Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO4296

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/1728
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 10 oktober 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 september 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen terugvordering van aan haar toegekende slachtpremie op grond van de Verordening slachtpremie kalveren van het Productschap van 8 december 1999 (PBO-blad 2000, nr. 1).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1728 13 februari 2004

7760 Regelgeving overig

Vleeskalveren

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante,

gemachtigde: mr. D. Kik, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te Goes,

tegen

het Productschap voor Vee en Vlees, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: mr. B.M.J. Kloppenburg, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 oktober 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 september 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen terugvordering van aan haar toegekende slachtpremie op grond van de Verordening slachtpremie kalveren van het Productschap van 8 december 1999 (PBO-blad 2000, nr. 1).

Op 24 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2003, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Appellante werd voorts vertegenwoordigd door de heer B en diens dochter C, als mede haar accountant D.

Het onderzoek is bij beschikking op 15 oktober 2003 heropend, teneinde van verweerder antwoord te verkrijgen op een bij griffiersbrief gestelde vraag.

Bij brief van 4 november 2003 heeft verweerder gereageerd op de gestelde vraag.

Bij brief van 20 november 2003 heeft appellante een reactie gegeven op verweerders brief.

Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijk ordening der markten in de sector rundvlees (Pb. 1999, L 160, blz. 21) luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 12

1. Een producent, die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. De premie wordt, binnen nader vast te stellen nationale maxima, toegekend bij het slachten van in aanmerking komende dieren of de uitvoer daarvan naar een derde land.

(…)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97."

Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 ( Pb. 2000, L 204, blz. 1) bepaalt onder andere:

"Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

(…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van tenminste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

Artikel 24

1. Verordening (EG) nr. 820/97 wordt ingetrokken.

2. Verwijzingen naar verordening (EG) nr. 820/97 gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening (…).''

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie in werking getreden met ingang van 13 december 2001, is het volgende bepaald:

''Artikel 53

1. Verordening (EEG) nr. 3887/92 wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die beginnen vóór 1 januari 2002.''

In Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geintegreerde beheers- en controlesysteem van bepaalde communautaire steunregelingen (Pb. 1992, L 391, blz. 36), zoals nadien gewijzigd, is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 6

1. De administratieve controles en de controles ter plaatse worden uitgevoerd op zodanige wijze dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van steunbedragen en premies is gewaarborgd.

(…)

5. De controles ter plaatse worden onverwacht uitgevoerd. (…)

6. In geval van toepassing van de speciale premie bij het slachten of bij het voor het eerst op de markt brengen voor de slacht (…) omvat elke controle ter plaatse (…)

a. een controle om na te gaan of het totale aantal op het bedrijf aanwezige dieren dat voor de betrokken regeling in aanmerking komt, overeenstemt met het aantal voor die regeling in aanmerking komende dieren dat in het register is ingeschreven en aan het gecomputeriseerde gegevensbestand is gemeld overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97;

b. een controle aan de hand van het door de producent bijgehouden register om na te gaan of alle dieren waarvoor in de laatste twaalf maanden vóór de controle ter plaatse steunaanvragen zijn ingediend, gedurende de gehele voorgeschreven periode zijn aangehouden en of de gegevens identiek zijn aan de aan het gegevensbestand meegedeelde gegevens. Wanneer de lidstaat artikel 6, lid 3 bis, toepast en reeds de inachtneming van de aanhoudperiode heeft gecontroleerd aan de hand van de gegevens in het overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 820/97 gecreëerde gegevensbestand, kan dit gedeelte van de controle ter plaatse worden verricht op basis van een representatieve steekproef.

(…)

Artikel 10 ter

1. Als bij de administratieve controle of uit de controle ter plaatse blijkt dat het aantal in de steunaanvraag aangegeven dieren verschilt van het geconstateerde aantal in aanmerking komende dieren, wordt behalve in geval van overmacht en nadat artikel 10, lid 5, is toegepast, wat de natuurlijke omstandigheden betreft, de steun overeenkomstig lid 2 verlaagd.

2. (…) In andere gevallen wordt het steunbedrag verlaagd:

(…)

Indien het vastgestelde verschil groter is dan 20% wordt geen steun verleend.

Artikel 10 quater

1. Voor andere runderen dan die waarvoor het bepaalde in artikel 10 bis geldt, wordt, wanneer bij controles ter plaatse blijkt dat het aantal op het bedrijf aanwezige en voor communautaire steun in aanmerking komende of relevante dieren niet overeenkomt met het aantal

a) (…)

b) overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97 in het register van het bedrijf ingeschreven dieren,

c) (…)

het totale bedrag van de steun die in het kader van de betrokken steunregeling aan de aanvrager wordt verleend voor de laatste twaalf maanden vóór de controle ter plaatse waarbij dergelijke feiten worden geconstateerd, verhoudingsgewijs verlaagd, behalve in geval van overmacht.

(…)

Artikel 10 quinquies

Een bij een controle ter plaatse geconstateerd rund als bedoeld in de artikelen 10 en 10 ter is een rund dat:

(…)

b) in het gecomputeriseerde gegevensbestand is geregistreerd overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 820/97 en naar behoren is ingeschreven in het register overeenkomstig artikel 7 van die verordening;

(…)

Artikel 11

(…)

2. De kennisgeving van de gevallen van overmacht en de bewijzen die daarvan ten genoegen van de bevoegde instantie worden geleverd, moeten schriftelijk bij de bevoegde instantie worden ingediend binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip dat dit voor de landbouwer mogelijk is.

3. Onverminderd concrete omstandigheden waarmee in individuele gevallen rekening moet worden gehouden, kunnen de bevoegde instanties met name de volgende gevallen van overmacht aanvaarden:

(…)

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;

(…).''

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 28 augustus en 3 september 2001 zijn op het bedrijf van appellante bedrijfs-controles verricht met betrekking tot over het premiejaar 2000 toegekende slachtpremie voor kalveren. Blijkens het rapport was er ten tijde van de controles geen bedrijfsregister aanwezig.

- Bij besluit van 12 juni 2002 heeft verweerder de aan appellante toegekende slachtpremie teruggevorderd.

- Op 3 juli 2002 heeft appellante bezwaar gemaakt. Tevens zijn op 5 juli 2002 nog nadere gronden ingediend. Hierbij heeft appellante de achtergronden van het ontbreken van het bedrijfsregister toegelicht. De bedoeling was dat de heer B het bedrijf over zou doen aan zijn dochter en schoonzoon die al enige tijd het bedrijf waarnamen. Vlak voor de formele overdracht zijn de heer en mevrouw B op vakantie gegaan. Tijdens deze vakantie heeft de broer van genoemde schoonzoon zelfmoord gepleegd, waardoor de dochter en schoonzoon zwaar overspannen zijn geraakt en de bedrijfsvoering hals over kop hebben gestaakt en van de boerderij zijn vertrokken. Buiten medeweten van B heeft de dochter bij haar vertrek het bedrijfsregister bij de boekhouder neergelegd. Dit is B pas later bekend geworden, aangezien hij zijn dochter en schoonzoon over deze kwestie niet of nauwelijks kon benaderen. Daar kwam nog bij dat ten tijde van de controle bij de vrouw van B kanker werd ontdekt en dat zij hiervoor behandeld moest worden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

''Bij nota van 12 juni 2002 met notanummer 7426 heeft het Productschap Vee en Vlees (…) op grond van het bepaalde in artikel 10 quater van de Verordening (EEG) nr. 3887/92 van 23 december 1982 (verder te noemen : de Verordening) € 6137,00 van u teruggevorderd van de aan u eerder betaalde slachtpremie voor kalveren ad € 8.891,00 voor het premiejaar 2000. (…)

Tegen dit besluit heeft u …. tijdig bezwaar gemaakt.

(…)

Allereerst moet worden opgemerkt dat u ten tijde van de controles op 28 augustus 2001 en 3 september 2001 geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die duiden op een situatie van overmacht. Evenmin zijn door u kennisgeving en bewijzen hiervan overgelegd aan de bevoegde instantie binnen tien werkdagen vanaf het tijdstip waarop dit voor u mogelijk was. Reeds hierom kan ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Verordening een beroep op overmacht niet worden gehonoreerd. Maar daarenboven duidt ook de door u geschetste gang van zaken in het bezwaarschrift er niet op dat zich in uw geval een situatie van overmacht heeft voorgedaan. Duidelijk is dat geen van de gevallen, genoemd in artikel 11, derde lid, van de Verordening aanwezig is. Maar ook anderszins kan van overmacht geen sprake zijn.

Bij invulling van het begrip overmacht dient aansluiting te worden gezocht bij het begrip overmacht zoals dit is voortgekomen uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Om een bepaald geval als overmacht te erkennen, dient er volgens deze vaste jurisprudentie, sprake te zijn van abnormale en onvoorzienbare omstandigheden buiten de wil van de betrokkene, waarvan de gevolgen ondanks alle zorgvuldigheid niet konden worden vermeden.

Aan die voorwaarden is in uw geval niet voldaan. Voorop moet worden gesteld dat ingevolge artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97 op u, als degene aan wie de slachtpremie is verleend, de plicht rust ervoor te zorgen dat het in dit artikel genoemde bedrijfsregister op uw bedrijf aanwezig is. De omstandigheid dat uw dochter uw bedrijfsadministratie aan een ander, ten behoeve van u handelende boekhouder te hand heeft gesteld, brengt niet met zich mee dat deze plicht vermindert. De omstandigheid dat u niet wist dat de bedrijfsadministratie bij uw boekhouder was, kan in dit verband niet tot de conclusie leiden dat sprake is van overmacht. Het betreft hier immers niet een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid buiten uw wil, waarvan de gevolgen ondanks alle zorgvuldigheid niet konden worden vermeden. Integendeel.

In de eerste plaats behoort het enkele feit dat uw administratie bij uw boekhouder lag tot een normale bedrijfsvoering, met dien verstande dat het register steeds op het bedrijf raadpleegbaar moet zijn. Ook was het voorzienbaar dat uw boekhouding zich bij uw boekhouder bevond. Uit uw bezwaarschrift blijkt dat uw dochter en schoonzoon al enige tijd de facto uw bedrijf leidden en de bedrijfsadministratie bijhielden, met het oog op een overname van het bedrijf. Onder deze omstandigheden mag ervan worden uitgegaan dat u, eventueel na zorgvuldigheidshalve contact met uw dochter te hebben opgenomen, redelijkerwijs wist of behoorde te weten waar uw bedrijfsadministratie zich bevond. Dit klemt te meer nu u na de eerste controle heeft toegezegd dat u uw bedrijfsadministratie zou opzoeken en er voldoende gelegenheid was om ervoor te zorgen dat de bedrijfsadministratie vóór de tweede controle op uw bedrijf terug zou zijn.

De gevolgen van het niet aanwezig zijn van het bedrijfsregister op uw bedrijf hadden dan ook door uw eigen toedoen op eenvoudige wijze kunnen worden vermeden.''

4. Het nadere standpunt van verweerder

Bij de in rubriek 1 vermelde brief van verweerder van 4 oktober 2003 heeft hij in reactie op een vraag van het College naar de juridische grondslag van het bestreden besluit onder andere het volgende naar voren gebracht:

''Nu er geen bedrijfsregister aanwezig is, kan het aantal geconstateerde runderen niet worden vastgesteld. Dientengevolge kan niet worden vastgesteld of het aantal in de steunaanvraag aangegeven dieren, in casu 681 dieren, gelijk is aan het geconstateerde aantal in aanmerking komende dieren. Derhalve dient te worden aangenomen dat het verschil met de in de steunaanvraag aangegeven dieren 100% is. Omdat het vastgestelde verschil daarmee groter is dan 20%, bepaalt artikel 10 ter, tweede lid, van de Verordening dat in dit geval geen steun wordt verleend.

Het ontbreken van het bedrijfsregister heeft eveneens tot gevolg niet kan worden vastgesteld of het aantal op het bedrijf aanwezige en voor communautaire steun in aanmerking komende of relevante dieren, in casu nul dieren, overeenkomt met het in het register vermelde aantal runderen. Derhalve dient te worden aangenomen dat het verschil met de in de steunaanvraag aangegeven dieren 100% is. Omdat het vastgestelde verschil daarmee groter is dan 20 %, bepaalt artikel 10 quater, derde lid, van de Verordening dat ook in dit geval geen steun wordt verleend.

Gelet op het belang dat in communautaire verband wordt gehecht aan een betrouwbaar en goed functionerend systeem van identificatie en registratie van dieren, waaronder het op juiste en tijdige wijze bijhouden van een bedrijfsregister, kan het ten tijde van een controle niet aanwezig zijn van dieren de houder van dieren niet ontslaan van de verplichting een bedrijfsregister bij te houden.

Immers artikel 7 van Verordening (EG) nr. 820/97 schrijft voor dat elke houder van dieren een register bijhoudt dat te allen tijde ter beschikking staat van de bevoegde autoriteit. Uit het bovenstaande volgt dat in het geval dat tijdens een controle ter plaatse wordt geconstateerd dat er geen bedrijfsregister aanwezig is, op grond van zowel artikel 10 quater, als op grond van artikel 10 ter van Verordening de aangevraagde premie niet kan worden verleend.''

5. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante stelt zich op het standpunt, dat sprake is van een overmachtsituatie. Ten tijde van de controle bestond de vennootschap uit vier vennoten (bedrijfshoofden) namelijk B en echtgenote, de dochter en haar man. Zoals reeds eerder in het bezwaarschrift is gemeld was de bedrijfsovername door de dochter en haar man nagenoeg geregeld. De akte met betrekking tot overname lag al bij de notaris.

Als gevolg van de in het bezwaarschrift gemelde omstandigheden werden de dochter en haar man langdurig arbeidsongeschikt (ernstige overspannenheid). Derhalve is er sprake van overmacht in de zin van artikel 11, derde lid van de Verordening onder sub b.

Omdat de overname geregeld was (de overnamedatum was al bekend), waren de dochter en haar man feitelijk bedrijfshoofd. De heer B en diens echtgenote waren er niet meer bij betrokken. De heer B kon niet weten dat de administratie bij de accountant lag. Zijn dochter en schoonzoon waren ten tijde van de controle absoluut niet aanspreekbaar. Daar kwam nog bij dat mevrouw B ten tijde van de controle ernstig ziek werd.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 De in geding zijnde terugvordering van slachtpremie heeft verweerder gebaseerd op artikel 10 quater van Verordening (EEG) nr. 3887/92. Omdat bij controle ter plaatse niet het aantal dieren kon worden vastgesteld dat in het bedrijfsregister stond ingeschreven, heeft verweerder de steun volledig ingetrokken. Ten aanzien van de juridische grondslag van verweerders besluit tot terugvordering van de slachtpremie overweegt het College het volgende.

Artikel 10 quater is, naar oordeel van het College, niet van toepassing op onderhavige zaak. Immers, bij de controles op 28 augustus en 3 september 2001 was geen register aanwezig en evenmin werden toen dieren aangetroffen. Uit die gegevens kan niet worden afgeleid dat het aantal aanwezige dieren niet in overeenstemming zou zijn met het aantal in het bedrijfsregister ingeschreven dieren.

Wel kan ten aanzien van de dieren waarvoor reeds premie verleend was worden vastgesteld, dat deze niet als 'geconstateerd' in de zin van artikel 10 quinquies, aanhef en onder b konden worden aangemerkt, aangezien van de vermelding van deze dieren in het register niet gebleken was. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet gestoeld kon worden op artikel 10 quater, doch dat het uitsluitend op artikel 10 ter juncto quinquies gebaseerd had mogen worden. Een besluit gebaseerd op deze laatste artikelen ligt echter niet voor.

Het bestreden besluit moet gelet op het voorgaande worden vernietigd. Ter beoordeling van de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met gebruikmaking van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in stand gelaten kunnen worden overweegt het College als volgt.

6.2 Niet in geschil is dat tijdens de controle het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde bedrijfsregister niet aanwezig was op het bedrijf. Aan de orde is vervolgens de vraag of het beroep op overmacht van appellante aanvaard kan worden. Hieromtrent oordeelt het College als volgt.

Allereerst constateert het College dat verweerder zijn bevoegdheid om in deze zaak over de slachtpremie te beschikken ontleent aan artikel 1.I.2 van de Overdrachtsregeling bevoegdheden landbouwwet 1966 van de Overdrachtsregeling Algemeen, gelezen in samenhang met de Regeling steunverlening dierlijke EG-premies.

Vervolgens stelt het College vast dat appellante, nu zij zich beroept op de aanwezigheid van overmacht, nagelaten heeft om de aanwezigheid van overmacht ingevolge het bepaalde bij artikel 11, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 (zoals aangehaald onder rubriek 2.1 van deze uitspraak), onder overlegging van bewijsstukken daarvoor, binnen 10 dagen schriftelijk aan verweerder te melden. Uit niets blijkt immers dat B tijdens de eerste controle op de aanwezigheid van het bedrijfsregister op 28 augustus 2001 of naar aanleiding daarvan een dergelijke kennisgeving heeft gedaan. Pas uit het bezwaarschrift van appellante van 3 juli 2002 heeft verweerder kunnen begrijpen dat appellante een beroep op overmacht wenst te doen. Reeds op deze grond moet het beroep dat appellante wenst te doen op overmacht falen.

Het College stelt daarnaast vast dat de aanvraag voor slachtpremie werd gedaan door de VOF, bestaande uit vier vennoten, te weten B, zijn echtgenote, hun dochter C en hun schoonzoon E. De verplichting tot het op het bedrijf aanwezig houden van het bedrijfsregister rustte bijgevolg op de VOF. Dit betekent dat eventuele overmacht bij de VOF slechts dan met vrucht kan worden ingeroepen als elk van de vennoten ten gevolge van overmacht niet in staat was aan de verplichting tot het aanwezig houden van het bedrijfsregister te voldoen.

Zelfs als appellante er in zou zijn geslaagd met bewijsstukken - hetgeen niet uit het dossier is af te leiden - aan te tonen dat mevrouw B, haar dochter en haar schoonzoon in een situatie van overmacht verkeerden, is niet aannemelijk gemaakt dat B zelf zich ook met vrucht daarop zou kunnen beroepen.

Voor het College staat vast dat de geschetste omstandigheden voor B niet een van de in artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 opgesomde gevallen van overmacht opleveren. Voornoemd artikel bevat echter geen uitputtende opsomming. Daarom moet worden bezien of de omstandigheden waar de heer B zich op beroept vallen onder het overmachtsbegrip, zoals het Hof van Justitie in vaste rechtspraak heeft uitgelegd. Dat betekent dat het niet aanwezig hebben van het bedrijfsregister op het bedrijf niet aan de heer B en derhalve niet aan appellante kan worden toegerekend, wanneer dat te wijten zou zijn aan abnormale en onvoorziene omstandigheden die vreemd zijn aan appellante en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet had kunnen worden vermeden. Het College is van oordeel dat B op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het hem onmogelijk was tijdig voorzieningen te treffen met betrekking tot de aanwezigheid van het bedrijfsregister sinds de pijnlijke en ingrijpende gebeurtenissen binnen zijn familie plaatsvonden. Gelet hierop kan het College slechts tot het oordeel komen dat een beroep op overmacht door B, hoe zeer het College ook begrip heeft voor de treurige en pijnlijke omstandigheden binnen zijn familie, niet het door hem gewenste resultaat kan opleveren. Het beroep op overmacht van appellante kan derhalve niet slagen.

6.3 Gelet op het voorgaande zal het College de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een totaalbedrag van € 805,-- voor onderhavige zaak (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke inlichting; wegingsfactor: 1 voor het gewicht van de zaak; € 322,-- per punt). De kosten van de door appellante meegebrachte accountant komen niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien deze kosten, gelet op de aard van het onderhavige geschil, redelijkerwijs niet gemaakt hadden hoeven worden.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 september 2002;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 805,-- (zegge: achthonderdvijf euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,-- (zegge: tweehonderd

achttien euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. J.A. Hagen en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.H. Vazquez Muñoz