Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO3797

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-02-2004
Datum publicatie
16-02-2004
Zaaknummer
AWB 02/1838
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1838 5 februari 2004

20010 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, gevestigd te X, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 11 september 2002,

gemachtigde: mr. T.M.A. van Löben Sels, advocaat te Utrecht.

1. De procedure

Bij brief van 31 juli 2001 heeft A bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen C.

Bij beslissing van 11 september 2002 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 11 november 2002 heeft het College van A een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht.

Bij geschrift van 11 februari 2003 heeft C gereageerd op het beroepschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2004. Ter zitting zijn verschenen de gemachtigde van A voornoemd, B, C en diens gemachtigde mr. I.P. Palm-Steyerberg, advocaat te Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij tuchtbeslissing van 11 september 2002 heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Allereerst zal het College beoordelen of C bij het uitbrengen van zijn rapport van 11 juli 2000 al dan niet als accountant is opgetreden. C stelt zich op het standpunt dat de raad van tucht deze vraag ten onrechte bevestigend heeft beantwoord.

In aanmerking genomen dat C ingevolge artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) zelf geen beroep heeft kunnen instellen tegen de beslissing van de raad van tucht, ziet het College geen grond voor het oordeel dat C de juistheid van het oordeel van de raad van tucht dat hij als accountant is opgetreden niet zou kunnen aanvechten in reactie op het beroep van A.

3.1.1 Naar het oordeel van het College vormt het enkele feit dat C het rapport heeft opgesteld en ondertekend met gebruikmaking van zijn RA-titel onvoldoende grond voor het oordeel dat hij als accountant is opgetreden. Deze titel vormt een aanduiding van de deskundigheid van de desbetreffende persoon en impliceert niet zonder meer dat sprake is van een optreden als (openbaar) accountant. Of van een dergelijk optreden sprake is geweest, dient mede te worden beoordeeld aan de hand van de andere omstandigheden van het geval.

3.1.2 Het College stelt vast dat C in zijn rapport van 11 juli 2000 niet kenbaar heeft gemaakt dat hij is opgetreden als (openbaar) accountant. Het rapport is opgesteld op papier met de aanduiding "C Advies" en daaronder "bureau voor ondernemingswaardering". Het rapport is ondertekend door P en C, in het geval van C met de nadere aanduiding "beëdigd makelaar/taxateur in bedrijfsbelangen". Voorts heeft C onweersproken verklaard dat hij beroepshalve geen andere werkzaamheden verricht dan binnen zijn bureau voor ondernemingswaardering en dat hij nimmer als openbaar accountant optreedt.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het College niet worden staande gehouden dat C zich als accountant heeft bekendgemaakt of heeft doen bekendmaken, dat hij beroepshalve een verklaring (zijnde een accountantsverklaring, een beoordelingsverklaring of een samenstellingsverklaring) heeft afgegeven of dat hij is opgetreden onder gemeenschappelijke naam met een accountant. Mitsdien doet zich in het onderhavige geval geen van de in artikel 2, eerste lid, van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) bedoelde situaties voor.

3.1.3 Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat C bij het opstellen van het rapport van 11 juli 2000 niet als accountant is opgetreden.

3.1.4 Het College volgt C niet in zijn standpunt dat, reeds nu A niet heeft geklaagd over schending van artikel 5 GBR-1994, het beroep van A niet kan slagen. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat, indien in een klaagschrift specifieke bepalingen uit de GBR-1994 worden genoemd, de door de klager gewraakte gedraging(en) van een registeraccountant uitsluitend mogen worden getoetst aan de in het klaagschrift genoemde bepalingen uit de GBR-1994. Naar het oordeel van het College dient de tuchtrechter zelfstandig te beoordelen of het in een klaagschrift gestelde, voorzover dit voldoende feitelijke grondslag heeft, een overtreding oplevert van de GBR-1994 en, zo ja, van welke bepaling(en) daarvan.

3.2 De grieven I tot en met IV van A zijn (direct dan wel indirect) gericht tegen het oordeel van de raad van tucht dat het rapport van C (voldoende) deugdelijke grondslag heeft, althans dat gezien de ongegrondverklaring van de klacht naar het oordeel van de raad van tucht geen sprake is van overtreding van artikel 11 GBR-1994.

Nu C bij het opstellen van het rapport niet als accountant is opgetreden, kan zijn handelen slechts worden getoetst aan hoofdstuk II GBR-1994, in het bijzonder artikel 5, en is toetsing aan het in hoofdstuk III GBR-1994 opgenomen artikel 11 niet aan de orde.

Naar het oordeel van het College is niet op voorhand ondenkbaar dat een mededeling van een registeraccountant die niet als accountant optreedt, zozeer een deugdelijke grondslag ontbeert dat moet worden geoordeeld dat de norm van artikel 5 GBR-1994 is geschonden. Evenwel zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat sprake is van een dergelijke situatie, omdat het niet van toepassing zijn van artikel 11 GBR-1994 anders feitelijk geen betekenis zou hebben. Ook in zijn uitspraak van 3 april 2003 (00/655; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AF5179) heeft het College tot uitdrukking gebracht dat aan een rapport, afkomstig van een registeraccountant die niet optreedt als accountant, minder vergaande zorgvuldigheidseisen kunnen worden gesteld dan indien wel sprake was geweest van een optreden als (openbaar) accountant.

Hetgeen A tegen de bestreden tuchtbeslissing heeft aangevoerd, leidt het College niet tot het oordeel dat het rapport van 11 juli 2000 van C niet voldoet aan de daaraan, gelet op het vorenoverwogene, te stellen eisen. Het College overweegt hiertoe het volgende.

In het rapport heeft C naar het oordeel van het College duidelijk tot uitdrukking gebracht welke werkzaamheden hij heeft verricht, meer in het bijzonder welke gegevens en personen hij heeft geraadpleegd, om tot zijn rapportage te komen. Aan een waardebepaling als hier aan de orde is inherent dat deze mede berust op eigen inschattingen en oordelen, waarbij niet kan worden uitgesloten dat andere terzake deskundige personen tot (gedeeltelijk) andere inschattingen en oordelen zouden zijn gekomen. Naar het oordeel van oordeel van het College heeft C in zijn rapportage duidelijk uiteengezet hoe hij tot de waardebepaling is gekomen. Niet kan worden staande gehouden dat daarbij sprake is van kennelijk onjuiste waarderingen en beoordelingen.

C had tot opdracht de waarde van J vóór de bezetting van het bedrijf op initiatief van A te bepalen. Inherent aan deze opdracht is dat C geen rekening diende te houden met bedoelde bezetting en hetgeen daarop is gevolgd. Al hetgeen A heeft aangevoerd met betrekking tot de periode vanaf de bedrijfsbezetting, kan reeds hierom niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

Anders dan A heeft betoogd, kan in § 4.7 van het rapport geen oordeel van C worden gelezen over het causaal verband tussen de bedrijfsbezetting en het faillissement van J. Deze paragraaf van het rapport bevat een weergave van een aantal gebeurtenissen en de opvatting van een aantal betrokkenen over deze gebeurtenissen, maar geen oordeel van C over evengenoemd causaal verband.

Zoals het College heeft overwogen in onder meer zijn uitspraak van 12 april 2001 (99/950; LJN-nummer AB1303), impliceert de enkele omstandigheid dat geen hoor en wederhoor is toegepast niet dat een mededeling deugdelijke grondslag ontbeert. In zijn uitspraak van 5 november 2001 (02/331; LJN-nummer AF1513) heeft het College overwogen dat het antwoord op de vraag of de deskundigheid van de registeraccountant en de door hem verrichte werkzaamheden een deugdelijke grondslag vormen voor het doen van een bepaalde mededeling, afhankelijk is van inhoud en strekking van deze mededeling. Het toepassen van hoor en wederhoor is derhalve geen doel of verplichting op zich, maar een middel ter verkrijging van een deugdelijke grondslag.

Het College stelt vast dat A weliswaar in algemene zin heeft gesteld dat C ten aanzien van A ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft toegepast, maar A heeft geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht voor de opvatting dat het niet toepassen van dit hoor en wederhoor afbreuk heeft gedaan aan de deugdelijkheid van het rapport van C.

Hetgeen A heeft aangevoerd over het gebruik van de jaarrekening 1991 van J door C (grief IV) stuit reeds af op de omstandigheid dat de klacht van A tegen de accountant die een verklaring bij deze jaarrekening heeft afgegeven, niet gegrond is verklaard (uitspraak van 7 oktober 2003 in zaak 02/1551; LJN-nummer AN8953).

Hetgeen A overigens heeft aangevoerd ter onderbouwing van de grieven I tot en met IV is, voorzover het niet op het vorenstaande afstuit, naar het oordeel van het College door C afdoende weersproken en is ook overigens niet van dien aard dat op grond daarvan zou kunnen worden geconcludeerd tot schending van artikel 5 GBR-1994.

3.3 De vijfde grief van A heeft betrekking op vermeende partijdigheid van C. De desbetreffende bepaling uit de GBR-1994, artikel 9, maakt evenals artikel 11 GBR-1994 deel uit van hoofdstuk III GBR-1994 en is in het onderhavige geval derhalve niet van toepassing. Overigens ziet het College op grond van de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting dat C zich bij het opstellen van het rapport partijdig zou hebben opgesteld. Ook de vijfde grief van A kan derhalve niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden.

3.4 Gelet op het vorenstaande kan het beroep niet slagen.

Na te melden beslissing rust op titel II, § 6, van de Wet RA.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. C.J. Borman en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. B. van Velzen

R a a d v a n T u c h t

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

B E S L I S S I N G

in de zaak met nummer R 310 van:

A,

gevestigd te X,

K L A A G S T E R,

tegen

C,

registeraccountant,

kantoorhoudende te Y,

B E T R O K K E N E.

===================================

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewissel-de en aan partijen bekende stukken, waaronder met name:

(a) het klaagschrift, met bijlagen, van 31 juli 2001,

(b) het verweerschrift van 29 augustus 2001 en

(c) de hierna te noemen pleitnotities.

1.2 De Raad heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 27 novem-ber 2001, waar aanwezig waren:

-aan de zijde van klaagster-

als vertegen-woordiger van klaagster, haar bestuurder K, tot bijstand vergezeld van L, tevens vergezeld van de advocaat van klaagster, mr. T.M.A. van Löben Sels, advo-caat te Utrecht,

en

-aan de zijde van betrokkene-

C in persoon, vergezeld van diens advocaat, mr. A.C. van Campen, advocaat te Amsterdam.

1.3 Partijen en hun advocaten hebben bij gelegenheid van voor-mel-de zitting hun standpunten toegelicht aan de hand van aan de Raad van Tucht overge-legde pleitnotities en geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

1.4 De inhoud van de gedingstukken, waaronder ook voormelde pleitnoti-ties, geldt als hier ingevoegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad van Tucht het volgende vast.

2.2 J is in de maanden maart/april 1992 gedurende ongeveer twee weken bezet geweest op initiatief van klaagster. Op 17 april 1992 werd J door de Rechtbank te Almelo failliet verklaard. Op 15 maart 1993 werd de vennootschap ontbonden. De vereffening van het vermogen is door de Rechtbank te Almelo bij beschikking van 22 januari 1997 heropend. Vervolgens heeft J tegen klaagster een procedure tot schadevergoe-ding aanhangig gemaakt. Bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 6 januari 1999 is de bezettingsactie onrechtmatig geoordeeld en is klaagster veroordeeld tot het vergoeden van de schade, op te maken bij staat. Dit vonnis is bevestigd bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 januari 2000.

2.3 Bij dagvaarding van 18 juli 2000 is de schadestaatprocedure aanhangig gemaakt. De schadestaat werd (mede) van een feitelijke grondslag voorzien door een waarderingsrapport van 11 juli 2000 van het bureau voor onderne-mingswaar-dering C Advies, dat mede door betrokkene is onderte-kend met de vermelding: "C, beëdigd makelaar/taxa-teur in bedrijfsbelan-gen".

2.4 Genoemd waarderingsrapport, opgemaakt in opdracht van M (vereffe-naar namens J en oud-commissaris van die vennootschap) betreft een onderzoek naar de waarde van J vóór het moment van de bedrijfs-bezetting in maart 1992.

2.5 Het waarderingsrapport wordt tevens gehanteerd ter motivering van de aansprakelijkheid van klaagster voor het faillissement van J en de daardoor ontstane schade.

3. De klacht

3.1 De klacht luidt -samengevat weergegeven- als volgt.

I.Het waarderingsrapport heeft geen deugdelijke grondslag.

II.De jaarrekening 1991 van J is een belangrijk uitgangspunt in het waarderingsrapport, terwijl deze jaarrekening eveneens een deugdelijke grondslag ontbeert.

III.Het waarderingsrapport is niet onpartijdig opgesteld.

4. De gronden van de beslissing

4.1 Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad als volgt.

4.2 Namens betrokkene is gesteld dat klaagster niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht, aangezien artikel 2 lid 2 sub I a van de GBR-1994 bepaalt dat deze verordening van toepassing is indien de desbe-treffende registeraccountant zich bekend maakt als accountant, hetgeen betrokkene niet heeft gedaan. Dat betrokkene zijn RA-titel wel heeft vermeld bij de ondertekening van het onderhavige waarderingsrapport, is -aldus de advocaat van betrokkene- in dit verband niet van belang.

4.3 De Raad van Tucht overweegt met betrekking tot dit verweer het vol-gende. Betrokkene heeft zich, zowel in het onderhavige waarderings-rapport (op het voorblad en bij de ondertekening) als in zijn op de onderha-vige zaak betrekking hebbende correspondentie, telkens geafficheerd met -onder meer- zijn hoedanigheid van registeraccountant met gebruikmaking van de daartoe gebruikelijke aanduiding "RA". Bovendien geldt dat van de in de onderhavige zaak door betrokkene uitge-voerde werkzaamheden geenszins kan worden gezegd dat zij niet tot het vakgebied van de accountancy kunnen worden gerekend. Daaraan doet niet af dat, zoals betrokke-ne heeft gesteld, het gaat om een specialisme en/of dat deze werkzaamheden -ook- door personen worden verricht die niet accountant zijn en zich ter zake van die werkzaamheden presenteren als behorend tot een specialistische beroepsgroep. Het beroep op niet ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht tegen betrokkene verwerpt de Raad van Tucht mitsdien.

4.4 Wat de -inhoud van de- klacht betreft stelt de Raad van Tucht voorop dat het door klaagster bekritiseerde rapport een waardebepaling bevat, en wel van -de onderneming van- J vóór 25 maart 1992, en dat het is opgemaakt in opdracht van haar vereffenaar. Voor zover de klacht zulks miskent en meer in het bijzonder voor zover zij er vanuit gaat dat het rapport een vaststelling van schade zou betreffen en/of een opvatting zou bevatten met betrekking tot de vraag welke omstandigheid heeft te gelden als -rechtens relevante- oorzaak van toegebrachte schade, mist zij feitelijke grondslag en is zij reeds om die reden ongegrond.

4.5 Aldus dient met name onderdeel I van de klacht te worden beoordeeld in het licht van de vraag of de -uitkomst van de- waardering in het rapport van een deugdelijke grondslag is voorzien. Dienaangaande heeft het volgende te gelden.

4.6 De Raad van Tucht stelt vast dat betrokkene in zijn rapport duidelijk en voldoende specifiek heeft weergegeven onderscheidenlijk dat daarin voldoende duidelijk valt te lezen, in de eerste plaats volgens welke methode(n) van waardebepaling betrokkene tot zijn oordeel is gekomen, in de tweede plaats op grond van welke gegevens en verwachtingen hij tot zijn oordeel is gekomen, in de derde plaats dat die gegevens en verwachtingen goeddeels afkomstig zijn van J en bij haar of ten behoeve van haar werkzame personen, in de vierde plaats dat betrokkene weliswaar met betrekking tot die gegevens en verwachtingen correcties heeft aangebracht op grond van eigen inzichten doch dat verificatie van die gegevens en verwachtingen op validiteit bij derden goeddeels zo niet geheel achterwege is gebleven en in de vijfde plaats dat de waardering niet heeft plaatsgevonden op basis van continuering van de bedrijfsvoering van J zoals die in het verleden plaatsvond maar op de grondslag van een nieuw strategisch concept, in het rapport wel aangeduid met de zinsnede dat sprake was van een "turn-around"-fase.

4.7 Niet kan worden gezegd dat het rapport binnen deze door betrokkene aldus gekozen uitgangspunten deugdelijke grondslag zou ontberen. Evenmin kan worden gezegd dat het beginsel van de deugdelijke grondslag met zich brengt dat een rapport als het onderhavige niet tot stand zou mogen worden gebracht. Voor zover de klacht van een andere opvatting uitgaat is zij derhalve ongegrond.

4.8 Zoals uit de formulering van en de toelichting op de klacht blijkt richten de bezwaren van klaagster tegen het rapport zich voor een groot deel overigens ook vooral op de onhoudbaarheid van de door betrokkene aan zijn oordeel ten grondslag gelegde gegevens en de volatiliteit van de gehanteerde verwachtingen waardoor aan de uitkomst van de waardering goeddeels realiteitsgehalte moet worden ontzegd. De Raad van Tucht oordeelt dienaangaande als volgt.

4.9 Klaagster moet worden toegegeven dat bij de door betrokkene gehanteerde gegevens en verwachtingen vraagtekens kunnen worden geplaatst. Aan twijfel zijn onder meer ten minste onderhevig of financiering door banken of een bank, noodzakelijk voor het slagen van de voorziene strategie, zou worden verschaft, of de orders waarop werd gerekend inderdaad zouden worden geplaatst en of inderdaad door derden, zoals door N, in J zou worden geparticipeerd. Voor zulke twijfel en voor de gegrondheid van de -door klaagster geventileerde- opvatting dat ter zake sprake is geweest van een overdadige vorm van optimisme, is te meer plaats omdat betrokkene, zoals eerder vermeld, externe en grondige verificatie dienaangaande achterwege heeft gelaten.

4.10 De Raad van Tucht deelt ook de opvatting van klaagster dat het -vrijwel geheel- abstraheren door betrokkene van de bedrijfsmatige ontwikkelingen van de onderneming van J in de periode voorafgaand aan 25 maart 1992, ook al is betrokkene uitgegaan en mocht hij uitgaan van de voormelde "turn-around", en in het algemeen het feit dat de waardering uitgaat van een in de toekomst te volgen strategie met alle daaraan per definitie verbonden onzekerheden, in nog versterkte mate meebrengt dat omtrent de -uitkomst van de- waardering twijfel gerechtvaardigd is te achten.

4.11 De Raad van Tucht is echter van oordeel dat, ook al zou voor de hand hebben gelegen dat in het rapport aan de in 4.9 en 4.10 vermelde vraagpunten meer aandacht zou zijn besteed en hoezeer het achterwege gebleven zijn daarvan tot gevolg heeft dat de uitkomst van de waardering door betrokkene bepaald niet als dwingend of onomstotelijk juist kan worden aangemerkt, betrokkene niet in verband daarmee een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken, zulks te minder omdat een gebruiker van het rapport van betrokkene reeds door enkele kennisneming daarvan zonder overmatige inspanning ook zelf kan komen tot de door de Raad van Tucht hier getrokken conclusie.

4.12 De slotsom van het tot hier overwogene is dat onderdeel I van de klacht ongegrond is. Dat wordt niet anders doordat klaagster nog heeft aangevoerd dat betrokkene niet de feitelijke ontwikkelingen van -de onderneming van- J na 25 maart 1992 in de beschouwing heeft betrokken nu deze gegeven het gekozen uitgangspunt niet van belang is te achten. Dat wordt evenmin anders doordat betrokkene klaagster niet bij de totstandkoming van het rapport heeft betrokken. Voor betrokkene bestond daartoe geen gehoudenheid.

4.13 De klacht is eveneens ongegrond wat de onderdelen II en III betreft. Nog daargelaten dat gezien de door betrokkene gekozen uitgangspunten de jaarrekening van J over 1991 van beperkte betekenis is te achten, heeft klaagster klachtonderdeel II in dit geding onvoldoende toegelicht. Wat klachtonderdeel III betreft heeft te gelden dat betrokkene in zijn rapport, in het bijzonder in onderdeel 1 daarvan, voldoende duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat hij een bijzonder belang vertegenwoordigde. De stelling dat hij zich in dat kader jegens zijn opdrachtgever onvoldoende onafhankelijk heeft opgesteld acht de Raad van Tucht onvoldoende van feitelijke grondslag voorzien en is ook overigens geenszins aannemelijk gemaakt of geworden.

4.14 Al het vorenoverwogene brengt mee dat de klacht in alle onderdelen ongegrond dient te worden verklaard.

5. De beslissing

De Raad van Tucht:

Verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, drs. E.J.F.A. de Haas RA en drs. J.W. Moret RA, leden, in aanwezigheid van W. Welmers, adjunct-secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 11 september 2002.

__________ __________

secretaris voorzitter