Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO4507

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 7 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 16 april 2003 van de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2002 van het namens verweerder door de divisiemanager van Bureau Heffingen genomen besluit, waarbij aan appellant de last is opgelegd om artikel 42a van de Meststoffenwet niet langer te overtreden, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.200,- indien niet voor 2 oktober 2002 een rapport van bevindingen aan Bureau Heffingen is opgestuurd of geen bewijs is overgelegd waaruit blijkt dat de overtreding niet is begaan, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/518 26 februari 2004

16001 Meststoffenwet

Bestuursdwang

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. J. de Ruiter, mr. N.G. van Breukelen en mr. W.M.G. Visser, allen werkzaam bij Bureau Heffingen in Assen.

1. De procedure

Op 7 mei 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 16 april 2003 van de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen. Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2002 van het namens verweerder door de divisiemanager van Bureau Heffingen genomen besluit, waarbij aan appellant de last is opgelegd om artikel 42a van de Meststoffenwet niet langer te overtreden, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.200,- indien niet voor 2 oktober 2002 een rapport van bevindingen aan Bureau Heffingen is opgestuurd of geen bewijs is overgelegd waaruit blijkt dat de overtreding niet is begaan, ongegrond verklaard.

Op 11 juli 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 24 juli 2003 heeft het College van verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen.

Bij brief van 12 september 2003 heeft verweerder gereageerd op de vragenbrief van de griffier van het College van 21 augustus 2003.

Op eveneens 12 september 2003 heeft verweerder, onder intrekking van het besluit van

16 april 2003, een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft op 4 december 2003 plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht. Deze zaak is ter zitting gevoegd behandeld met drie vergelijkbare zaken met AWB-nos. 03/504, 03/558 en 03/871.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt:

"1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

3. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

4. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

5. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd."

In hoofdstuk IV van de Meststoffenwet (hierna: Wet) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 42a

1. Bij de aangifte van de heffingen, bedoeld in de titels 1 en 2, wordt een verklaring van een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent overgelegd indien de veebezetting op het bedrijf in het desbetreffende kalenderjaar gemiddeld meer is dan 2,5 grootvee-eenheden per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.

2. De omrekening van dieren van de onderscheiden diercategorieën naar grootvee-eenheden geschiedt overeenkomstig de daarvoor in bijlage A bij deze wet opgenomen normen."

In hoofdstuk VIII van de Wet is onder meer de volgende bepaling opgenomen:

"Artikel 71a

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen."

Artikel 2 van de Regeling accountantswerkzaamheden Meststoffenwet 2000 (Stcrt 2001, 10) luidt als volgt:

"1. De verklaring, bedoeld in artikel 42a, eerste lid, van de wet is een rapport van bevindingen dat wordt opgesteld op basis van de uitkomsten van een onderzoek van de desbetreffende aangifte.

2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats overeenkomstig het Protocol voor de accountantswerkzaamheden in het kader van het mineralenaangiftesysteem 2000, dat is opgenomen in de bijlage bij deze regeling."

De Bijlage Protocol voor de accountantswerkzaamheden in het kader van het mineralenaangiftesysteem 2000 bij de Regeling vaststelling accountantswerkzaamheden mineralenaangiftesysteem Meststoffenwet 2000 luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

"1. Kader

De controle van de in de Meststoffenwet bedoelde mineralenaangifte heeft ten doel vast te stellen of de aangegeven belastbare hoeveelheden juist zijn.

(…)

De uitvoering van de controle op de aangifte en het invulling geven aan de controledoelen komt te liggen bij een drietal instanties namenlijk Bureau Heffingen (BH), de Algemene Inspectiedienst (AID) en de openbare accountant.

De accountantscontrole, bedoeld in artikel 53 van de Meststoffenwet geeft mede invulling aan het bereiken van de totale controledoelen zoals door de overheid gesteld. De taken van de accountant zijn in dit protocol vastgelegd. Het protocol beschrijft per onderdeel van de aangifte de door de accountant specifiek uit te voeren werkzaamheden. De accountant geeft per overeengekomen werkzaamheid de resultaten weer in een rapport van bevindingen.

Dit rapport heeft als doel het voor belanghebbende instanties mogelijk maken zich een oordeel te vormen over de juistheid van de mineralenaangifte, in aanmerking genomen de door wet- en regelgeving gestelde eisen en de reikwijdte van het protocol van werkzaamheden.

De accountant doet geen uitspraak over de juistheid en volledigheid van de aangifte als geheel.

(…)

5.1. Wijze van rapporteren van bevindingen

(…)

Afhankelijk van de wijze waarop aangifte wordt gedaan - forfaitair of verfijnd - maakt de accountant voor het opmaken van het rapport van bevindingen gebruik van het daarvoor bestemde formulier dat bij het Bureau heffingen verkrijgbaar is.

(…)"

Artikel 1 van de Vrijstellingsregeling artikel 42a Meststoffenwet (Stcrt 2002, 239, rectificatie in Stcrt 2002, 244) luidt als volgt:

"Van de verplichting, bedoeld in artikel 42a van de Meststoffenwet, wordt vrijstelling verleend voor de aangifte van de heffingen die betrekking hebben op de jaren 2002 en volgende."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 26 september 2001 heeft Bureau Heffingen van appellant formulieren "Verfijnde aangifte 2000", gedateerd 15 september 2001, voor drie mestnummers, waaronder mestnummer 061040584 ontvangen. In een begeleidend schrijven bij de aangifte voor bovengenoemd mestnummer heeft appellant onder meer het volgende medegedeeld:

"(…)

Mijn aangifte is niet vergezeld van de volgens u vereiste rapport van bevindingen opgemaakt door een accountant. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat tegen deze verplichting reeds bezwaar is gemaakt middels een bezwaarschrift tegen de aangifte Minas 1998, gedagtekend 24 augustus 1999. Uw ministerie heeft middels schrijven d.d. 8 juni 2001 uitspraak gedaan en vervolgens heb ik hiertegen beroep ingesteld bij de belastingkamer van het Gerechtshof te Arnhem. (…)

Ik verzoek u mij dan ook uitstel te verlenen tot het overleggen van het rapport van bevindingen (…) totdat het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan op het beroepschrift."

- Bij herinneringsbrief van 14 juni 2002 heeft Bureau Heffingen appellant verzocht om alsnog een rapport van bevindingen in te zenden. In de brief is tevens aangegeven dat, indien Bureau Heffingen geen rapport ontvangt, een last onder dwangsom zal worden opgelegd ter hoogte van € 1.200,-.

- Bij brief van 27 juni 2002 heeft appellant gereageerd op de brief van 14 juni 2002 van Bureau Heffingen.

- Bij brief van 1 augustus 2002 heeft Bureau Heffingen aan appellant het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt en appellant in de gelegenheid gesteld om hierop voor 16 augustus 2002 schriftelijk te reageren.

- Bij besluit van 18 september 2002 is appellant de last opgelegd om artikel 42a van de Meststoffenwet niet langer te overtreden, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.200,-, indien niet voor 2 oktober 2002 een geldig rapport van bevindingen aan Bureau Heffingen is opgestuurd of geen bewijs is overgelegd waaruit blijkt dat de overtreding niet is begaan.

- Bij brief van 19 september 2002, door Bureau heffingen ontvangen op 20 september 2002, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 18 september 2002.

- Op 16 april 2003 heeft de divisiemanager van Bureau Heffingen, namens de directeur van Bureau Heffingen, beslist op het bezwaar van appellant.

- Op 12 september 2003 heeft verweerder het besluit van 16 april 2003 ingetrokken en opnieuw op het bezwaar van appellant beslist.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het besluit van 12 september 2003 heeft verweerder - zakelijk weergegeven en voorzover thans van belang - het volgende overwogen:

Op grond van artikel 42a van de Meststoffenwet dient een verklaring van een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent te worden overgelegd, indien een veebezetting op het bedrijf in het desbetreffende kalenderjaar gemiddeld meer is dan 2,5 grootvee-eenheden per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond. Deze regel heeft betrekking op het heffingsjaar 2000.

Aangezien de veebezetting op het bedrijf van appellant in het heffingsjaar 2000 meer is dan 2,5 grootvee-eenheden per hectare is appellant wettelijk verplicht om een Rapport van bevindingen mee te sturen met het aangifteformulier.

Aangezien gelijke gevallen gelijk behandeld worden, treft het standpunt van appellant dat sprake is van discriminatie geen doel.

Of sprake is van overbelasting van registeraccountants of accountant-administratieconsulenten is niet bij Bureau Heffingen bekend en overigens een zaak tussen appellant en zijn accountant.

De beoordeling van de aangifte van de mineralenheffingen door een accountant kan bijdragen aan een belangrijke besparing van de controle-inspanning door de Algemene Inspectiedienst die naast Bureau Heffingen is belast met de uitvoering van deze wet. De accountant legt immers een koppeling tussen de financiële boekhouding en de op de aangifte vermelde gegevens, waardoor onregelmatigheden eerder kunnen worden gesignaleerd.

De door appellant ingediende beroepschriften met betrekking tot de MINAS-heffingen over de heffingsjaren 1998 en 1999 doen niets af aan de verplichting van appellant om bij zijn aangifte over het heffingsjaar 2000 bovengenoemd rapport in te sturen, zodat het verzoek om uitstel tot indiening van het rapport van bevindingen niet wordt gehonoreerd.

Aangezien appellant niet heeft voldaan aan de uit artikel 42a van de Meststoffenwet voortvloeiende verplichting tot overlegging van een rapport van bevingen, is van rechtswege de dwangsom van € 1.200,- verbeurd.

Ter zitting is namens verweerder - zakelijk weergegeven - nog het volgende verklaard:

Ingevolge artikel 62 van de Wet kan een belanghebbende tegen een op grond van deze Wet genomen besluit beroep instellen bij het College, met dien verstande dat op besluiten betreffende heffingen ingevolge hoofdstuk IV van de Wet op grond van artikel 41 van de Wet de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, zodat deze heffingsbesluiten beroepbaar zijn bij de belastingrechter.

Het onderhavige besluit betreft evenwel niet een heffing als zodanig, maar een handhavingsmaatregel die berust op het in hoofdstuk VIII van de Wet opgenomen artikel 71a van de Wet juncto artikel 5:32 Awb. Het College is mitsdien bevoegd om te oordelen over de thans voorliggende beslissing op bezwaar. De bevoegdheid van de belastingrechter in de onderhavige zaak ligt te minder in de rede in het licht van het gesloten stelsel van het belastingrecht. In het belastingrecht zijn bestuursdwangbeslissingen onbekend.

Ingevolge artikel 5:35, eerste lid, Awb is de bevoegdheid van verweerder tot invordering van de verbeurde dwangsom inmiddels verjaard. Appellant heeft door betaling van de verbeurde dwangsom nadat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom was verjaard, voldaan aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft bij de Minas-aangiften voor het jaar 2000 verzocht om uitstel te verlenen van het overleggen van het door een accountant op te maken rapport van bevindingen totdat het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan op het door appellante ingestelde beroep tegen de MINAS-heffingen. Dit verzoek om uitstel is ten onrechte nooit beantwoord.

Appellant acht het onredelijk dat hij bij zijn aangifte een rapport van bevindingen moet verstrekken. Het opleggen van de last onder dwangsom is onrechtmatig.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College onderschrijft het standpunt van verweerder ter zake van de bevoegdheid van het College tot beoordeling van beroepen tegen handhavingsbesluiten als hier aan de orde.

5.2 Zoals ook is opgemerkt in verweerders brief van 12 september 2003 aan het College is het besluit van 16 april 2003 onbevoegd genomen. Op dezelfde datum is door verweerder, onder intrekking van het besluit van 16 april 2003, een nieuwe beslissing op bezwaar genomen die het eerdere besluit vervangt.

Gelet hierop wordt het beroep van appellant tegen het besluit van 16 april 2003 ingevolge het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, juncto artikel 6:18 Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 12 september 2003.

Nu gesteld noch gebleken is dat appellante nog belang heeft bij rechterlijke toetsing van het besluit van 16 april 2003, zal het College het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. In het navolgende beperkt het College zich dan ook tot een beoordeling van het besluit van 12 september 2003.

5.3 Gelet op het bepaalde bij artikel 71a van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 5:32 Awb, komt aan verweerder de bevoegdheid toe om bestuursdwang toe te passen danwel in de plaats hiervan een last onder dwangsom op te leggen.

Tussen partijen is in confesso dat appellant ten tijde van het nemen van de beslissing van 12 september 2003 niet had voldaan aan de ingevolge artikel 42a van de Wet op hem rustende verplichting tot overlegging van een verklaring van een accountant. Gelet hierop was verweerder bevoegd bestuursdwang toe te passen en derhalve ook bevoegd om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen.

5.4 Naar het oordeel van het College heeft verweerder evenwel bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kunnen besluiten tot het opleggen van de onderhavige last onder dwangsom. Hierbij neemt het College het volgende in aanmerking.

Verweerder overweegt in de bestreden beslissing - kort gezegd - dat de beoordeling van de aangifte van de mineralenheffingen door een accountant kan bijdragen aan een belangrijke besparing van de controle-inspanning door de Algemene Inspectiedienst die naast Bureau Heffingen is belast met de uitvoering van de Wet. De accountant legt namelijk - aldus verweerder - een koppeling tussen de financiële boekhouding en de op de aangifte vermelde gegevens, waardoor onregelmatigheden eerder kunnen worden gesignaleerd.

Desgevraagd hebben de gemachtigden van verweerder ter zitting echter bevestigd dat verweerder - ter voldoening aan de uit artikel 42a van de Wet voortspruitende verplichting tot overlegging van een verklaring van een accountant - genoegen neemt met overlegging van een door een accountant ondertekend rapport van bevindingen, waarbij door deze accountant wordt verklaard dat de financiële administratie van het betrokken bedrijf niet is gecontroleerd en aldus de evenbedoelde koppeling niet wordt gelegd. Zulks is ook geschied in de ter zitting gevoegd behandelde zaak met AWB-nummer 03/504, waarin de betreffende accountant in een bij het rapport van bevindingen gevoegde bijlage een opmerking met deze strekking heeft geplaatst.

Gelet hierop ziet het College niet in welk in rechte te respecteren belang nog kan zijn gediend met het door middel van het opleggen van een last onder dwangsom afdwingen van het overleggen van het rapport van bevindingen bij de aangifte.

In het licht van het aldus ontbreken van zwaarwegend belang bij verweerder de overlegging van een rapport van bevindingen door middel van een last onder dwangsom af te dwingen, dient het belang van appellant om niet aldus voor onnodige kosten voor het opmaken van een accountantsrapport te worden geplaatst, te prevaleren en komt het College tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot oplegging van de onderhavige last onder dwangsom heeft kunnen besluiten. Het besluit van 12 september 2003 dient wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb te worden vernietigd.

5.5 Het College acht termen aanwezig om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, de primaire beslissing te herroepen en voorts te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

5.6 Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. De door appellant gemaakte reiskosten worden vastgesteld op € 24,12. Van de door hem opgegeven verletkosten ad € 160,- komen in verband met reistijd en zittingsduur € 100,- voor toewijzing in aanmerking.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2003 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 september 2003 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept verweerders besluit van 18 september 2002 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden

besluit;

- veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakt proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten

bestuursrecht worden vastgesteld op € 124,12 (zegge: éénhonderdvierentwintig euro en twaalf eurocent), onder aanwijzing

van de Staat der Nederlanden die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,- (zegge:

eenhonderd zestien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2004.

w.g. B. Verwayen w.g. Th.J. van Gessel