Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO3818

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-01-2004
Datum publicatie
17-02-2004
Zaaknummer
AWB 03/365
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 24 maart 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 februari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 8 oktober 2002, waarbij de onderneming van appellant bij verweerders rechtsvoorganger werd geregistreerd, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 03/365 23 januari 2004

3110 Registratie

ambtshalve

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, als rechtsopvolger van het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazo-/Vloerenbedrijf, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 24 maart 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 februari 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 8 oktober 2002, waarbij de onderneming van appellant bij verweerders rechtsvoorganger werd geregistreerd, ongegrond verklaard.

Op 13 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 21 november 2003 plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid hebben partijen hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Koninklijk Besluit van 28 juni 1954 is op grond van artikel 67 van de Wbo, zoals dit artikel destijds luidde, ingesteld het Bedrijfschap voor het Stucadoors-, het Terrazzo- en het Steengaasstellersbedrijf. Artikel 2 van dit besluit (hierna: Instellingsbesluit) luidde na de op 21 april 1961 in werking getreden wijziging als volgt:

"Artikel 2

1. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin het stucadoorsbedrijf (waaronder begrepen het betonemaillebedrijf), het terrazzobedrijf (steen-, kunststeen- en houtgranietbedrijf) of het steengaasstellersbedrijf wordt uitgeoefend."

Bij wet van 24 juni 1992 (Stb. 409) is onder meer artikel 67 van de Wbo gewijzigd. Als gevolg daarvan lag de bevoegdheid om een bedrijfslichaam in te stellen, nadien niet meer bij de wetgever of de Kroon, maar kon de Sociaal-Economische Raad dit voortaan bij verordening doen. Artikel XVI van de wijzigingswet bepaalde:

"1. De vervanging van wetten en algemene maatregelen van bestuur door verordeningen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, laat onverlet:

a. de rechtskracht van de door een hoofdprodukt-, een produkt-, een hoofdbedrijf- of een bedrijfschap, dan wel door een lichaam als bedoeld in artikel 110 vastgestelde verordeningen en overige besluiten;

(…)"

Op 15 januari 1999 heeft de Sociaal-Economische Raad - mede gelet op artikel 67 van de Wbo, zoals dit artikel te dien tijde luidde - een verordening vastgesteld, waarbij het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf werd ingesteld. Deze Verordening (hierna: Instellingsverordening) is bij besluit van 16 maart 1999 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Economische Zaken, goedgekeurd. De relevante bepalingen van de Instellingsverordening luiden als volgt:

"Artikel 3

1. Er is een Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin het stukadoors-, afbouw- of het terrazzo-/vloerenbedrijf wordt uitgeoefend.

3. (…).

Artikel 5

Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. de registratie van de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld (…)."

In de Toelichting bij de Instellingsverordening wordt onder andere opgemerkt:

"Ook in de terrazzobedrijfstak hebben in de loop der tijd grote ontwikkelingen plaatsgevonden, in het bijzonder op het gebied van het leggen van vloeren. In het kader van het terrazzobedrijf worden onder meer dekvloeren vervaardigd. Deze dienen te worden onderscheiden van constructieve vloeren, waarvan het vervaardigen is voorbehouden aan het aannemersbedrijf bouw- en utiliteit (…)

Het terrazzo- en het vloerenbedrijf zijn nauw met elkaar vervlochten (…)."

Op 13 mei 1993 heeft het bestuur van het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (aan welke naam destijds de vermelding "Afbouwbedrijf" werd toegevoegd) een verordening vastgesteld, houdende regels over de registratie van de bij het bedrijfschap aangesloten ondernemingen en de verstrekking van gegevens door ondernemers (hierna: Registratieverordening). Deze luidt voorzover hier van belang:

"Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. het Bedrijfschap: het Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf;

b. de onderneming: de onderneming waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf (Stb. 1954, 322) genoemd bedrijf wordt uitgeoefend:

(…)

Artikel 2.

1. Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven, waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

Artikel 3

1. Er is een register waarin gegevens over ondernemingen en ondernemers worden geregistreerd.

(…)

Artikel 4

1. In het register worden gegevens opgenomen over de onderneming en de ondernemer, alsmede administratieve gegevens."

Bij Koninklijk Besluit van 5 juli 2002, gebaseerd op artikel 67 van de Wbo, zoals dat met ingang van een op 1 juli 1999 in werking getreden wijziging luidt, is met ingang van 1 januari 2003 het Bedrijfschap opgeheven en is het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud ingesteld. In artikel 21 van het besluit is het volgende bepaald:

"1. De opheffing van de bedrijfslichamen heeft geen gevolg voor de ontvankelijkheid van bezwaren als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht of beroepen ingevolge de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie. In plaats van de bedrijfslichamen treedt het hoofdbedrijfschap als partij op."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 26 juli 2002 heeft verweerders rechtsvoorganger appellant verzocht een vragenlijst in te vullen ter beoordeling van een mogelijke verplichting tot registratie.

- Appellant heeft de ingevulde vragenlijst op 24 september 2002 toegezonden. Op de ingevulde vragenlijst heeft appellant aangegeven dat zijn onderneming zich onder meer bezig houdt met het aanbrengen van grindvloeren (kunsthars/mineraal).

- Bij brief van 8 oktober 2002 heeft verweerders rechtsvoorganger appellant bericht dat hij appellants onderneming, op basis van de ingevulde vragenlijst, heeft geregistreerd.

- Tegen de registratie heeft appellant bij brief van 24 oktober 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 7 januari 2003 is appellant omtrent zijn bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

''Of een bedrijf al dan niet dient te worden geregistreerd bij het Hoofdbedrijfschap wordt beoordeeld aan de hand van bovengenoemde Instellingsbesluit. Daarbij wordt onderzocht of de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden onder de omschrijving van de Instellingsbesluit vallen.

De bedrijfsomschrijving van uw onderneming bij de Kamer van Koophandel luidt: ''Schoonmaak en onderhoud van gebouwen en verkoop en aanleg van coating en siervloeren''. Omdat het hoofdbedrijfschap vanwege deze bedrijfsomschrijving vermoedde dat door uw bedrijf werkzaamheden worden verricht die onder het hoofdbedrijfschap vallen, is een vragenlijst naar uw onderneming verzonden. Op de vragenlijst heeft u aangegeven dat door uw onderneming grindvloeren worden aangebracht. Omdat die werkzaamheden onder het Hoofdbedrijfschap vallen, is uw bedrijf geregistreerd.

In het bezwaarschrift heeft u, zakelijk weergegeven, geschreven dat bedrijven die vloerbedekkingen leggen niet behoeven te worden geregistreerd terwijl uw bedrijf dat wel moet vanwege het aanbrengen vloeren op basis van epoxy. Volgens u werkt dit concurrentievervalsend. Het betreft hier echter verschillende soorten vloeren. Alle ondernemingen die epoxyvloeren aanbrengen zijn registratieplichtig waardoor er geen sprake is van concurrentievervalsing.''

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant stelt dat zijn onderneming zich toelegt op kunststofvloerbedekking (epoxy) en niet op grindvloeren. Gezien de minimale verschillen tussen een vloerenbedekkingbedrijf en een kunststofvloerenbedekkingbedrijf acht appellant het niet gerechtvaardigd dat zijn bedrijf wél registratieplichtig is en een vloerenbedekkingbedrijf niet. Er is volgens hem sprake van rechtsongelijkheid en concurrentievervalsing.

5. Het nadere standpunt van verweerder

In het verweerschrift heeft verweerder onder meer het volgende aangevoerd:

''De onderneming van A is geregistreerd vanwege het aanbrengen van vloeren in de zin van de Instellingsverordening. De Instellingsverordening zelf geeft geen nadere omschrijving wat onder terrazzo-/vloerenbedrijf moet worden verstaan. De toelichting op de Instellingsverordening geeft echter daarover duidelijkheid. (…)

In deze procedure is voorts van belang de uitspraak van uw college d.d. 6 augustus 1990, zaaknummer 88/02/02, waarin is bepaald dat een dekvloer een dikte van tenminste 5 mm moet hebben (…).

De onderneming van A legt volgens haar website onder meer de volgende vloeren aan (…).

- troffelvloeren: dit zijn dekvloeren op basis van epoxy-, polyethaan- of methacrylaatharsen. De laagdikte van de vloer varieert van 5 tot 10 mm (…)

- siergrindvloeren: dit zijn dekvloeren op basis van epoxyhars met als toeslagstof riviergrind, kwarts en natuursteen. De laagdikte van de vloer varieert van 5 tot 10 mm (…)

- siermortelvloeren: dekvloeren op basis van epoxyhars

- gietvloer: dekvloer op basis van epoxyhars

- coatingvloeren: dekvloeren op basis van epoxyhars.

In het beroepschrift schrijft A dat zijn bedrijf kunststofvloerbedekking (epoxy) aanbrengt. Met kunststofvloerbedekking bedoelt A een kunstharsgebonden dekvloer. Een kunststofgebonden dekvloer is een in het werk, dus ter plekke van bestemming, vervaardigd vloer op basis van materialen bestaande uit bindmiddel(en) en vulstof(fen). De door A aangebrachte kunststofgebonden dekvloeren hebben epoxy als bindmiddel.''

6. De beoordeling van het geschil

Het Bedrijfschap verricht de registratie van ondernemingen op grond van en met inachtneming van hetgeen in de Registratieverordening ter zake bepaald is. Deze verordening zoals zij luidde ten tijde van het bestreden besluit, verplicht tot registratie van de ondernemingen, waarin een in het Instellingsbesluit genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

Vaststaat dat appellant in het werk vloeren vervaardigt. Voorts stelt het College, mede gelet op appellants verklaringen ter zitting, vast dat een deel van de werkzaamheden van appellant betreft het vervaardigen van troffel- en grindvloeren met een dikte van meer dan 5 mm. Op deze werkzaamheden had ook het Instellingsbesluit betrekking. Terzake verwijst het College naar zijn eveneens aan partijen bekende uitspraak van 3 juni 1988 met nr. 88/02/2 waarin is geoordeeld dat bij het vervaardigen van dergelijke vloeren, welke dekvloeren zijn, het terrazzobedrijf wordt uitgeoefend. Nu appellants onderneming derhalve het terrazzobedrijf uitoefent heeft verweerder appellants onderneming ingevolge artikel 2, eerste lid van het Instellingsbesluit en de artikelen 2 en 3 van de Registratieverordening terecht en op juiste gronden geregistreerd. Dat het slechts om een ondergeschikt gedeelte van de door appellants bedrijf verrichte werkzaamheden gaat, kan aan het oordeel dat terecht tot registratie is overgegaan niet afdoen.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. W.E. Doolaard en mr. F.W. Marchie du Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2004.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.H. Vazquez Muñoz