Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO4312

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-02-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 20 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 december 2002, kenmerk 162260/JZ/FD.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van verweerder van 30 januari 1998, waarbij niet is voldaan aan appellantes verzoek de restituties die op 21 november 1997 nog niet definitief waren betaald, definitief te maken. Een eerdere beslissing op dat bezwaar d.d. 12 augustus 1998 is door het College bij uitspraak van 31 augustus 2001 (AWB 98/967) vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/120 11 februari 2004

7710 Regelgeving overig

Zuivelprodukten

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.H. Peek, advocaat te Breda,

tegen

het Productschap voor Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 20 januari 2003 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 december 2002, kenmerk 162260/JZ/FD.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van verweerder van 30 januari 1998, waarbij niet is voldaan aan appellantes verzoek de restituties die op 21 november 1997 nog niet definitief waren betaald, definitief te maken. Een eerdere beslissing op dat bezwaar d.d. 12 augustus 1998 is door het College bij uitspraak van 31 augustus 2001 (AWB 98/967) vernietigd.

Op 21 februari 2003 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Op 7 april 2003 is een verweerschrift ingediend.

Op 19 november 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt nader hebben toegelicht. Aan de zijde van verweerder waren tevens aanwezig C en D.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (Pb 1987, L 351, blz. 1) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 5

1. Voor betaling van de al dan niet gedifferentieerde restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het produkt het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat:

a) wanneer ernstige twijfel bestaat omtrent de werkelijke bestemming van het produkt,

of

b) wanneer het produkt opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd als gevolg van het verschil tussen het restitutiebedrag voor het uitgevoerde produkt en het bedrag van de rechten bij invoer voor eenzelfde produkt op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaardt,

het produkt binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, tenzij het tijdens het vervoer als gevolg van overmacht verloren is gegaan. In de in artikel 47 vastgestelde omstandigheden kunnen evenwel bijkomende termijnen worden toegestaan.

In de in de eerste alinea bedoelde gevallen zijn artikel 17, lid 3, en artikel 18 van toepassing.

Bovendien kunnen de bevoegde instanties van de Lid-Staten bijkomende bewijzen verlangen waarmee ten genoegen van die instanties wordt aangetoond dat het produkt in het derde land van invoer werkelijk in ongewijzigde staat op de markt is gebracht."

2.2 Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 31 augustus 2001 voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden, is op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting voor het College mede het volgende komen vast te staan.

- Op 9 november 2001 heeft de Officier van Justitie verweerder desgevraagd vijf faxberichten toegezonden, die bedoeld zijn in het aanvangsproces-verbaal van 5 maart 1997. Verweerder heeft deze stukken aan appellante doen toekomen.

- Op 25 april 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar appellante is gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft hij het standpunt herhaald zoals verwoord in de beslissing op bezwaar d.d. 12 augustus 1998 met het kenmerk 61990/JZ/FD. Overwogen is dat bij besluit van 9 december 2002 met het kenmerk 160989/JZ/FD opnieuw is beslist op het bezwaarschrift van Vonk

d.d. 23 december 1997 en dat het besluit van 21 november 1997 met het kenmerk 97384/JZ/AG is gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit is de maatregel van verscherpte controle toegepast en zijn aanvullende bewijzen verlangd voor producten van de GN-code 0406 met bestemming VS, voor zover het betrof leveringen aan het warehouse van Vonk in de VS. De eis van aanvullende bewijzen heeft betrekking op uitvoertransacties waarvoor op dagtekening van voornoemd besluit nog geen definitieve betaling van restitutie had plaatsgevonden.

Nu Vonk voor de zendingen waarvoor bij brief van 24 december 1997 om definitieve betaling is gevraagd, nog niet de hiervoor bedoelde aanvullende bewijzen had overgelegd, is verweerder van oordeel dat hij terecht kon weigeren tot definitieve betaling over te gaan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep dezelfde beroepsgronden aangevoerd als in de zaak AWB 03/119.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Bij uitspraak van heden heeft het College het beroep van appellante in de zaak AWB 03/119 ongegrond verklaard. Daarmee is het besluit van verweerder jegens appellante de maatregel van verscherpte controle toe te passen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1469/95 in rechte komen vast te staan.

5.2 Op grond van deze verscherpte controle was verweerder bevoegd met toepassing van artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 van appellante aanvullende bewijzen te verlangen voor het bewijs van invoer van de kaas in de Verenigde Staten, alvorens tot definitieve betaling van de restitutie over te gaan.

5.3 Appellante heeft voor haar beroepsgronden verwezen naar de gronden die in de zaak AWB 03/119 zijn ingediend. Deze gronden zijn in de uitspraak in die zaak alle verworpen.

5.4 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2004.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens