Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO2594

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/1424 en 03/1425
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Op 1 december 2003 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 november 2003.

Bij dat besluit is beslist op het bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 27 maart 2003 tot intrekking van verzoekers vergunning tot het verrichten van taxivervoer.

Verzoeker heeft zich bij brief van 1 december 2003 tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek het bestreden besluit bij wege van een voorlopige voorziening te schorsen en te bepalen dat de aan verzoeker bij besluit van 10 januari 2001 verleende taxivergunning onverkort in stand dient te blijven, althans ook na 22 december 2003 in stand dient te blijven.

Verweerder heeft een verweerschrift overgelegd en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Hij heeft daarbij op voorhand toestemming als bedoeld in artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) gegeven bij de behandeling van een verzoek om voorziening de hoofdzaak af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 03/1424 en 03/1425 16 januari 2004

Uitspraak in de zaak van:

A h.o.d.n. A Taxi, te X, verzoeker,

gemachtigde: mr. B.R. de Boer-Kühn, advocaat te Amsterdam,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. W.E. van Haveren, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 1 december 2003 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 november 2003.

Bij dat besluit is beslist op het bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 27 maart 2003 tot intrekking van verzoekers vergunning tot het verrichten van taxivervoer.

Verzoeker heeft zich bij brief van 1 december 2003 tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek het bestreden besluit bij wege van een voorlopige voorziening te schorsen en te bepalen dat de aan verzoeker bij besluit van 10 januari 2001 verleende taxivergunning onverkort in stand dient te blijven, althans ook na 22 december 2003 in stand dient te blijven.

Verweerder heeft een verweerschrift overgelegd en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Hij heeft daarbij op voorhand toestemming als bedoeld in artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wbb) gegeven bij de behandeling van een verzoek om voorziening de hoofdzaak af te doen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is ter zitting behandeld op 9 januari 2004, alwaar de gemachtigden van partijen de respectieve standpunten hebben toegelicht en voorts verzoeker en B en - namens verweerder - A.W.E. Dadoo-van der Pligt zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

Verzoeker heeft ter zitting toestemming als bedoeld in artikel 19 Wbb gegeven.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. taxivervoer: personenvervoer per auto, anders dan bedoeld in onderdeel h, tegen betaling;

k. vervoerder: degene die (…) taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;

(…)

Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

(..)

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken. (…)

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid.

(…)"

In het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 26

1. De vervoerder die openbaar vervoer, anders dan per trein, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

2. Degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eis, bedoeld in het eerste lid, of, indien deze leiding bij meer personen berust, tenminste een van hen.

3. (…)"

In de Nota van toelichting bij artikel 26 van het Besluit is het begrip permanent en daadwerkelijk leidinggeven op de volgende wijze nader toegelicht:

" De eis van vakbekwaamheid beoogt door inbreng van de vakbekwame persoon een goede bedrijfsgang in de vervoersonderneming te waarborgen. Het predikaat "permanent" moet worden opgevat als een continue betrokkenheid bij het leidinggeven. De betrokkenheid mag niet incidenteel zijn. Indien het leidinggeven door de aard of grootte van de onderneming een voltijdse aangelegenheid is, betekent dit dat de vakbekwame niet slechts een gedeelte van de werktijd met daadwerkelijke leiding kan zijn belast. "Daadwerkelijk" geeft aan dat het om een inhoudelijke betrokkenheid bij het leidinggeven gaat. De functie van leidinggevende kan niet louter een formele status inhouden.

Zo kan een bestuurder van een rechtspersoon die als vervoerder geldt de vakbekwaamheid niet inbrengen indien de leiding over het vervoer feitelijk bij een ander berust. De werkzaamheden in het kader waarvan leiding wordt gegeven betekenen dat de vakbekwame inhoudelijk betrokken moet zijn bij beslissingen inzake uitbreiding van het bedrijf, het aangaan van financiële verplichtingen, het aan- en verkoopbeleid, de aansturing van personeel, het dagelijkse ondernemersbeleid, de relaties met de overheid, maar ook de strategie van het bedrijf op de vervoersmarkt. De uitleg van het begrip permanent leidinggeven vergt tevens dat de vakbekwame ten aanzien van deze werkzaamheden naar buiten vertegenwoordigingsbevoegd is.

Zonder een volmacht of mandaat om namens de vervoerder op te treden, kan de facto geen sprake zijn van leidinggeven als bedoeld in het onderhavige artikel."

In de op 29 januari 2003 in de Staatscourant gepubliceerde Beleidsregel inzake toetsing vakbekwaamheid in het taxivervoer (hierna: Beleidsregel) is onder meer het volgende bepaald:

"(…)

In een éénmanszaak zonder chauffeurs in dienst wordt de eigenaar van de eenmanszaak aangemerkt als degene die permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer.

(…)

Inwerkingtreding en overgangsregeling

Deze beleidsregel is van toepassing bij de behandeling van aanvragen om een vergunning voor taxivervoer die zijn ingediend na de datum waarop deze beleidsregel is gepubliceerd. Taxiondernemingen die op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregel houder zijn van een vergunning voor taxivervoer dienen op 1 januari 2005 te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid volgens de criteria die zijn vervat in deze beleidsregel. Tot die datum worden deze ondernemingen geacht te voldoen aan de eis van vakbekwaamheid, indien de leiding aan het taxivervoer plaatsvindt op de manier die bij de aanvraag van de vergunning is aangegeven.

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

(…)."

In de toelichting op de Beleidsregel wordt onder meer het volgende opgemerkt:

" (…)

Overgangsregeling

Bij de invoering van deze beleidsregel wordt rekening gehouden met de gerechtvaardigde verwachtingen en met de belangen van bestaande taxiondernemers. De vervoerders die bij de inwerkingtreding van deze beleidsregel in het bezit zijn van een vergunning voor taxivervoer hoeven pas op 1 januari 2005 volgens de criteria van deze beleidsregel te voldoen aan [de] eis van vakbekwaamheid. Als echter blijkt dat de vakbekwame persoon in een onderneming niet (meer) leiding geeft op de wijze die bij de aanvraag van de vergunning aannemelijk werd gemaakt, volgt nader onderzoek en kan eventueel de vergunning worden geschorst of ingetrokken.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor de voorzieningenrechter komen vast te staan.

- Verzoeker heeft op 31 augustus 2000 een procuratiecontract gesloten met B, voornoemd. In dit contract is onder meer het volgende overeengekomen:

"(…)

1. De ondernemer verleent aan de procuratiehouder procuratie om namens hem/haar alle handelingen te verrichten welke voor een richtige exploitatie van Taxibedrijf A nodig zullen blijken te zijn. De procuratiehouder is volledig bevoegd op het bedoelde taxibedrijf.

(…)

4. De procuratiehouder zal tenminste een dag per week besteden aan de daadwerkelijke leiding en toezicht op het bedoelde taxibedrijf."

(…)

Taken van de procuratiehouder:

1. De procuratiehouder zal toezicht houden op het voeren door de ondernemer van een correcte boekhouding.

2. De procuratiehouder zal toezicht houden op het door de ondernemer invullen van de rittenstaten, het bijhouden van de werkmap en de maandelijkse opgave aan de boekhouder van de omzet en de kosten door de ondernemer.

3. De procuratiehouder zal desgevraagd adviseren aan de ondernemer bij aankoop van een auto, zowel als bij belasting en bpm-afdracht.

4. De procuratiehouder zal één keer per week met de ondernemer overleg voeren over de weekplanning diensttijden van de ondernemer in het kader van correcte naleving van de arbeidstijdenwet.

5. Desgewenst zal de ondernemer dagelijks met de procuratiehouder contact kunnen opnemen indien er vragen zijn, danwel advies nodig is over de omgang met klanten, danwel het opbouwen van een vaste klantenkring.

6. De ondernemer zal de procuratiehouder informeren over het opbouwen van het rijden op rekening voor contractwerk.

7. De procuratiehouder zal zorgdragen voor het opbouwen van en vervolgens instandhouden van de relatie tussen de ondernemer en de taxicentrale.

8. De procuratiehouder zal zorgdragen voor begeleiding en advies bij de opleiding tot het ondernemersdiploma."

- Bij besluit van 10 januari 2001 heeft verweerder verzoeker voor onbepaalde tijd een vergunning verleend voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoergebied AZAM. Daartoe is onder meer overwogen dat binnen de onderneming wordt voldaan aan de in het Besluit omschreven eisen van vakbekwaamheid door de inbreng van B als procuratiehouder. In de aanbiedingsbrief is nog het volgende opgemerkt:

" In uw onderneming wordt de vakbekwaamheid ingebracht door een procuratiehouder. Daarmee is formeel voldaan aan het vereiste van artikel 28 Besluit Personenvervoer 2000. Ik wijs u erop dat de Rijksverkeersinspectie een onderzoek kan instellen naar de materiële invulling van het vereiste van vakbekwaamheid."

- Teneinde inzicht te krijgen in de wijze waarop B invulling geeft aan zijn functie van vakbekwaam leidinggevende, heeft verweerder verzoeker op 22 januari 2003 de zogenaamde "Verklaring Inbreng Vakbekwaamheid" (hierna: VIV) doen toekomen, met het verzoek dit formulier door B te doen invullen. In dit formulier zijn de hierna aangehaalde vragen als volgt beantwoord.

" 3. Welke taken worden uitsluitend door u als vakbekwaam leidinggevende persoon binnen deze onderneming verricht? (…)

Advies dagelijkse administratie

6. Geef aan wanneer u als vakbekwaam leidinggevende persoon de werkzaamheden verricht m.b.t. het permanent en daadwerkelijk leiding geven. (…)

Verschillend ± 1 uur per week

7. Voert u als vakbekwaam leidinggevend persoon overleg met de ondernemer/vennoten? Zo ja, welke onderwerpen worden in dit overleg besproken? (…)

Boekhouding werkmap enz"

- Verweerder heeft bij brief van 10 februari 2003 het voornemen uitgesproken de vergunning in te trekken.

- Verzoeker en B hebben op 19 februari 2003 terzake mondeling hun zienswijze kenbaar gemaakt.

- Bij besluit van 27 maart 2003, verzonden op 31 maart 2003, heeft verweerder de taxivergunning van verzoeker met ingang van 19 juni 2003 ingetrokken.

- Namens verzoeker is daartegen bij brief van 25 april 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 19 mei 2003 heeft verweerder verzoeker bericht dat de intrekking van de vergunning pas in werking treedt zeven weken na de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - het volgende overwogen.

Volgens het procuratiecontract heeft B diverse taken. In de VIV wordt slechts aangegeven dat hij advies geeft over de dagelijkse boekhouding en met verzoeker overleg heeft over de boekhouding en de werkmap. Ingevolge het contract moet B tenminste één dag in de week besteden aan leiding en toezicht, terwijl bij vraag 6 van de VIV wordt aangegeven dat hij ongeveer 1 uur per week in verzoekers onderneming werkzaam is. De materiele invulling van de taken van de vakbekwaam leidinggevende is derhalve anders dan bij de aanvraag is afgesproken.

Gezien de tegenstrijdigheden tussen het contract en de VIV en gelet op de wijze van invulling van de VIV kan niet worden gesproken van een ondubbelzinnige omschrijving van de taken van de procuratiehouder. B houdt zich slechts bezig met advisering over de dagelijkse werkzaamheden. Zijn werkzaamheden beslaan niet het gehele scala aan leidinggevende werkzaamheden rond het vervoer in verzoekers onderneming. Het korte tijdsbeslag van de werkzaamheden brengt de benodigde continue betrokkenheid in gevaar. Gezien taakinvulling en tijdsbesteding kan redelijkerwijs niet worden gesproken van permanent en daadwerkelijk leidinggeven door B.

Verzoeker heeft er niet zonder meer op kunnen vertrouwen dat hij tot 1 januari 2005 mocht doorrijden. De aanbiedingsbrief bij het besluit van 10 januari 2001 vermeldt immers uitdrukkelijk dat slechts was beoordeeld of formeel aan de eis van vakbekwaamheid werd voldaan en kondigt voorts aan dat een onderzoek kan plaatsvinden naar de materiële invulling daarvan.

Het bestreden besluit voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en is voldoende gemotiveerd. De intrekking is niet gebaseerd op verweerders op 29 januari 2003 gepubliceerde beleidsregel.

Dat verzoeker als gevolg van de intrekking van zijn vergunning niet langer inkomsten kan verwerven uit zijn taxibedrijf behoort, even als het maken van investeringen, tot het risicodomein van de ondernemer.

3.2 In het verweerschrift is onder meer het volgende naar voren gebracht.

Ondernemingen die houder zijn van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer worden geacht aan de eis van vakbekwaamheid te voldoen, tenzij blijkt dat de vakbekwaam leidinggevende niet (meer) leiding geeft op de wijze die bij de aanvraag werd afgesproken. In dat geval wordt de vergunning ingetrokken.

4. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft samengevat het volgende aangevoerd.

B geeft permanent leiding, is continu en inhoudelijk betrokken bij de onderneming en staat verzoeker bij alle gelegenheden de onderneming betreffend bij. Verzoeker is inmiddels twee jaren bezig en heeft zeer frequent contact met B, die het reilen en zeilen van de onderneming regelmatig met hem evalueert. De werkzaamheden van B beperken zich niet tot advisering over de dagelijkse administratie, maar beslaan alle in de praktijk voorkomende vragen. Inmiddels heeft verzoeker weinig vragen, maar B is altijd voor verzoeker bereikbaar.

Verweerder beroept zich ten onrechte op de niet op verzoeker van toepassing zijnde beleidsregel. Mocht deze wel van toepassing zijn, dan moet worden nagegaan of onverkorte toepassing in dit geval redelijk is. Deze afweging heeft niet plaatsgevonden. Gelet op een publicatie in "Taxxx Flits" is de rauwelijkse intrekking van de vergunning in strijd met het afgekondigde overgangsbeleid.

Het bestreden besluit is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verzoeker mocht aan de vergunningverlening de verwachting ontlenen dat hij zijn vergunning voor onbepaalde tijd zou houden. Er is sprake van gewekte verwachtingen, die voor hem gedragsbepalend zijn geweest. Als de intrekking wordt geëffectueerd, heeft dat voor verzoeker verstrekkende persoonlijke en financiële gevolgen.

Verzoeker vermag niet in te zien waarom hij niet (langer) voldoet aan de wettelijke eisen voor het verrichten van taxivervoer. Verweerder heeft verzoeker nimmer een termijn gesteld waar binnen hij zelf over de vakbekwaamheid diende te beschikken. Het is aannemelijk dat hij binnen afzienbare tijd over het diploma zal beschikken.

De intrekking is in strijd met de (materiële) rechtszekerheid, omdat die is gebaseerd op een beleidsregel die is uitgevaardigd twee jaren na afgifte van de vergunning. In het bestreden besluit wordt betoogd dat de beleidsregel niet van toepassing is, maar een concrete grond voor intrekking wordt niet gegeven. Verweerders standpunt dat de materiele invulling van het procuratiehouderschap anders is dan overeengekomen, komt gekunsteld voor.

Er is sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Een voor onbepaalde tijd verleende vergunning wordt ingetrokken op grond van criteria vastgesteld en ingevoerd door een beleidsregel van januari 2003. Het achterliggende doel is klaarblijkelijk het terugdringen van de praktijk van "eigen rijders onder procuratiehouderschap". Verweerder stelt weliswaar dat de beleidsregel niet van toepassing is, maar toetst impliciet toch aan de criteria uit de beleidsregel. Verweerders handelwijze getuigt dan ook van een onredelijke belangenafweging, te meer daar geen deugdelijke overgangsregeling of passende schadevergoeding is getroffen.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wbb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wbb kan, indien beroep bij het College is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, mits procespartijen hiervoor toestemming hebben gegeven. Dit laatste is in casu het geval.

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van 9 januari 2004 is de voorzieningenrechter van oordeel dat onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak kan worden gedaan. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat een onderneming die een taxivergunning heeft gekregen op grond van de inbreng van een vakbekwaam leidinggevende, in ieder geval aan het vereiste van vakbekwaamheid voldoet, indien de vakbekwaam leidinggevende feitelijk de bij de aanvraag opgegeven taken verricht. Voor een dergelijke onderneming geldt dat de ondernemer eerst op 1 januari 2005 zelf aan voornoemd vereiste moet voldoen.

De bestreden intrekking van de vergunning steunt op verweerders oordeel dat verzoeker en B in de praktijk niet handelen conform hetgeen zij bij de vergunningaanvraag hebben opgegeven én dat de werkzaamheden die B in verzoekers onderneming verricht, niet kunnen worden aangemerkt als permanent en daadwerkelijk leidinggeven, zodat in deze onderneming niet wordt voldaan aan het vakbekwaamheidsvereiste.

Voorop dient te worden gesteld dat verweerder niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om, nadat hij op aanvraag een taxivergunning heeft verleend, te onderzoeken of de invulling in de praktijk in overeenstemming is met het bij aanvraag geschetste beeld en als dat niet het geval is en geen sprake is van permanent en daadwerkelijk leidinggeven, de verleende vergunning in te trekken. Deze handelwijze is niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, te meer nu in de aanbiedingsbrief bij het besluit tot vergunningverlening reeds is gewezen op de mogelijkheid dat een onderzoek zal worden ingesteld naar de materiële invulling van het vakbekwaamheidsvereiste. Verzoeker heeft dan ook steeds rekening moeten houden met een onderzoek en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid dat de vergunning zou worden ingetrokken.

Verweerder heeft zijn oordeel dat er een discrepantie bestaat tussen de bij de aanvraag geschetste situatie en de situatie in de praktijk in hoofdzaak gebaseerd op een vergelijking van het bij de aanvraag overgelegde procuratiecontract en de in het kader van het onderzoek ingediende VIV.

De voorzieningenrechter constateert dat op de eerste bladzijde van de VIV als naam van de onderneming Taxi B wordt vermeld, met als vestigingsadres C-straat te X en als P-nummer 2636. Dat roept de vraag of wel is beoogd met deze VIV een beeld te schetsen van de wijze waarop in verzoekers onderneming, met P-nummer 12020, de vakbekwaamheid wordt ingebracht.

Gelet evenwel op de ondertekening van de VIV door respectievelijk B als vakbekwaam leidinggevende en verzoeker als ondernemer, op de vermelding in de VIV van het kenteken van het voertuig van verzoeker en gezien de opstelling van verzoeker (en zijn gemachtigde) bij het horen in het kader van het voornemen tot intrekken, in het bezwaarschrift, bij de hoorzitting en in het beroep- en verzoekschrift, staat vast dat de vermelding van deze ondernemingsnaam en dit P-nummer een verschrijving is en dat de VIV is ingevuld met het oog op verzoekers onderneming. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat in deze VIV wordt omschreven op welke wijze in de visie van verzoeker en B binnen verzoekers onderneming invulling wordt gegeven aan het permanent en daadwerkelijk leidinggeven. Aan de stelling dat deze door verzoeker en B zelf verstrekte informatie geen correct beeld geeft van de werkelijke situatie kan derhalve worden voorbijgegaan.

Vergelijking van het contract met de VIV leidt tot de conclusie dat er een verschil bestaat tussen de bij de aanvraag voorgestelde werkwijze en de praktijk, met name voor wat betreft de omvang in de tijd van de door B te verrichten werkzaamheden. In het contract is deze omvang bepaald op tenminste één dag per week, terwijl uit de VIV blijkt dat B ongeveer één uur per week binnen de onderneming werkzaam is. Daarnaast legt het contract B meer taken op dan in de VIV zijn weergegeven.

Het voorgaande betekent dat verweerder, gelet op zijn niet onredelijk beleid, niet zonder meer heeft behoeven aan te nemen dat in verzoekers onderneming aan het vakbekwaamheidsvereiste wordt voldaan, maar dat dit aan de hand van de beschikbare informatie concreet diende te worden beoordeeld.

Het betoog van verzoeker dat deze beoordeling ten onrechte heeft plaatsgevonden aan de hand van strengere normen dan op het moment van vergunningverlening golden, ziet er aan voorbij dat de eis van permanent en daadwerkelijk leidinggeven niet nieuw is, maar rechtstreeks uit de Wet en het Besluit volgt. Deze eis gold derhalve reeds ten tijde van de vergunningverlening. Dat verweerder bij het niet voldoen aan deze eis tot intrekking overgaat, is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting bij de Wet, voorts door de wetgever nadrukkelijk beoogd. Aangezien verweerder niet heeft getoetst aan de criteria van de beleidsregel, kan en zal de voorzieningenrechter deze regel buiten beoordeling laten.

Ten aanzien van het in het bestreden besluit neergelegde oordeel dat geen sprake is van permanent en daadwerkelijk leidinggeven wordt het volgende overwogen.

Het wettelijk stelsel, en in het bijzonder artikel 26, tweede lid, van het Besluit, mede in het licht van de hiervoor weergegeven toelichting op deze bepaling, staat er niet aan in de weg dat (ook) bij een eenmanszaak ('eigen rijder') de vakbekwaamheid door een procuratiehouder wordt ingebracht, mits deze procuratiehouder permanent en daadwerkelijk leiding geeft aan het vervoer. Het is echter over het algemeen minder waarschijnlijk te achten dat een ondernemer die voornemens is in het kader van een eenmanszaak bepaalde werkzaamheden te verrichten, een procuratiehouder belast met in het bijzonder de taak om aan de uitvoering van die werkzaamheden leiding te geven. Het is dan ook niet onjuist dat verweerder de bedrijfsvoering van een eigen rijder die zelf niet aan de vakbekwaamheidseis voldoet, kritisch beziet.

Verweerder heeft aan de in de VIV vervatte informatie de conclusie kunnen en mogen verbinden dat niet aannemelijk is dat de taken van B zich uitstrekken over het gehele scala van leidinggevende werkzaamheden. In feite wijst de beantwoording van de vragen in de VIV er veeleer op dat B zich beperkt tot advisering en de beantwoording van de - in afnemende mate - bij verzoeker levende vragen en dat de leiding van de onderneming in de praktijk (inmiddels) bij verzoeker zelf berust. Ook het in beroep gestelde dat B regelmatig met verzoeker de gang van zaken evalueert, wijst er niet op dat de leiding in de onderneming daadwerkelijk bij B ligt. B treedt derhalve niet op als vakbekwaam leidinggevende in verzoekers onderneming, zodat in deze onderneming niet wordt leiding gegeven door een persoon die aan het vakbekwaamheidsvereiste voldoet. Verweerder heeft dan ook terecht en op goede gronden verzoekers vergunning ingetrokken.

Nu het primaire besluit een intrekkingstermijn van twaalf weken hanteert en de intrekking vervolgens nog is opgeschort tot zeven weken na de beslissing op bezwaar, is verweerder in voldoende mate aan de belangen van verzoeker tegemoet gekomen. Er bestond voor verweerder dan ook geen aanleiding om verzoeker in verband met de intrekking een schadevergoeding toe te kennen. Verweerder was al evenmin gehouden de intrekking op te schorten omdat verzoeker verwachtte op korte termijn zelf aan het vereiste van vakbekwaamheid te voldoen. Daarvoor is die verwachting op te weinig feiten gebaseerd. Op het moment dat dit het geval is, kan verzoeker bij verweerder een nieuwe aanvraag indienen.

Het beroep op artikel 3:4 van de Awb slaagt evenmin. Het belang dat is gemoeid met handhaving van de regelgeving moet zwaarder wegen dan het belang van appellant. Dat de intrekking voor verzoeker financiële gevolgen heeft, is een omstandigheid die volledig in zijn risicosfeer ligt.

Verzoeker kan tenslotte geen aanspraak maken op de regeling, op grond waarvan een ondernemer in wiens onderneming de vakbekwaamheid daadwerkelijk wordt ingebracht door een vakbekwaam leidinggevende, eerst op 1 januari 2005 zelf aan de vakbekwaamheidseis behoeft te voldoen. In verzoekers onderneming is immers, zoals uit het voorgaande blijkt, geen sprake van een zodanige inbreng van vakbekwaamheid.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is er voorts geen plaats voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het hiertoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2004.

w.g. W.E. Doolaard w.g. R. Meijer

Verzonden op: