Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO2584

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1967
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2002 heeft C namens de Stichting COKZ appellante in verband met de constatering van salmonella in op 14 maart 2002 door appellante geproduceerde boerenkaas een afleveringsverbod opgelegd voor alle door appellante na 25 november 2001 geproduceerde boerenkaas.

Wetsverwijzingen
Landbouwkwaliteitswet 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2004, 141 met annotatie van J.H. van der Veen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1967 7 januari 2004

17100 Landbouwkwaliteitswet

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A & B, te X, appellante,

gemachtigde: mr. G.J. Burgert, advocaat te Rotterdam

tegen

de Directeur van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ), verweerder,

gemachtigde: mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 8 april 2002 heeft C namens de Stichting COKZ appellante in verband met de constatering van salmonella in op 14 maart 2002 door appellante geproduceerde boerenkaas een afleveringsverbod opgelegd voor alle door appellante na 25 november 2001 geproduceerde boerenkaas.

Bij besluit van 30 oktober 2002 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar de dato

22 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Op 12 december 2002 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij tegen dat besluit beroep wordt ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 2 mei 2003 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2003, alwaar de gemachtigden van partijen de respectieve standpunten hebben toegelicht en voorts namens appellante de heer en mevrouw A en namens verweerder dr. ir. L. de Jong, mr. J.S. Beukens en ing. A. Mentink zijn verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

Het College ziet zich ambtshalve allereerst voor de vraag gesteld of het bevoegd is van dit beroep kennis te nemen. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend, waartoe het volgende wordt overwogen.

Verweerder heeft de bevoegdheid van het College om kennis te nemen van dit beroep gebaseerd op artikel 14 van de Landbouwkwaliteitswet. Deze bepaling stelt beroep open bij het College tegen besluiten van Onze Minister of van Onze Minister en Onze Ministers, wie het mede aangaat, tezamen, krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit genomen, tot verlening, weigering of intrekking van een vergunning. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel staat gelijk beroep open tegen zodanige besluiten van controle-instellingen.

De Stichting COKZ is in het Landbouwkwaliteitsbesluit rauwe melk en zuivelbereiding en het Landbouwkwaliteitsbesluit Zuivelproducten aangewezen als controle-instelling. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het opgelegde afleveringsverbod doen steunen op de artikelen 19 en 26 van het Keuringsreglement COKZ kaas, welk reglement blijkens de considerans op artikel 10, eerste lid, onder e, van de Landbouwkwaliteitswet is gebaseerd.

In zijn uitspraken van 8 juli 1998 (UCB 1998, nr. 47 en AB 1999, nr. 9) en 2 december 1998 (UCB 1998, nr. 82) heeft het College geoordeeld, dat in artikel 14 van de Landbouwkwaliteitswet aan het College slechts een beperkte bevoegdheid is toebedeeld, zodat ervan uit moet worden gegaan, dat tegen andere besluiten dan genomen op grond van een landbouwkwaliteitsbesluit, betreffende de verlening, weigering of intrekking van een vergunning of ontheffing, bij het College geen beroep is opengesteld. Het College heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van een door de wetgever onbedoeld hiaat in de beroepsbepaling. Derhalve is er geen grond om artikel 14 ruimer te interpreteren dan uit de tekst ervan voortvloeit. Voor de ter zitting namens verweerder bepleite opvatting dat de tweede volzin van artikel 14 voornoemd ruimer zou moeten worden gelezen, kan evenmin steun worden gevonden in de tekst van deze bepaling.

Het bestreden besluit strekt tot handhaving in bezwaar van een afleveringsverbod. Het College kan bijgevolg slechts vaststellen dat in deze procedure geen besluit betreffende verlening, weigering of intrekking van een vergunning of ontheffing als hiervoor bedoeld, ter toetsing voorligt. De conclusie moet dan ook zijn dat het College niet bevoegd is van het onderhavige beroep kennis te nemen.

Naar het oordeel van het College is, gelet op de hiervoor geschetste juridische grondslag van het bestreden besluit en gezien het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtbank 's-Gravenhage bevoegd om van dit beroep kennis te nemen. Het College zendt het beroepschrift dan ook met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht ter verdere behandeling aan deze rechtbank door.

3. De beslissing

Het College verklaart zich onbevoegd.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004.

w.g. D. Roemers w.g. R. Meijer