Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2004:AO2134

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
22-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/1478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voor een beschrijving van het ontstaan en het verloop van de procedures tot 26 juni 2003 wordt verwezen naar de bij partijen bekende uitspraak van het College van die datum (02/1504A; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AH9710).

Bij faxbericht van 19 december 2003 hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek de besluiten van 14 september 2001 van verweerder, waarbij de toelating van de bestrijdingsmiddelen Superwolmanzout-B (voormalig toelatinghoudster: verzoekster sub 1) en CELFIX OX (voormalig toelatinghoudster: verzoekster sub 2) met ingang van 1 maart 2002 wordt ingetrokken, bij wege van voorlopige voorziening te schorsen, naar door hun gemachtigde ter zitting van 9 januari 2004 is aangegeven tot zes weken nadat verweerder opnieuw heeft beslist op het bezwaar van verzoeksters tegen die besluiten.

Bij beschikking van 22 december 2003 heeft de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de bestrijdingsmiddelen Superwolmanzout-B en CELFIX OX tot en met 14 januari 2004 worden behandeld als ware de toelating hiervan niet ingetrokken.

Op 22 december 2003 is de Stichting Behoud Leefmilieu en Natuur Maas en Waal (hierna: Stichting) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij faxbericht van 24 december 2003 heeft de Stichting kenbaar gemaakt van deze gelegenheid gebruik te maken en heeft zij een standpuntbepaling ingezonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No.AWB 03/1478 21 januari 2004

32010

Uitspraak in de zaak van:

1) Arch Timber Protection B.V., gevestigd te Wijchen (voorheen: Hickson Garantor Nederland B.V., gevestigd te Nijmegen), en

2) Van Swaay Schijndel B.V., gevestigd te Schijndel, verzoeksters,

gemachtigde van beide verzoeksters: mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda,

tegen

het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, zetelend te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr. A.A. Spoel, advocaat te Den Haag,

aan welk geding voorts als partij deelnemen:

1) de Stichting Behoud Leefmilieu en Natuur Maas en Waal, gevestigd te Beneden-Leeuwen,

gemachtigde: mr. F.F. Scheffer, werkzaam bij het Buro Rechtshulp te Deventer, en

2) de Vereniging van Houtimpregneerbedrijven in Nederland, gevestigd te Zeist.

1. De procedures

Voor een beschrijving van het ontstaan en het verloop van de procedures tot 26 juni 2003 wordt verwezen naar de bij partijen bekende uitspraak van het College van die datum (02/1504A; www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AH9710).

Bij faxbericht van 19 december 2003 hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek de besluiten van 14 september 2001 van verweerder, waarbij de toelating van de bestrijdingsmiddelen Superwolmanzout-B (voormalig toelatinghoudster: verzoekster sub 1) en CELFIX OX (voormalig toelatinghoudster: verzoekster sub 2) met ingang van 1 maart 2002 wordt ingetrokken, bij wege van voorlopige voorziening te schorsen, naar door hun gemachtigde ter zitting van 9 januari 2004 is aangegeven tot zes weken nadat verweerder opnieuw heeft beslist op het bezwaar van verzoeksters tegen die besluiten.

Bij beschikking van 22 december 2003 heeft de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de bestrijdingsmiddelen Superwolmanzout-B en CELFIX OX tot en met 14 januari 2004 worden behandeld als ware de toelating hiervan niet ingetrokken.

Op 22 december 2003 is de Stichting Behoud Leefmilieu en Natuur Maas en Waal (hierna: Stichting) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij faxbericht van 24 december 2003 heeft de Stichting kenbaar gemaakt van deze gelegenheid gebruik te maken en heeft zij een standpuntbepaling ingezonden.

Op 7 januari 2004 is de Vereniging van Houtimpregneerbedrijven in Nederland (hierna: Vereniging) telefonisch in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deelgenomen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 9 januari 2004. Aldaar waren onder meer aanwezig de hierboven genoemde gemachtigden en ir. A.L. van Oosten, werkzaam bij verzoekster sub 1, J.H.G. van Swaay, werkzaam bij verzoekster sub 2, en mr. M.K. Polano, werkzaam bij verweerder. De Vereniging heeft aangekondigd zich ter zitting niet te doen vertegenwoordigen.

Bij beschikking van 9 januari 2004 heeft de voorzieningenrechter de geldigheidsduur van de bij beschikking van 22 december 2003 getroffen voorlopige voorziening verlengd tot en met 21 januari 2004.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor een weergave van relevante regelgeving verwijst de voorzieningenrechter naar § 2.1 van bovengenoemde uitspraak van 26 juni 2003.

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld in § 2.2 van de uitspraak van 26 juni 2003 van het College. Voorts gaat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Bij meergenoemde uitspraak van 26 juni 2003 heeft het College, voorzover hier van belang, het beroep van appellanten (thans verzoeksters) gegrond verklaard, het besluit van 2 augustus 2002, voorzover betrekking hebbend op de middelen Superwolmanzout-B en CELFIX OX, vernietigd en bepaald dat verweerder met inachtneming van de uitspraak opnieuw beslist op het bezwaar van appellanten tegen die besluiten van 14 september 2001, waarbij verweerder heeft beslist tot intrekking van de toelating van onderscheidenlijk Superwolmanzout-B en CELFIX OX.

- Verweerder heeft nog niet opnieuw beslist op het bezwaar van verzoeksters tegen de intrekkingsbesluiten van 14 september 2001.

3. De beoordeling van het verzoek

3.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende bezwaar en indien van de beslissing op dat bezwaar beroep bij het College openstaat, wat hier ingevolge artikel 8 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Bmw) het geval is, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

De voorzieningenrechter volgt de Stichting niet in haar ter zitting van 9 januari 2004 gehouden betoog dat, gelet op de in de Awb voorgeschreven termijnen voor het nemen van een beslissing op bezwaar en het instellen van beroep tegen een dergelijke beslissing, in dit geval zowel de termijn voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar als de termijn om tegen dit besluit beroep in te stellen is verstreken, thans geen verzoek om voorlopige voorziening meer kan worden ingediend omdat geen sprake meer is van connexiteit. Anders dan de Stichting heeft betoogd, behoort het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening in het onderhavige geval tot de mogelijkheden. Reeds nu verweerder alsnog inhoudelijk op het bezwaar van verzoeksters zal moeten beslissen, wordt voldaan aan het in artikel 81, eerste lid, Awb gestelde connexiteitsvereiste.

Ter zitting heeft de Stichting er voorts op gewezen dat het petitum van het bezwaarschrift tegen de intrekkingsbesluiten van 14 september 2001 niet overeenstemt met het petitum van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet noodzakelijk en het logische gevolg van het verschillende karakter van enerzijds de bezwaarschriftenprocedure, waarin een bestuursorgaan op grondslag van het bezwaar een primair besluit in heroverweging neemt en beoordeelt of dit besluit al dan niet moet worden herroepen, en anderzijds de voorlopige voorzieningprocedure, waarin de bestuursrechter beoordeelt of hangende (in dit geval) bezwaar, gelet op de betrokken belangen, al dan niet een maatregel moet worden getroffen. Reeds hierom kan bedoeld verschil in petitum, anders dan de Stichting lijkt te veronderstellen, evenmin leiden tot de slotsom dat niet aan het connexiteitsvereiste is voldaan.

3.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Wat er ook zij van het standpunt van de Stichting dat verzoeksters wel degelijk wisten dat de uitspraak van 26 juni 2003 van het College tot gevolg had dat de intrekkingsbesluiten van 14 september 2001 herleefden, hetgeen door verzoekster uitdrukkelijk is betwist, dit standpunt kan er niet aan afdoen dat verzoeksters er thans een spoedeisend belang bij hebben op korte termijn (alsnog) duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of zij de middelen Superwolmanzout-B en Celfix OX hangende bezwaar al dan niet op de markt mogen blijven brengen.

3.3 In zijn uitspraak van 26 juni 2003 heeft het College overwogen dat de toelaatbaarheid van Superwolmanzout-B en CELFIX OX op grond van de Bmw slechts adequaat kan worden beoordeeld nadat verweerder zich een beeld heeft gevormd van de concrete milieueffecten van met deze middelen behandeld hout, bijvoorbeeld door het stellen van nadere vragen aan appellanten of op grond van door hen te verrichten nader wetenschappelijk onderzoek. Nu verweerder nog geen nieuw besluit heeft genomen op het bezwaar van appellanten, moet het ervoor worden gehouden dat deze de (her)beoordeling van de toelaatbaarheid van deze middelen nog niet heeft afgerond.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat in deze omstandigheden, gelet op de betrokken belangen, aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hierbij is in aanmerking genomen dat vooralsnog niet vaststaat dat de toelating van de middelen Superwolmanzout-B en CELFIX OX terecht en op juiste gronden is ingetrokken. De argumenten die verweerder aan (de handhaving in bezwaar van) de intrekkingsbesluiten ten grondslag heeft gelegd, zijn door het College in zijn uitspraak van 26 juni 2003 beoordeeld en onvoldoende overtuigend bevonden. In reactie op het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening heeft verweerder geen argumenten aangedragen die een nieuw licht werpen op de toelaatbaarheid van de middelen. Ter zitting van 9 januari 2004 heeft verweerder expliciet te kennen gegeven niet te willen vooruitlopen op de uitkomst van de thans lopende bezwaarschriftenprocedure. Verweerder heeft niet het standpunt ingenomen dat het onderhavige verzoek niet voor inwilliging vatbaar is en refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter terzake. De Stichting heeft in de onderhavige procedure evenmin nieuwe argumenten aangedragen met betrekking tot de toelaatbaarheid van de middelen.

3.4 Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen en de intrekkingsbesluiten van 14 september 2001 schorsen tot zes weken nadat verweerder zijn (nieuwe) besluit(en) op het bezwaar van verzoeksters heeft bekend gemaakt.

De voorzieningenrechter overweegt tenslotte dat het door verzoeksters betaalde griffierecht door verweerder dient te worden vergoed en dat termen aanwezig zijn verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoeksters, zijnde de kosten van de door hun gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,--, bestaande uit 1 punt (ter waarde van € 322,--) voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- schorst bij wege van voorlopige voorziening (a) het besluit van 14 september 2001 van verweerder, waarbij de ten behoeve

van verzoekster sub 1 verleende toelating voor het middel Superwolmanzout-B (toelatingsnummer: 6800 N) met ingang van

1 maart 2002 wordt ingetrokken, en (b) het besluit van 14 september 2001 van verweerder, waarbij de ten behoeve van

verzoekster sub 2 verleende toelating voor het middel CELFIX OX (toelatingsnummer: 11381 N) met ingang van 1 maart

2002 wordt ingetrokken;

- bepaalt dat de schorsing van het onder (a) genoemde besluit van kracht blijft tot zes weken na de dag waarop verweerder

zijn beslissing op het tegen dit besluit gerichte bezwaar aan verzoekster sub 1 verzendt en dat de schorsing van het onder

(b) genoemde besluit van kracht blijft tot zes weken na de dag waarop verweerder zijn beslissing op het tegen dit besluit

gerichte bezwaar aan verzoekster sub 2 verzendt;

- bepaalt dat verweerder het door verzoeksters betaalde griffierecht ten bedrage van - in totaal - € 232,--

(zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van verzoeksters, vastgesteld op € 644,--

(zegge: zeshonderdvierenveertig euro).

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.

w.g. D. Roemers w.g. B. van Velzen