandkoming van de koopovereenkomst op 26 april 1999 schriftelijk kwijting voor de betaling van de koopsom verleend.

Op de caravans was op 9 november 1998 beslag gelegd door de campingeigenaar. Omdat klager op dat moment niet beschikte over middelen om de campingeigenaar te betalen ten einde het beslag te laten opheffen, heeft betrokkene mede ter oplossing van dit geschil middelen ter beschikking gesteld, zijnde de koopsom van de caravans. Betrokkene heeft met klager afgesproken dat hij de caravans kon terugkopen.

Betrokkene heeft de waarde van de caravans laten taxeren, waarvan een taxatierapport is uitgebracht.

Betrokkene heeft geen inkomsten uit caravans genoten. Voor zover de caravans op de camping in G zijn verhuurd, is dit door klager gedaan en heeft klager de huurpenningen ervan ontvangen.

Betrokkene heeft klager herhaaldelijk aangeboden de caravans terug te kopen. Betrokkene heeft ook aan klagers raadsman te kennen gegeven dat klager de gelegenheid had de caravans terug te kopen.

Daarop reageerde klager niet, waarna betrokkene de caravans op 26 januari 2000 heeft verkocht.

5. Betrokkene heeft betwist dat hij belanghebbenden zoals banken negatief beïnvloed zou hebben en dat hij onpartijdig zou zijn geweest.

6. Betrokkene heeft alle in zijn bezit zijnde boekhoudkundige bescheiden op verzoek van klager op 10 maart 2000 aan betrokkenes opvolger gezonden. De administratieve bescheiden waren niet compleet, zoals ook aan de opvolger werd meegedeeld.

DE BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klachtonderdeel a.

1. Betrokkene heeft onweersproken gesteld dat hij de jaarstukken 1998 niet kon afronden door de omstandigheid dat de benodigde bescheiden niet alle aanwezig waren ondanks herhaalde verzoeken aan klager. De Raad oordeelt dat betrokkene onder deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van het niet afronden van die jaarstukken.

Klachtonderdeel b.

2. Onderdeel b. van de klacht is gebleken betrekking te hebben op een regeling welke klager in samenspraak met zijn advocaat, betrokkene en de voorgaande accountant E RA te K heeft getroffen met betrekking tot de incasso en het aanwenden van een belastingrestitutie ter grootte van f 118.139,-- Het betreffende bedrag is door betrokkene op twee data in februari en maart 1999 ontvangen. Deze heeft daaruit onder meer bedragen aan E voornoemd betaald ter zake van diens openstaande declaraties.

Gelet op de beschreven wijze van totstandkoming van de regeling en de betwisting van betrokkene is niet aannemelijk geworden dat klager door betrokkene onder druk is gezet om de betreffende regeling te treffen en evenmin dat betrokkene de geïncasseerde gelden zonder toestemming of opdracht van klager heeft beheerd.

Klachtonderdeel c.

3. Klachtonderdeel c. behelst in het bijzonder het verwijt dat betrokkene een valse handtekening zou hebben geplaatst onder de koopovereenkomst betreffende de caravans en dat betrokkene de betreffende caravans in de zomer van 2000 verhuurd zou hebben, waardoor klager f 30.000,-- minder inkomsten heeft genoten.

Tegenover dit verwijt heeft betrokkene uitdrukkelijk ontkend dat klagers handtekening onder de koopovereenkomst vervalst is. Bovendien heeft betrokkene in dit verband gewezen op de kwijtingsverklaring van 26 april 1999. Op dat stuk is - kennelijk door klager - met de hand geschreven "B, 26 april 1999", alsmede "A" en klagers handtekening. De ondertekening van deze kwijtingsverklaring is niet door klager weersproken.

Klager heeft, tegenover het verweer van betrokkene, nagelaten zijn stelling dat er sprake is van een valse handtekening onder de koopovereenkomst, nader te onderbouwen of aan te tonen.

Klagers stelling is dan ook niet aannemelijk gemaakt.

Voorts is de stelling dat betrokkene huurinkomsten uit de caravans heeft genoten door betrokkene weersproken. Betrokkene heeft aangevoerd dat de caravans vanaf de camping in Zeeland zijn getransporteerd naar een camping in Limburg, alwaar klager een of meerdere caravans heeft verhuurd. Klager heeft dit verweer van betrokkene niet weersproken.

De Raad houdt het er daarom voor dat betrokkene geen huurinkomsten uit de betreffende caravans heeft genoten.

Gelet op het voorgaande zijn de in klachtonderdeel c. staande verwijten ongegrond.

4. Niettemin overweegt de Raad dat het vorenstaande ten aanzien van klachtonderdeel c. onverlet laat dat betrokkene had behoren af te zien van het aangaan van een dergelijke koopovereenkomst met zijn cliënt. Het is immers niet in overeenstemming met de eer van de stand der Registeraccountants indien een accountant zich - zoals in casu - voor zijn openstaande declaraties door zijn cliënt laat betalen met bedrijfsmiddelen van die cliënt. Betrokkene heeft erop gewezen dat de transactie ook in het belang van klager was, omdat daarmee het beslag op de caravans kon worden opgeheven en deze naar Limburg vervoerd konden worden. Betrokkene heeft echter ter zitting één en andermaal gesteld dat de aankoop van de caravans een incassomiddel was.

De Raad stelt vast dat de klacht zich niet tegen dit feit richt, zodat de Raad hierover geen beslissing kan geven.

Klachtonderdeel d.

5. Ten aanzien van klachtonderdeel d. overweegt de Raad dat klager zijn verwijt niet met feiten heeft onderbouwd. Dit klachtonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.

6. Het verweer van betrokkene dat hij op 10 maart 2000 alle in zijn bezit zijnde stukken aan de opvolgende accountant heeft afgegeven heeft klager niet weersproken. Derhalve is niet gebleken dat betrokkene in deze verwijtbaar gehandeld heeft.

7. Bij repliek heeft klager bezwaren aangevoerd tegen de declaraties van betrokkene. Hij heeft bedragen berekend welke hij terug te vorderen zou hebben.

Voor zover klager daarmee bedoeld zou hebben deze bezwaren aan de klacht toe te voegen, overweegt de Raad dat het oordeel over de betreffende vordering van klager is voorbehouden aan de burgerlijke rechter.

8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klacht in alle onderdelen ongegrond is.

DE BESLISSING

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratie-consulenten te 's-Gravenhage:

- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gewezen door mr.B.P.H.M. van den Wildenberg, plv. voorzitter, W. de Bruijn RA en drs. H. den Boer RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Rijpstra, adj. secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 21 december 2001 door

mr Th. Groeneveld, plv. voorzitter.

plv. voorzitter adj. secretaris