Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO4446

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
AWB 01/783
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 3 oktober 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 augustus 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de ondertoezichtplaatsing van haar bedrijf op grond van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/783 11 februari 2004

5196 Regeling verbod handel met bepaalde stoffen

behandelde dieren en producten

Uitspraak in de zaak van:

de maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. L.P. de Wit en mr. J. Vader, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 3 oktober 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 augustus 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de ondertoezichtplaatsing van haar bedrijf op grond van de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten.

Op 11 december 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 23 juli 2002 heeft verweerder desgevraagd bepaalde stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2002, alwaar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

Bij beschikking van 9 oktober 2002 heeft het College het onderzoek heropend.

Bij brief van 1 november 2002 heeft verweerder antwoord gegeven op door het College gestelde vragen.

Bij brief van 26 november 2002 heeft appellante onder overlegging van een aantal producties gereageerd op verweerders antwoorden.

Op 23 juli 2003 heeft nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden waar partijen hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geding

2.1 Bij de Regeling verbod handel met bepaalde stoffen behandelde dieren en producten (hierna: de Regeling) is, ter uitvoering van Richtlijn 96/22/EG, onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 4

1. Indien op een bedrijf de aanwezigheid wordt geconstateerd van diergeneesmiddelen of substanties die ingevolge de communautaire regelgeving niet aan landbouwhuisdieren of aquicultuurdieren mogen worden toegediend alsmede indien in monsters residuen worden aangetroffen van dergelijke stoffen, wordt het betrokken bedrijf onder officieel toezicht van de minister geplaatst.

2. Dieren van een bedrijf als bedoeld in het eerste lid worden gemerkt of geïdentificeerd en mogen, zolang het onderzoek niet is afgerond, het bedrijf slechts onder officieel toezicht van de minister verlaten of aan een andere persoon worden overgedragen.

3. De eigenaar of houder van dieren is verplicht te gedogen dat op of aan die dieren een merk als bedoeld in het tweede lid wordt aangebracht."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 16 augustus 1999 heeft het Controle Bureau Dierlijke Sector op het bedrijf van appellante 21 urinemonsters genomen.

- Blijkens een brief van TNO Voeding van 6 september 1999 wees onderzoek uit dat de op 16 augustus 1999 genomen monsters verdacht zijn op aanwezigheid van methylboldenon.

- Bij besluit van 9 september 2001 is het bedrijf van appellante onder toezicht gesteld in de zin van artikel 4 van de Regeling. Daarbij is appellante onder meer verboden aanwezige dieren te (doen) verwijderen tenzij na toestemming en onder begeleiding en toezicht van de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID).

- Op 9 en 10 september 1999 heeft de AID dit bedrijf onderzocht en meer dan 100 urinemonsters genomen.

- Blijkens brief van TNO Voeding van 22 september 1999 zijn zes van de door het Controle Bureau Dierlijke Sector op 16 augustus 1999 genomen monsters positief bevonden op methylboldenon.

- Op 28 september 1999 heeft het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en Tuinbouwprodukten, dat ten tijde van belang ressorteerde onder verweerders Dienst Landbouwkundig Onderzoek, (hierna: RIKILT-DLO) de AID de volgende resultaten van urineonderzoek naar hormonen medegedeeld:

Ÿ 29 monsters zijn negatief bevonden voor methylboldenon;

Ÿ 120 monsters, waaronder bedoelde 29 monsters,

"zijn tevens onderzocht m.b.v. EIA screeningsmethoden op agonisten, natuurlijke hormonen en corticosteroïden. Op basis van de verkregen screeningsresultaten zijn een 10-tal monsters geselecteerd voor een brede screening op hormonen. "

- Op 30 september 1999 zijn vier koeien waarvan de urinemonsters door TNO Voeding positief op methylboldenon waren bevonden, in beslag genomen, geslacht en weefsel bemonsterd.

Het verslag van de desbetreffende histologische bevindingen, opgemaakt op 1 oktober 1999 door het RIKILT-DLO, luidt onder meer als volgt:

"De dieren hadden allemaal kleine atrofische eierstokken met weinig follikels, geen corpora lutea en veel bindweefsel met daarin woekerend weefsel.

Dit is waarschijnlijk het gevolg van langdurige hormonale stimulatie waardoor de eigen cyclus is gestoord.

De baarmoeder was bij alle dieren ontstoken en de rest van het geslachtsapparaat vertoonde ook ontstekingsverschijnselen.

Baarmoederontsteking komt meestal voor door infectie bij de partus, in dit geval kan ook het gebruik van vuile spuiten en het toedienen van irriterende stoffen rond het geslachtsapparaat voor een ontsteking hebben gezorgd.

De Bartholinische klieren vertoonden aan de ene kant atrofie door gebrek aan hormonale stimulatie (van het eigen lichaam) en aan de andere kant proliferatie en woekeringen als gevolg van de toegediende hormonen."

- Bij brief van 6 oktober 1999 heeft het Controle Bureau Dierlijke Sector appellante onder meer als volgt bericht:

"Van de op de onderneming aanwezige runderen, is van 21 runderen urine bemonsterd. Blijkens het bijgevoegde analyse verslag van TNO Voeding d.d. 22 september 1999, is aan 6 van deze 21 runderen de stof methylboldenon toegediend.

(…)

Overeenkomstig het bepaalde in EG Richtlijn 96/23/EG, artikel 15 lid 2, kunt u schriftelijk verzoeken de contramonsters te laten onderzoeken, respectievelijk kunt u 50 ml van de monsters ter beschikking krijgen.

Dit verzoek dient binnen 5 werkdagen na ontvangst van deze brief te worden gedaan."

- Bij brief van 15 november 1999 heeft appellante onder meer verzocht de ondertoezichtstelling binnen 24 uur op te heffen.

- Bij bezwaarschrift van 19 november 1999, door verweerder ontvangen op 23 november 1999, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering te voldoen aan haar verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling.

- Op 24 november 1999 heeft het RIKILT-DLO de AID onder meer ingelicht welke tien urinemonsters waren geselecteerd voor de brede screening die door RIKILT-DLO was aangekondigd op 28 september 1999, en dat deze tien monsters negatief zijn bevonden voor verschillende hormonen, waaronder methylboldenon.

- Op 26 november heeft het RIKILT-DLO aan de AID bevestigd dat drie van de vier bedoelde weefselmonsters positief zijn bevonden voor verboden groeibevorderende stoffen.

- Op 6 december 1999 heeft verweerder appellante bericht het onder officieel toezicht plaatsen van haar veehouderijbedrijf op te heffen.

- Op 25 februari 2000 heeft verweerder appellante over haar bezwaren doen horen.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en hiertoe onder meer het volgende overwogen:

"Ten tijde van uw verzoek was de AID nog in afwachting van uitslagen van de op 9 en 10 september genomen monsters en het weefselonderzoek van de op 30 september 1999 in beslag genomen beesten. Met andere woorden er bestond op dat moment derhalve geen enkele aanleiding de OTP van uw bedrijf op te heffen.

Het risico dat bij premature opheffing van de OTP van uw bedrijf dieren met verboden stoffen als consumptie-vlees in het (handels)verkeer zouden worden gebracht, werd op dat moment zeer groot geacht. Het destijds opheffen van de OTP van uw bedrijf was op dat moment dan ook niet verantwoord.

Gelet op het uitgangspunt van de Richtlijn en de daarop gebaseerde Regeling kan mijns inziens niet worden geoordeeld dat het besluit, niet op uw verzoek in te gaan en de OTP op dat moment te handhaven, niet in redelijkheid kon worden genomen.

Betreffende het monster dat u door het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (hierna te noemen: de RIVM) hebt laten onderzoeken, merk ik het volgende op.

Tijdens de oorspronkelijke monsterneming van 16 augustus 1999 heeft het KCR van elk van de bemonsterde dieren in tweevoud monsters genomen. Daarvan is telkens één monster aan u overhandigd. De overige monsters zijn ter onderzoek naar het TNO-laboratorium gezonden. Het TNO heeft deze monsters onderzocht en van elk onderzocht monster een gedeelte bewaard voor een eventuele contra-expertise.

Bij brief van 6 oktober 1999 heeft het KCR melding gemaakt van het feit dat 5 van de bemonsterde runderen positief waren bevonden op de verboden stof methylboldenon. Tevens bent u bij deze brief in de gelegenheid gesteld (binnen 5 werkdagen) te berichten of u de contra-monsters wilde laten onderzoeken.

Vervolgens heeft u op 25 oktober 1999, niet de door het TNO bewaarde contra-monsters laten onderzoeken, maar één van de monsters die u op 16 augustus 1999 van het KCR heeft ontvangen.

Daar er dientengevolge geen voldoende zekerheid bestond dat u het monster, dat u door het RIVM heeft laten onderzoeken, had bewaard onder laboratoriumcondities is het echter op dat moment niet verantwoord geacht om alleen op grond van de negatief bevinding van dit monster de OTP op te heffen. Overigens is u door de AID steeds duidelijk aangegeven dat onderzoek van de door u zelf bewaarde contra-monsters geen consequenties zou hebben voor de OTP van uw bedrijf. Bovendien heeft u slechts één van de 6 monsters laten onderzoeken en is dit monster alleen onderzocht op de aanwezigheid van methylboldenon.

Betreffende hetgeen u opmerkt met betrekking tot het feit dat u bij de monsterneming van 7 en 8 september 1999 geen contra-monsters heeft ontvangen, merk ik op dat in tweevoud monsters zijn genomen, één werkmonster en een contramonster. Daar er geen zekerheid bestond dat u in staat was deze contra-monsters onder laboratoriumcondities te bewaren zijn deze monsters, zoals u tijdens de monsterneming overigens is medegedeeld samen met de werkmonsters naar het RIKILT gestuurd. In het geval één of meer van deze monsters positief waren geweest had u de gelegenheid gehad betreffende deze monsters een contra-expertise te laten uitvoeren."

Het verweerschrift vermeldt onder meer het volgende:

"(…) in tegenstelling tot hetgeen appellante suggereert was de situatie ten tijde van de opheffing geheel anders dan die op 15 november 1999. Immers ten tijde van de opehffing waren de resulatten van de in september genomen monsters bekend en was dientengevolge in vergelijking met 15 november 1999 het risico aanzienlijk minder groot dat positieve dieren in de handel zouden worden gebracht.

(…)

Voorts ziet het door verweerder gestelde in de bestreden beslissing betreffende de onderverdeling van monsters in werk- en contramonsters niet, zoals appellante stelt, op het onderzoek dat door TNO heeft plaatsgevonden maar op de monsterneming van 8 en 9 september 1999 en het daarop volgende onderzoek door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor Land- en tuinbouwprodukten."

De hem gestelde vragen heeft verweerder onder meer als volgt beantwoord:

"Het betroffen hier monsters van zowel weefsels, organen als lichaamsvloeistoffen. Mevrouw D heeft nog dezelfde dag al deze monsters meegenomen naar het RIKILT-DLO en daar in de vriezer gedaan op de afdeling histologie, waar zij zelf werkzaam is. De verschillende monsters worden echter niet allemaal door de afdeling histologie (ook bijv. door de afdeling organen) en ook niet allemaal tegelijk onderzocht. De monsters blijven in deze vriezer tot het moment dat ze opgehaald worden door de juiste afdeling om onderzocht te worden. De datum dat de monsters uit de vriezer worden gehaald ter onderzoek, wordt door de afdeling die het onderzoek doet, ingevuld als zijnde de datum van inzending. De monsters waar de monsteranalyses van de nrs. 99/26216 tot en met 99/26219 betrekking op hebben, zijn derhalve op 13 oktober 1999 door de desbetreffende afdeling in onderzoek genomen.

(…)

Op de vraag of de onderzoekstermijn vanaf de monstername van de weefselmonsters gebruikelijk is geweest, kan verweerder geen antwoord geven. Gelet op het gevonden scala van verboden stoffen kan het voorkomen dat voor het kunnen constateren daarvan meerdere onderzoeken van hetzelfde monster nodig zijn met als gevolg een langere doorlooptijd.

Van de zijde van het RIKILT-DLO is aangegeven dat in de periode waarin onderhavig monsteronderzoek zich afspeelde de capaciteit bij het RIKILT-DLO beperkt was. Enerzijds omdat er nog niet ingesprongen kon zijn op het nieuwe fenomeen otp met bijkomende monsters en anderzijds omdat er gelijktijdig met de onderhavige monsters vele andere monsteronderzoeken gepleegd dienden te worden i.v.m. andere geconstateerde positieven in urine dan in de zaak A/B.

()

Uit het dossier blijkt dat voornoemde fax van 24 november 1999 van de AID aan het RIKILT-DLO de inspanning is geweest, die uiteindelijk geleid heeft tot de definitieve analyseresultaten weefselonderzoek, gedateerd 26 november 1999, die op 29 november 1999 ontvangen zijn door AID-ambtenaar E."

4. Het standpunt van appellante

Bij haar beroepschrift heeft appellante onder meer het volgende aangevoerd:

"De termijn van het onderzoek is onredelijk lang geweest aangezien er door de AID geen enkele activiteit is ontplooid zoals bedoeld in de EU-richtlijnen. Daarnaast geldt het argument in het geheel niet dat er een risico was dat dieren met verboden stoffen als consumptievlees in het verkeer zouden worden gebracht. Dat zou namelijk ook gelden na opheffing van de onder toezichtplaatsing na afloop van de onderhavige termijn. Nu het ministerie de onder toezichtplaatsing op een later tijdstip heeft opgeheven en de bewuste dieren nadien in het verkeer zijn gebracht, gold dat argument nog eveneens indien dat argument juist zou zijn geweest. Uw redenering is derhalve onbegrijpelijk en in strijd met de redelijkheid en de wet. In ieder geval is deze in strijd met de EU-richtlijn ter zake de verplichtingen van de Staat om handelingen te treffen met dieren waarin verboden stoffen zitten.

Voorts is de redenering met betrekking tot het contraonderzoek onjuist. De raadsman is bij TNO geweest en heeft moeten constateren dat er slechts één monster was waarop dat moment twee monster van werden gemaakt.

(…)

Daarnaast heeft het KCR nadrukkelijk één contramonster afgegeven aan cliënt die hij wel degelijk onder de juiste voorwaarde heeft bewaard. Het is absoluut een raadsel waarom de zelf bewaarde contramonsters geen consequenties zouden hebben, terwijl die van de AID wel, terwijl de omstandigheden identiek zijn en de verzegeling nog volledig intact. De redenering derhalve van het ministerie is op die grond onduidelijk en onterecht.

Met betrekking tot de hoorzitting wordt opgemerkt dat ook die niet in overeenstemming met de wet is omdat er geen sprake was van enige onafhankelijke deelname aan dat horen door deze commissie zoals bedoeld in de wet."

5. De beoordeling van het geschil

Hetgeen is aangevoerd door appellante, die geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen verweerders besluit haar bedrijf onder officieel toezicht te plaatsen, spitst zich toe op de vraag of het onredelijk lang heeft geduurd voordat verweerder heeft beslist op haar verzoek van 15 november 1999 deze plaatsing onder toezicht op te heffen. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

De positieve resultaten van het weefselonderzoek van drie van de vier geslachte runderen, die op 26 november 1999 aan de AID zijn medegedeeld, heeft verweerder niet als beletsel gezien de plaatsing onder toezicht uiteindelijk op te heffen. De vraag is derhalve of het urineonderzoek er aan in de weg stond eerder op appellantes verzoek van 15 november 1999 te beslissen. Van de zes runderen waarvan de urinemonsters door TNO Voeding positief waren bevonden voor methylboldenon, waren op 30 september 1999 vier runderen in beslag genomen en geslacht en twee runderen niet meer op het bedrijf van appellante aanwezig. Ook van enige andere reden om in verband met de bevindingen ten aanzien van deze zes runderen op zich de plaatsing onder toezicht na 15 november 1999 te handhaven, is het College niet gebleken.

De urinemonsters die de AID heeft genomen, zijn door het RIKILT-DLO blijkens zijn rapportage van 28 september 1999 negatief bevonden voor methylboldenon.

Waarom de resultaten van de brede screening van tien geselecteerde monsters, waartoe RIKILT-DLO toen besloot, nog niet ter beschikking van verweerder stonden toen deze zeven weken later het verzoek van appellante op 15 november 1999 ontving, heeft verweerder niet verklaard. Ook overigens valt niet in te zien waarom die resultaten niet op 15 november 1999 beschikbaar hadden kunnen zijn.

Het heeft in het licht van voorgaande omstandigheden op de weg gelegen van verweerder, onder wiens ministerie het RIKILT-DLO ten tijde van belang ressorteerde, bij ontvangst van het verzoek van appellante op 15 november 1999 onverwijld en met voorrang de brede screening van de geselecteerde monsters te voltooien, en met voortvarendheid op basis van de resultaten van bedoelde screening te beslissen.

Naar het oordeel van het College is verweerder hierin tekort geschoten.

Desgevraagd ter zitting heeft verweerder niet kunnen verklaren waarom tot 24 november 1999 is gewacht op de resultaten van de brede screening van tien geselecteerde monsters. Voorts is gesteld noch gebleken dat, toen die resultaten een bevestiging bleken te vormen van de negatieve analyseresultaten waarover verweerder reeds twee maanden voordien beschikte, bijzondere redenen er aan in de weg stonden om met gezwinde spoed tot de gevraagde opheffing van de plaatsing onder toezicht te beslissen.

Voorgaande overwegingen leiden het College tot de conclusie dat verweerder nadat hij het verzoek van appellante van 15 november 1999 had ontvangen niet met de vereiste zorgvuldigheid de nodige kennis omtrent de genomen monsters heeft vergaard en niet voldoende rekening heeft gehouden met appellantes belang bij een zo spoedig mogelijke opheffing van de plaatsing onder toezicht van haar bedrijf zodra de analyseresultaten dit rechtvaardigden.

De slotsom is dat het beroep gegrond behoort te worden verklaard. Het bestreden besluit moet derhalve worden vernietigd voor zover daarbij de beslissing is gehandhaafd eerst per 6 december 1999 het onder officieel toezicht plaatsen van appellantes veehouderijbedrijf op te heffen.

Het College acht termen aanwezig te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven, en voor de overige nadere beslissingen, in het dictum van deze uitspraak vermeld. Hierbij is het bedrag van de kosten van rechtsbijstand die aan appellante door haar gemachtigde is verleend, vastgesteld overeenkomstig het tarief in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder toekenning van 3 punten, zijnde 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 14 augustus 2002, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op verweerders antwoorden en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 23 juli 2003.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de beslissing is gehandhaafd eerst per 6 december 1999 het onder

officieel toezicht plaatsen van appellantes veehouderijbedrijf op te heffen;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs

heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 966,00 (zegge: negenhonderd-en-zes-en-zestig euro) en wijst de

Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 204,20 (zegge:

tweehonderd-en-achttien euro en twintig cent) vergoedt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.M. Wolters en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren