Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO2294

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-01-2004
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1485
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1485 6 januari 2004

20120 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 3 juni 2002.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 7 juni 2002, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 3 juni 2002 genomen beslissing op een door appellant op 28 februari 2000 tegen B (hierna ook wel: betrokkene) ingediende klacht.

Bij een op 6 augustus 2002 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 4 oktober 2002 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij faxbericht van 26 oktober 2002 en brief van 31 oktober 2002 aan het College is appellant ingegaan op de toezending van stukken door de raad van tucht.

Bij brief van 5 november 2002 heeft betrokkene gereageerd op het beroep.

Op 25 november 2002 heeft het College een faxbericht met als bijlage een reeds eerder ontvangen brief van appellant ontvangen.

De geplande behandeling van het beroep ter zitting van 3 juni 2003 is op verzoek van appellant uitgesteld.

Bij faxberichten van 12 en 27 juni 2003 en bij brief van 20 juni 2003 heeft appellant het College nader bericht.

Bij brief van 10 juli 2003 heeft betrokkene een reactie gegeven op de door appellant ingezonden berichten.

Bij brieven/faxberichten van 12, 29 en 30 september 2003, 11, 16, 17 en 20 oktober 2003 heeft appellant zich vervolgens tot het College gericht.

Appellant heeft een brief, gedateerd 15 oktober 2003 aan het College doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 23 oktober 2003, waarbij appellant in persoon en betrokkene, vergezeld van zijn raadsman, mr. J.G. Princen, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Betrokkene heeft zich ter zitting, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van het College, op het standpunt gesteld dat appellant na het door hem gewraakte handelen en/of nalaten door betrokkene te veel tijd heeft laten verstrijken alvorens hij op 28 februari 2000 een klacht ter zake van dat handelen en/of nalaten heeft ingediend. Zijns inziens dient dit ertoe te leiden dat een inhoudelijke beoordeling van de klacht achterwege moet blijven.

2.2 Het College heeft in de door betrokkene ter zitting in dit verband genoemde uitspraken, alsook in andere uitspraken in algemene zin overwogen dat het tijdsverloop tussen gedragingen die het voorwerp vormen van een klacht en het indienen van een daarop betrekking hebbend klaagschrift de grenzen van het aanvaardbare in zodanige mate kan overschrijden, dat daaraan de consequentie behoort te worden verbonden van het achterwege laten van een inhoudelijke beoordeling van de klacht. De tuchtrechtspraak heeft blijkens het bepaalde in artikel 51, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten ten doel het weren en beteugelen van misslagen van Accountants-Administratieconsulenten in de uitoefening van hun beroep begaan en van inbreuken op de Verordening van de NovAA en op de eer van de stand van der Accountants-Administratieconsulenten. Het belang dat evengenoemd artikellid beoogt te waarborgen is echter niet zo zwaarwegend dat het onder alle omstandigheden prevaleert boven het belang van een Accountant-Administratieconsulent niet te worden geconfronteerd met tuchtklachten die betrekking hebben op zaken die in een ver verleden liggen. Laatstvermeld belang vindt zijn grond in het ook in het tuchtrecht geldende rechtszekerheidsbeginsel.

2.3 Naar het oordeel van het College staat het een Accountant-Administratieconsulent over wiens handelen en/of nalaten wordt geklaagd, vrij om eerst in beroep naar voren te brengen dat de tegen hem ingediende klacht wegens tijdsverloop niet meer inhoudelijk mag worden beoordeeld. Ook indien de betrokken Accountant-Administratieconsulent - zoals in het voorliggende geval - dit verweer eerst ter zitting bij het College voert, zal het College zich daarover dienen uit te laten. Daarbij mogen evenwel ook de belangen van de oorspronkelijk klager, die immers pas in laatste instantie met dit verweer wordt geconfronteerd, niet worden veronachtzaamd. Er moet derhalve voor worden gewaakt dat deze voldoende gelegenheid heeft van zijn kant argumenten tegen het gevoerde verweer in te brengen.

2.4 In de onderhavige zaak leidt het vorenstaande het College tot de conclusie dat, mede gezien de feitelijke complexiteit van de klacht, appellant onvoldoende in de gelegenheid is geweest in te gaan op het verweer van betrokkene inzake het tijdsverloop. Weliswaar is hem die gelegenheid ter zitting geboden, doch niet kan worden uitgesloten dat hij bij nader inzien en raadpleging van stukken tot een andere of meer uitgewerkte argumentatie zou komen.

Het College zal om deze reden het onderzoek in deze zaak heropenen en appellant de gelegenheid bieden zijn argumentatie ten aanzien van het beroep van betrokkene op tijdsverloop op schrift te stellen en deze binnen vier weken aan het College toe te zenden.

Het College wijst er daarbij op dat de behandeling van deze zaak voor het overige met een uitgebreide wisseling van stukken en een behandeling ter zitting is voltooid. Appellant zal zich dan ook in zijn schriftelijk stuk dienen te beperken tot een reactie op het beroep op tijdsverloop van betrokkene. In het bijzonder de inhoud van de klacht zal niet opnieuw aan de orde kunnen komen.

De reactie van appellant zal aan betrokkene worden toegezonden, waarbij hem de gelegenheid zal worden geboden daarop eveneens binnen vier weken commentaar te geven.

3. Beslissing

Het College:

- heropent het onderzoek;

- stelt appellant in de gelegenheid binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak schriftelijk te reageren

op het beroep van betrokkene op tijdsverloop, waarna betrokkene de gelegenheid zal worden geboden daarop binnen vier

weken na verzending van de reactie van appellant aan hem commentaar te geven;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. M.A. Fierstra en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2004.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins