Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO2575

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-12-2003
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1881
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2001 heeft verweerder een deel van vooruit betaalde restitutiebedragen, in het kader van de regeling particuliere opslag in combinatie met de regeling préfinanciering, van appellante teruggevorderd, verhoogd met 20%.

Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 02/1881 31 december 2003

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te X, appellante,

gemachtigde: A, directeur van appellante,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr. B.M.J. Kloppenburg en J.L.M. van Schendel, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 17 september 2001 heeft verweerder een deel van vooruit betaalde restitutiebedragen, in het kader van de regeling particuliere opslag in combinatie met de regeling préfinanciering, van appellante teruggevorderd, verhoogd met 20%.

Bij besluit van 9 oktober 2002 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 november 2002, binnengekomen bij verweerder op 15 november 2002 en na doorzending door verweerder bij het College binnengekomen op 27 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2003. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Van toepassing in deze procedure zijn onder meer Verordening (EEG) nr. 3444/90 van de Commissie van 27 november 1990 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun voor de particuliere opslag van varkensvlees, Verordening (EG) nr. 2042/98 van de Commissie van 25 september 1998 betreffende de bijzondere voorwaarden voor de toekenning van steun voor de particuliere opslag in de sector varkensvlees, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2619/98 van de Commissie van 4 december 1998, en hoofdstuk 3 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten.

Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 3444/90 luidt als volgt:

"Artikel 4

(…)

4. Wanneer de ingeslagen produkten onder de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 565/80 bedoelde regeling worden gebracht:

- wordt, in afwijking van artikel 28, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 3665/87, de in die bepaling genoemde termijn zodanig verlengd dat hij de maximale periode van de contractuele opslag omvat, verlengd met een maand;

(…)"

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2042/98 is vastgesteld welke steunbedragen voor welke producten worden verleend bij een opslagtermijn van vier, vijf of zes maanden.

Artikel 28 van Verordening 3665/87 luidt als volgt:

"Artikel 28

(…)

5. De termijn waarbinnen de produkten of goederen onder een stelsel van douane-entrepots of van vrije zones kunnen blijven is vanaf de datum waarop de betalingsaangifte wordt aanvaard, zes maanden."

2.2 Appellante heeft vanaf eind 1998/begin 1999 deelgenomen aan de regeling particuliere opslag varkensvlees, waarbij zij ten aanzien van een bepaalde hoeveelheid varkensvlees een contract voor particuliere opslag heeft afgesloten. Daarnaast heeft zij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze hoeveelheid vlees tegelijk onder het stelsel van douane-entrepots te brengen. Deze laatste mogelijkheid heeft zij benut om in aanmerking te komen voor restitutie uit hoofde van de préfinancieringsregeling.

In de beslissing op bezwaar heeft verweerder, voor zover van belang, overwogen dat gelet op artikel 4, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3444/90 de door appellante ten uitvoer aangegeven producten zeven maanden vanaf de datum waarop de belastingaangifte was aanvaard uit het douane-entrepot uitgeslagen moesten zijn. De data waarop appellante de desbetreffende producten ten uitvoer heeft aangegeven, liggen alle evenwel na de uiterste data waarop zij uit het douane-entrepot uitgeslagen hadden moeten zijn.

2.3 Onder verwijzing naar een eerder tussen partijen over dezelfde rechtsvraag gewezen uitspraak door het College van 20 november 2002, AWB 01/587 (www.rechtspraak.nl LJN-nummer AF1529) met betrekking tot een eerder tijdvak, diende appellante, gelet op de gekozen combinatie van regelingen, te voldoen aan zowel de in Verordening (EEG) nr. 3444/90 en Verordening (EG) nr. 2042/98 neergelegde voorwaarden van de particuliere opslagregeling, als de in hoofdstuk 3 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 neergelegde voorwaarden van de préfinancieringsregeling. Het College heeft in genoemde uitspraak overwogen dat de omstandigheid dat ingevolge de préfinancieringsregeling als voorwaarde geldt dat onder het stelsel van douane-entrepots gebrachte producten na maximaal zes maanden moeten worden uitgeslagen, terwijl een zodanige voorwaarde niet is gesteld in het kader van de particuliere opslagregeling, niet betekent dat beide regelingen strijdig met elkaar zijn. Het gaat immers om twee verschillende regelingen met ieder hun eigen voorwaarden. Indien ingeslagen producten waarop de particuliere opslagregeling van toepassing is, onder het stelsel van douane-entrepots worden gebracht, wordt ingevolge artikel 4, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 3444/90 "in afwijking van artikel 28, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 3665/87, de in die bepaling genoemde termijn zodanig verlengd dat hij de maximale periode van de contractuele opslag omvat, verlengd met een maand". Uit de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2042/98 volgt dat de periode van contractuele opslag voor de onderhavige producten vier, vijf of zes maanden kan bedragen.

De maximale periode bedraagt dus zes maanden. Dit betekent, aldus het College, dat, in afwijking van artikel 28, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 3665/87, de in het kader van de préfinancieringsregeling maximaal toegestane termijn waarbinnen de onderhavige partijen varkensvlees in douane-entrepot mochten blijven, zeven maanden bedroeg.

2.4 Thans moet in onderhavige procedure worden vastgesteld, en zulks is ook niet meer in geding, dat de termijn waarbinnen de onderhavige partijen varkensvlees in douane-entrepot opgeslagen mochten blijven, is overschreden. Gelet op artikel 33 van Verordening (EEG) nr. 3665/87 bestond dan ook voor de desbetreffende partijen vlees geen aanspraak op een deel van de reeds uitbetaalde restitutie. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was de op de onderhavige partijen varkensvlees betrekking hebbende restitutie gedeeltelijk in te trekken en tevens bevoegd was de hiermee overeenkomende restitutiebedragen, verhoogd met 20%, van appellante terug te vorderen. Ter zitting heeft appellante zulks ook erkend. Niettemin staat appellante op het standpunt dat verweerder van zijn bevoegdheid geen gebruik had mogen maken, omdat, indien verweerder in de voorgaande procedure voortvarender had opgetreden, appellante eerder op de hoogte was geweest van de juiste termijn waarbinnen de producten dienden uitgeslagen te zijn, zodat door haar voorkomen had kunnen worden dat dezelfde fout een jaar later zou worden herhaald. Volgens appellante is immers sprake van exceptionele bepalingen, waarvan niet mag worden aangenomen dat alle deelnemers daarvan op de hoogte zijn.

Hierin kan het College appellante evenwel niet volgen. Hiertoe wordt overwogen dat appellante zelf ervoor verantwoordelijk is dat zij, als binnen de sector werkzame ondernemer, op de hoogte is van alle relevante en toepasselijke regelgeving. Indien bij appellante, gezien het volgens haar complexe karakter van de regelgeving, onduidelijkheid bestond over de toepassing ervan, had het op haar weg gelegen daarover meer duidelijkheid bij verweerder te verkrijgen. Bovendien stelt het College vast dat uit de circulaire van verweerder 205/98U van 23 september 1998, betreffende "particuliere opslagregeling varkensvlees", waarvan ook appellante in het bezit was, onmiskenbaar kan worden opgemaakt dat de maximale termijn voor de regeling prefinanciering in combinatie met de particuliere opslagregeling 7 maanden bedroeg. Ook staat in die circulaire onder het kopje "inslag" aangegeven dat de opslagtermijn in het kader van de regeling préfinanciering ingaat op de dag volgend op de dag van aanvaarding van de vooruitbetalingsaangifte. In zoverre kan dan ook niet met vrucht worden gesteld dat verweerder tekort is geschoten in zijn informatievoorziening over toepassing en werking van de desbetreffende regelingen.

2.5 Gelet op het vorenoverwogene, dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2003.

w.g. J.A. Hagen w.g. L. van Duuren