Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO4448

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/109
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 15 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 7 juni 2001, op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/109 11 februari 2004

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: C, administrateur van appellante, te D,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (voorheen: de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij), verweerder,

gemachtigde: mr. J. Teigeler, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 15 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 december 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 7 juni 2001, op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 28 maart 2003 een verweerschrift ingediend.

Op 19 november 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht bij monde van hun gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 24 december 1999 heeft verweerder van appellante een ingevuld en ondertekend formulier ontvangen voor deelname aan de slachtpremieregeling.

- Bij besluit van 7 juni 2001 heeft verweerder appellante voor het premiejaar 2000 een slachtpremie toegekend van

fl. 14.621,26. Voor 97 runderen is geen premie toegekend, omdat de aanvraag te laat is ingediend.

- Bij brief van 11 juni 2000 (lees: 11 juni 2001) heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de premie voor deze 97 runderen.

- Bij brief met als onderwerp "Verzoek verklaring omtrent verrichte (hersteld)meldingen en/of wijziging I&R gegevens" van 6 februari 2000 (lees: 6 februari 2002) heeft verweerder het I&R Buro bericht dat vragen zijn gerezen naar aanleiding van het door appellante ingediende bezwaarschrift. Aan deze brief kan het volgende worden ontleend:

"(…)

Maatschap A (…) stelt dat ten aanzien van 97 runderen (…) meldingen van slacht niet goed zijn verwerkt. Na communicatie te hebben gehad met de heer E, mw. F (Gezondheidsdienst Boxtel) en de heer G (I&R-buro) is door de maatschap een overzicht met (correcte) meldingen verstuurd aan de heer G. De maatschap stelt dat de heer G rond 30 of 31 maart 2001 de juiste 'afmeldingen' van de betreffende runderen toen alsnog heeft verzorgd. In ieder geval zouden de data van de meldingen van slacht, respectievelijk 26 en 30 maart 2001, niet de oorspronkelijke zijn.

(…)

Kunt u mij bevestigen dat ten aanzien van de meldingen van slacht van de betreffende runderen complicaties en/of bijzonderheden zijn geweest? Zo ja, kunt u mij dan verklaren hoe deze bijzonderheden er uit hebben gezien? Bv. stel ik mij voor dat de meldingen van slacht respectievelijk 26 en 30 maart 2001 in feite gecorrigeerde meldingen zijn. (…)"

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en standpunt verweerder

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

"(…)

Uit het I&R-register is gebleken dat er van de 97 runderen die als niet premiewaardig staan vermeld op de betalingsspecificatie gevoegd bij het besluit van 7 juni 2000 (lees: 7 juni 2001) als slachtdatum is geregistreerd 25 april 2000, 26 april 2000, 28 april 2000, 3 mei 2000, 10 mei 2000, 17 mei 2000, 22 mei 2000, 13 juni 2000, 12 juli 2000, 23 augustus 2000 en 30 augustus 2000 en als datum van de melding van slacht 26 maart 2001 en 30 maart 2001.

Derhalve staat vast dat van de 97 runderen die als niet premiewaardig staan vermeld op de betalingsspecificatie de melding van slacht niet heeft plaatsgevonden binnen 6 maanden na slacht en ook dat deze melding niet heeft plaats gevonden in de kortingsperiode. (…) Terzake van deze runderen kan derhalve geen premie worden verstrekt. (…)"

Verweerder heeft in zijn verweerschrift voorts aangegeven dat hij, als gevolg van de constatering dat een registratie van slacht in het I&R was ingebracht, aanvankelijk had aangenomen dat appellante een aanvraag op grond van de Regeling had ingediend. Uit hetgeen appellante in bezwaar en beroep heeft gesteld alsmede door intern onderzoek, is verweerder gebleken dat in het geheel geen melding van runderen door een slachthuis heeft plaatsgehad, maar een registratie door een functionaris van de Gezondheidsdienst ten einde te voorkomen dat de 97 runderen zouden blijven "zweven" in het I&R register.

Aan de primaire beslissingen liggen derhalve geen aanvragen ten grondslag. Gezien het feit dat er geen aanvragen voor de betrokken dieren waren ingediend, is de grondslag van de primaire beslissing onjuist. Appellante had derhalve slechts dienen te worden meegedeeld dat appellante niet in aanmerking kan komen voor slachtpremie voor de genoemde 97 runderen, daar er geen aanvraag is ingediend door het slachthuis namens appellante.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer aangevoerd dat alle afmeldingen van de niet-premiewaardige runderen door haar tijdig en correct zijn uitgevoerd. Zodra appellante het eerste statusoverzicht over 2000 had ontvangen, heeft zij met Laser telefonisch contact opgenomen over de dieren die niet op het overzicht stonden vermeld. Zij heeft er alles aan gedaan om de gerezen problemen op te lossen. Na telefonisch overleg met Laser zijn de dieren alsnog vóór 1 april 2001 afgemeld. Ook uit een controlerapport van 7 augustus 2001 is gebleken dat de administratie in orde was. Appellante is de dupe geworden van incomplete afmeldingen van slachterijen bij I&R. Appellante heeft nog stukken overgelegd, waaronder enkele afleveringsverklaringen, waaruit blijkt dat door haar al het mogelijke is gedaan om het de slachterij makkelijk te maken alsmede om de desbetreffende dieren correct af te melden. Ter zitting heeft appellante aangegeven dat zijdens Laser de indruk is gewekt dat het met de premieaanvraag allemaal goed zou komen.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling worden aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir ingediend door melding van de slacht overeenkomstig de bepalingen van de PVV-verordening door het betrokken abattoir aan het I&R-register.

Het College stelt vast dat ten aanzien van de 97 in geschil zijnde runderen geen aanvraag, als bedoeld in artikel 2.4b, door middel van een melding van de slacht door het betrokken abattoir aan het I&R-register, is ingediend. Er is immers alleen sprake geweest van een registratie door een functionaris van de Gezondheidsdienst. Toekenning van premie had aldus achterwege moeten blijven op de grond dat geen aanvraag is ingediend en niet omdat de aanvraag te laat is ingediend. Nu deze onjuiste grond in het bestreden besluit is gehandhaafd, terwijl verweerder toen reeds wist dat er geen aanvraag was gedaan, ontbeert het besluit een deugdelijke motivering.

Het beroep van appellante is dan ook gegrond en het bestreden besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

Het College ziet echter aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bij deze uitspraak te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

Het feit dat ten aanzien van de 97 runderen geen aanvraag als bedoeld in de Regeling is ingediend, kan immers slechts tot de conclusie leiden dat geen premie kan worden toegekend. Hierbij merkt het College nog op dat niet is gebleken dat door verweerder rechtens te honoreren verwachtingen omtrent premietoekenning zijn gewekt.

Het College is ten slotte evenmin gebleken dat appellante proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Eén en ander leidt tot de navolgende beslissing.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 5 december 2002;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het griffierecht ten bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderdachttien

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren