Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO2298

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 19 juni 2002 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing van verweerder van 23 december 1999, waarbij verzoeker is afgewezen voor categorie 3 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1254 13 januari 2004

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:73a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A, te X, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.C. Bragt, werkzaam bij ABAB accountants, belastingadviseurs, juristen, vestiging 's-Hertogenbosch

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. F. Nijnhuis en mr. S.C. Vissering-van der Reijt, beiden werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.

1. De procedure

Op 19 juni 2002 heeft het College van verzoeker een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2002.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van verzoeker tegen de beslissing van verweerder van 23 december 1999, waarbij verzoeker is afgewezen voor categorie 3 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

Bij telefaxbericht van 13 september 2002 heeft verweerder een aan het College gerichte brief, gedateerd 23 augustus 2002, doen toekomen. Genoemde brief behelst een bericht aan het College dat een herziene beslissing op het bezwaarschrift van verzoeker is genomen, waarin volledig wordt tegemoet gekomen aan zijn bezwaren.

Bij brief van 20 september 2002 heeft verzoeker het beroep ingetrokken. Verzoeker heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:73a, Awb de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding van beweerdelijk door verzoeker geleden schade, alsmede tot vergoeding van de door verzoeker ten behoeve van de onderhavige procedure gemaakte kosten.

Bij brief van 9 oktober 2002 heeft verzoeker het College opgave gedaan van de schade die hij tengevolge van de gang van zaken met betrekking tot de toekenning van varkensrechten stelt te hebben geleden.

Verweerder heeft op 26 november 2002 een verweerschrift ingediend strekkende tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft zich daarbij bereid verklaard de kosten voor het indienen van het beroepschrift aan verzoeker te vergoeden.

Bij brief van 19 december 2002 heeft verzoeker een schriftelijke reactie op het verweerschrift ingezonden.

Verweerder heeft bij brief van 9 januari 2003 op voornoemde schriftelijke reactie van verzoeker gereageerd.

Bij brief van 31 oktober 2003 heeft verzoeker een schriftelijke reactie op de brief van verweerder van 9 januari 2003 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2003, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het verzoek

2.1 Wettelijk kader

Artikel 8:73a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat ingevolge artikel 19, eerste lid van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie van overeenkomstige toepassing is, luidt als volgt:

"1. Ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank, op verzoek van de indiener de door haar aangewezen rechtspersoon bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 veroordelen tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn terzake van het verzoek de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verzoeker exploiteert een varkensbedrijf.

- Op 14 oktober 1998 heeft verweerder van verzoeker het formulier "Melding varkens rechten" ontvangen met daarop aangekruist de keuze voor maximale varkensrechten op basis van het referentiejaar 1995.

- Diezelfde dag heeft verweerder van verzoeker eveneens het formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen in verband met aanvraag milieuvergunning vóór 10 juli 1997" ontvangen met daarop aangekruist de keuze voor toepassing van categorie 3, het maximaal mogelijke aantal extra varkensrechten.

- Op 23 december 1999 heeft verweerder verzoeker afgewezen voor categorie 3 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv).

- Bij brief van 26 januari 2000 heeft verzoeker verweerder verzocht de keuze op het formulier "Melding varkensrechten" te wijzigen in de keuze voor minder dan de maximale varkensrechten op basis van het jaar 1995.

- Op 15 december 2000 heeft verweerder het verzoek van 26 januari 2000 afgewezen.

- Bij brief van 2 juli 2001, aangevuld bij brief van 12 september 2001, heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 23 december 1999, waarbij verzoeker is afgewezen voor categorie 3 van het Bhv.

- Bij besluit van 23 mei 2002 heeft verweerder het bezwaar van 2 juli 2001 ongegrond verklaard.

- Tegen dit besluit heeft verzoeker op 19 juni 2002 bij het College beroep ingesteld.

- Bij besluit van 23 augustus 2002 heeft verweerder zijn besluit van 22 mei 2002 herzien en het bezwaarschrift van 2 juli 2001 gegrond verklaard. Bij wijze van uitzondering wordt verzoeker toegestaan zijn keuze op het formulier "Melding varkensrechten" te herzien en ten aanzien van verzoeker zal voor de berekening van het varkensrecht conform zijn verzoek de keuze voor "minder dan maximaal" op basis van het referentiejaar 1995 gelden.

- Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 20 september 2002 het beroep ingetrokken en het College verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak op grond van artikel 8:73a van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoeker heeft geleden ten gevolge van de door verweerder gevolgde handelwijze.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter ondersteuning van het verzoek, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd.

Verzoeker heeft ten gevolge van het onrechtmatige besluit van verweerder gedurende vier jaar (48 maanden) minder varkens kunnen houden dan uiteindelijk is toegestaan. Er is derhalve causaal verband tussen het genomen besluit en de geleden schade.

De schadeberekening is gebaseerd op een overzicht van de bedrijfsresultaten van verzoeker die zijn neergelegd in een rapport van DLV Adviesgroep N.V. van 11 maart 2002. De schade van verzoeker bedraagt € 19.815,-- over de onderzochte periode van 1 september 1998 tot en met 31 december 2001, zijnde een periode van 40 maanden. De schade-veroorzakende gebeurtenis heeft echter tot 31 augustus 2002, zijnde 48 maanden, voortgeduurd, zodat het totale schadebedrag waarvan vergoeding wordt gevraagd € 23.778,-- bedraagt.

5. De beoordeling van het verzoek

5.1 Ter beantwoording van de vraag of er sprake is van schade die voor vergoeding door verweerder, althans de Staat der Nederlanden, in aanmerking komt, dient te worden vastgesteld of er sprake is van onrechtmatig handelen van verweerder en of er een oorzakelijk verband tussen zodanig handelen en de schade die beweerdelijk is geleden valt aan te wijzen. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.2 Het College heeft op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat het besluit van 23 december 1999 waarbij verzoeker is afgewezen voor categorie 3 van het Bhv, dan wel het besluit van 23 mei 2002 waarbij verweerder de tegen het primaire besluit gerichte bezwaren ongegrond heeft verklaard, niet rechtmatig zijn. Niet betwist door verzoeker wordt dat verweerder de varkenseenheden voor verzoeker heeft berekend aan de hand van de door verzoeker op het formulier "Melding varkensrechten" en het formulier "Aanmelding Besluit hardheidsgevallen" verstrekte gegevens. Evenmin betwist verzoeker dat hij, eerst na ommekomst van de op grond van artikel 14 juncto artikel 7, derde lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) geldende termijn heeft gemeld dat - en voor welk aantal - hij in aanmerking wilde komen voor een lager varkensrecht. Derhalve valt naar het oordeel van het College niet in te zien waarom het primaire besluit, dan wel de beslissing op bezwaar, onrechtmatig zouden zijn geweest.

Hierbij komt dat - anders dan verweerders nadere besluit van 23 augustus 2002 zou kunnen doen vermoeden - de reden van de toekenning van extra varkensrechten aan verzoeker niet is gelegen in de door verzoeker in zijn beroep bij het College aangevoerde gronden, maar in de - achteraf onjuiste - veronderstelling aan de zijde van verweerder dat de onderhavige zaak vergelijkbaar zou zijn met die van de varkenshouder B, ten aanzien van wie verweerder in zijn brief aan de Commissie voor de verzoekschriften van de Tweede Kamer van 15 juli 2002 heeft geoordeeld dat sprake was van een "kennelijke vergissing". Genoemde B zou door diens Bhv-melding in een slechtere positie komen te verkeren dan het geval zou zijn bij toepassing van de Whv. Nu het Bhv juist bedoeld is om een voorziening te bieden voor groepen van gevallen, waarin toepassing van de Whv leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, was dat een ongerijmde consequentie. In de situatie van verzoeker is echter geen sprake van een kennelijke vergissing, maar van een na de wettelijk voorgeschreven termijn gedane, gewijzigde melding teneinde alsnog aan de 10 %-vergrotingseis van artikel 9, zesde lid, Bhv te kunnen voldoen. Dat verweerder deze wijziging onverplicht alsnog heeft geaccepteerd kan bezwaarlijk worden geduid als een erkenning van onrechtmatigheid van verweerders eerdere besluitvorming.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek om verweerder, althans de Staat der Nederlanden, te veroordelen tot vergoeding van door verzoeker geleden schade, niet voor toewijzing in aanmerking komt.

5.3 Ten overvloede overweegt het College nog dat verweerder zich blijkens zijn berekening terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker zich - naar door hem is erkend - in de beweerdelijke schadeperiode goeddeels niet aan het uitbreidingsverbod van artikel 15 Whv heeft gehouden, zodat zelfs indien wel van onrechtmatigheid sprake zou zijn geweest, de gestelde schade ook op die grond niet voor vergoeding in aanmerking zou zijn gekomen.

5.4 Het College acht evenmin termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu verweerder reeds te kennen heeft gegeven die kosten aan verzoeker te zullen vergoeden.

6. De beslissing

Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2004.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.J. van den Broek-Prins