Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1932

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
AWB 98/53
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 21 januari 1998 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 december 1997. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de onder rubriek 2.2 nader omschreven uitnodiging tot betaling (hierna: utb) van landbouwheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 98/53 3 december 2003

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

gemachtigde: L.IJ. van der Schee, registeraccountant te Capelle a/d IJssel ,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Brouwer, werkzaam bij de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem.

1. De procedure

Op 21 januari 1998 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 december 1997. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de onder rubriek 2.2 nader omschreven uitnodiging tot betaling (hierna: utb) van landbouwheffing.

Bij brief van 27 februari 1998 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 19 juni 1998 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft partijen bij brief van 6 maart 2000 meegedeeld de behandeling van het beroep op te schorten totdat het Hof van Justitie van de EG heeft beslist op de prejudiciële vragen die de Hoge Raad bij arrest van 23 juni 1999 (gepubliceerd in BNB 1999/291) aan het Hof heeft gesteld. Bij arrest van 11 juli 2002 heeft het Hof van Justitie van de EG de prejudiciële vragen beantwoord (Liberexim, C-371/99).

Op 4 juni 2003 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het beroep is op het zelfde tijdstip behandeld als de beroepen in de samenhangende zaken van appellant met nummers AWB 98/51, 98/52 en 98/54 tot en met 98/58.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 2 en 3 van Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (Pb. 1987, L 201), luidden, voorzover hier en ten tijde van belang:

"Artikel 2

1. Er ontstaat een douaneschuld bij invoer:

(…)

c) wanneer aan de rechten bij invoer onderworpen goederen onttrokken worden aan het douanetoezicht dat de voorlopige opslag van deze goederen of het plaatsen ervan onder een douaneregeling met douanetoezicht met zich brengt;

(…)

Artikel 3

Het tijdstip waarop de douaneschuld bij invoer ontstaat, wordt geacht te zijn:

(…)

c) in de gevallen bedoeld in artikel 2, lid 1, onder c): het tijdstip waarop het onttrekken van de goederen aan het douanetoezicht plaatsvindt;

(…)"

Artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld (Pb. 1988, L 102), luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

" 1. Wanneer een douaneschuld is ontstaan krachtens artikel 2, lid 1, onder c) van Verordening (EEG) nr. 2144/87, geldt als persoon die gehouden is tot betaling van deze schuld, degene die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken.

(…)"

De artikelen 2 en 3 van Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (Pb 1979, L 197), luidden, voorzover hier en tijde van belang:

" Artikel 2

1. Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten.

Deze procedure kan echter niet meer worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag is geboekt, of, indien geen boeking heeft plaatsgevonden, vanaf de dag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan.

2. De procedure tot navordering in de zin van lid 1 wordt ingeleid door kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is.

Artikel 3

Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen, is de in artikel 2 vastgestelde termijn niet van toepassing.

In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de Lid-Staten geldende bepalingen."

Artikel 129, derde lid, van de Wet inzake de douane luidde tot de intrekking op 1 juni 1996:

" De uitnodiging kan geschieden uiterlijk vijf jaren na het tijdstip dat ingevolge artikel 113, 116, 118a, 125 of 127 in aanmerking moet worden genomen voor het tarief waarnaar de belasting wordt berekend. Indien artikel 98 wordt toegepast, wordt deze termijn uitsluitend ten aanzien van een persoon wiens handelen of nalaten niet was gericht op de ontduiking van de belasting beperkt tot drie jaren."

Het op 1 juni 1996 in werking getreden artikel 22e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt:

" 1. Indien het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan ten gevolge van een strafrechtelijk vervolgbare handeling kan de uitnodiging tot betaling worden vastgesteld binnen vijf jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de rechten bij invoer."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 11 september 1997 (kenmerk 15930/97) heeft verweerder appellant als vervoerder van de in T1-document nr. 12257 vermelde en aan het douanetoezicht onttrokken partij melkpoeder uitgenodigd om, voorzover hier van belang, f 49.903,20 aan landbouwheffing bij invoer te betalen.

- Tegen deze utb heeft appellant bij brief van 20 oktober 1997 bezwaar gemaakt.

- Appellant is op 4 december 1997 over zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe het volgende overwogen:

" Uit de processen-verbaal van het zogenoemde fipola-onderzoek (een gecombineerd onderzoek van financiën, landbouw en politie) blijkt dat door een dadergroep diverse zendingen melkpoeder aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Belanghebbende heeft voor deze dadergroep het transport van België via Z c.q. Y naar de opslagplaats van de afnemer verzorgd.

Voor de hier in het geding zijnde zending melkpoeder werd te Antwerpen het vervoersdocument T1 nummer 12257 opgemaakt. Volgens dit document zou de melkpoeder van België naar Bulgarije worden vervoerd. Op het bijbehorend CMR nummer B 8266778 staat als plaats voor aflevering eveneens Bulgarije. In plaats daarvan heeft belanghebbende de melkpoeder als ware zij vrij van heffingen afgeleverd bij de opslagplaats van de afnemer, M B.V. dan wel J & S B.V. te Y. De melkpoeder werd hierdoor in Nederland aan het douanetoezicht onttrokken.

Belanghebbende heeft, in opdracht van B, melkpoeder, die onder geleide van genoemd T1-document werd vervoerd, aan het douanetoezicht onttrokken, althans deelgenomen aan de onttrekking daarvan. Belanghebbende wist althans behoorde als internationaal vervoerder te weten dat hij de lading tezamen met de documenten bij de douane diende aan te brengen. Daarentegen werd de lading melkpoeder, al dan niet na overlading te Z, bij de afnemer als zijnde in het "vrije verkeer van de EG" afgeleverd. Belanghebbende heeft de T1-documenten niet bij de douane, maar bij B of diens kompaan C afgegeven.

Belanghebbende heeft verklaard dat aan hem door B hiertoe uitdrukkelijk de opdracht is gegeven de documenten 's-avonds aan deze B op diens kantoor te overhandigen. B had daarbij belanghebbende nadrukkelijk bevolen dat de documenten niet bij de plaats van lossing getoond mochten worden, dan wel afgegeven mochten worden (…). Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij zich bewust was dat door deze werkwijze de ontvanger niet kon weten dat het hier om douane-goederen ging (…).

Belanghebbende heeft medewerking aan deze transporten verleend, omdat hij de kosten van het transport naar Bulgarije mocht declareren. Dit ondanks dat B hem meedeelde dat de melkpoeder nimmer in Bulgarije zou terechtkomen en hij evenmin enig transport naar Bulgarije heeft uitgevoerd noch georganiseerd. Hij heeft de melkpoeder immers gelost te Y (…).

Dit lossen te Y gebeurde na overlading te Z of Y. Getuige Van O verklaarde hierover onder meer dat door trucks van belanghebbende opleggers bij zijn bedrijf werden aangevoerd. De inhoud van de opleggers - melkpoeder in zakken van 25 kg - werd door zijn bedrijf gepalletiseerd. Daarna werd de melkpoeder weer door hetzelfde transportbedrijf opgehaald (…). Uit 4/D/99 blijkt dat de overslag in een enkel geval plaats heeft gevonden bij M B.V. te Y. Uit de gegevens vermeld op CMR nummer B 8266776 (…) en vrachtbrief KM 053284 (…) blijkt dat het vervoer van en naar M B.V. werd uitgevoerd door vrachtwagens van belanghebbende.

Belanghebbende is als onttrekker dan wel deelnemer aan de onttrekking aan het douanetoezicht schuldenaar op grond van artikel 203 van het Communautair douanewetboek. Deze douaneschuld bij invoer ontstaat voor het geheel aan verschuldigde rechten bij invoer van de goederen die aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

Primair ben ik van mening dat het handelen van belanghebbende te rangschikken valt onder artikel 203, lid 3, eerste gedachtestreepje CDW.

Secundair ben ik van mening dat het handelen van belanghebbende in ieder geval te rangschikken valt onder artikel 203, lid 3, tweede gedachtestreepje CDW. Belanghebbende had als internationaal transporteur moeten weten of had redelijkerwijze moeten weten dat de betreffende melkpoeder onttrokken werd aan het douanetoezicht."

In het verweerschrift heeft verweerder onder meer gesteld dat hij ter zake van onderhavige douaneschuld wel degelijk ook aan andere schuldenaren (o.a. aan hoofdverdachte B) een utb heeft doen uitgaan. In het verweerschrift is voorts het volgende geconcludeerd:

" Alle door B bij D ingekochte melkpoeder is verkocht aan L B.V. als ware zij vrij van heffingen en daarmee onttrokken aan het douanetoezicht. Appellant heeft, in opdracht van B, deze melkpoeder onder geleide van T1-document nummer 12257 vervoerd. Appellant wist althans behoorde als vervoerder te weten dat hij de lading tezamen met de documenten bij de douane diende aan te brengen. Daarentegen heeft hij de lading melkpoeder, al dan niet na overlading te Z, bij de afnemer als zijnde in het "vrije verkeer van de EG" afgeleverd. Appellant heeft de T1-documenten niet bij de douane, maar bij B of diens kompaan C afgegeven.

Appellant is daarom als onttrekker dan wel als deelnemer aan de onttrekking aan het douanetoezicht dan wel als vervoerder schuldenaar op grond van artikel 4 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88. Deze douaneschuld bij invoer ontstaat voor het geheel aan verschuldigde rechten bij invoer van de goederen die aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

Primair ben ik van mening dat het handelen van appellant te rangschikken valt onder artikel 4, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 1031/88.

Secundair is appellant douaneschuldenaar op basis van artikel 4, lid 1, letters a en b van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 juncto artikel 5b van de In- en uitvoerwet.

Tenslotte is appellant als vervoerder van de melkpoeder als zodanig verantwoordelijk voor het uitvoeren van de verplichtingen welke voor aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de gebruikmaking van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst. Daarmee is appellant schuldenaar op basis van artikel 4, lid 2, van de Verordening (EEG) nr. 1031/88."

Ter zitting heeft verweerder ter zake van de navorderingstermijn nog het volgende gesteld. Onttrekking aan het douanetoezicht is strafbaar gesteld in de artikelen 172 e.v. van de Wet inzake de douane. De navordering heeft in het onderhavige geval met toepassing van artikel 98 van de Wet inzake de douane plaatsgevonden. Nu het handelen van appellant zelf echter wel degelijk was gericht op ontduiking van de rechten bij invoer, geldt ingevolge artikel 129, derde lid, van de Wet inzake de douane een navorderingstermijn van vijf jaar.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant stelt zich primair op het standpunt dat verweerder de utb ten onrechte niet binnen de in artikel 221, derde lid, van het CDW voorgeschreven termijn van drie jaar heeft doen uitgaan. De in artikel 221, derde lid, van het CDW juncto artikel 22e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde uitzonderingssituatie op grond waarvan ook na de termijn van drie jaar nog een utb kan worden uitgereikt, kan hier, gelet op het tweede lid van artikel 22e geen toepassing vinden. Het handelen van appellant was immers op geen enkele wijze gericht op het ontduiken van rechten bij invoer.

Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uit is gegaan dat appellant de melkpoeder aan het douanetoezicht heeft onttrokken dan wel aan die onttrekking heeft meegewerkt, terwijl hij wist dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken. Nu appellant ontkent ooit enige douaneverzegeling te hebben verbroken en volstrekt te goeder trouw en niet beter wetende de melkpoeder naar het opgegeven adres heeft vervoerd en verder op geen enkele wijze enige actie heeft verricht, terwijl de utb is gebaseerd op de weinig betrouwbare administratie van M, moet worden geconcludeerd dat appellant de melkpoeder niet heeft onttrokken en evenmin aan die onttrekking heeft meegewerkt wetende dat de melkpoeder aan het douanetoezicht werd onttrokken. Appellant ging er van uit dat de melkpoeder gepalletiseerd zou worden om vervolgens naar Bulgarije te worden vervoerd.

Appellant stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat verweerder in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Op geen enkele wijze blijkt dat verweerder heeft getracht de verschuldigde bedragen van de hoofdverdachte in te vorderen, terwijl dit wel van verweerder mag worden verwacht, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van het College van 12 november 1986 (UTC 1988/30). Voorts zal het totale bedrag van f 390.127,66 dat aan appellant inzake de acht utb's is opgelegd voor hem desastreuze gevolgen hebben.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De douaneschuld waarvoor verweerder appellant ter zake van T1-document nr. 12257 aansprakelijk heeft gesteld, is ontstaan in de eerste helft van 1993. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aansprakelijkheid van appellant voor deze schulden gebaseerd op het per 1 januari 1994 in werking getreden artikel 203 van het CDW. Naar het College eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 3 november 1999, AWB 97/1555 tot en met 1562), komt aan de betrokken materiële bepalingen van het CDW evenwel geen terugwerkende kracht toe. Ten onrechte is dus het CDW aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Reeds om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien in het verweerschrift evenwel alsnog artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 1031/88 als grondslag voor de aansprakelijkheid is vermeld, ziet het College aanleiding te beoordelen of een besluit dat deze bepaling als grondslag zou hebben vermeld, stand zou kunnen houden.

5.2 Verweerder is primair van mening dat appellant ingevolge artikel 4, eerste lid, eerste alinea, van Verordening (EEG) nr. 1031/88 tot betaling van de douaneschuld is gehouden, omdat appellant zelf de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken. Het College deelt dit standpunt en overweegt hiertoe als volgt.

In zijn arrest van 11 juli 2000 (Liberexim, C-371/99) heeft het Hof van Justitie overwogen dat het begrip onttrekking, als bedoeld in onder meer artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EEG) nr. 2144/87 moet worden opgevat als elk handelen of elk nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde autoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot onder douanetoezicht staande goederen en de in de communautaire douanewetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren. Van zodanig handelen door appellant is hier zonder meer sprake. Vaststaat en niet in geschil is immers dat appellant, dan wel één van zijn chauffeurs, het onderhavige T1-document van de lading melkpoeder heeft gescheiden en aan B dan wel C heeft afgegeven. Nu reeds hierom moet worden geoordeeld dat appellant terecht als onttrekker is aangemerkt, kan worden daargelaten of appellant al dan niet de douaneverzegeling heeft verbroken dan wel of anderszins van onttrekking sprake is. Het voorgaande brengt tevens mee dat de subsidiaire grief van appellant, dat verweerder hem ten onrechte als onttrekker heeft aangemerkt, faalt.

5.3 Het College oordeelt vervolgens over de primaire stelling van appellant dat verweerder meer dan drie jaar na de onttrekking niet meer tot navordering bevoegd was.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 1697/79 juncto artikel 3, aanhef en onder c, van Verordening (EEG) nr. 2144/87 kan navordering niet meer plaatsvinden na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop de onttrekking heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1697/79 is de in artikel 2 vastgestelde termijn echter niet van toepassing, wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen. In dat geval geschiedt de navordering door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de op dit gebied in de lidstaten geldende bepalingen. Hier is dit artikel 129, derde lid, van de Wet inzake de douane, welke bepaling met ingang van 1 juni 1996 door artikel 22e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is vervangen.

Appellant is van mening dat ingevolge laatstgenoemde nationaalrechtelijke bepalingen in het onderhavige geval een termijn van drie jaar geldt, omdat zijn handelen niet was gericht op het ontduiken van de rechten bij invoer.

Het College stelt vast dat de nationale wetgever voor de persoon wiens handelen of nalaten niet was gericht op de ontduiking van de invoerrechten in een kortere navorderingstermijn (drie in plaats van vijf jaar) heeft voorzien. Deze kortere termijn is per 1 januari 1970 in de Wet inzake de douane geïntroduceerd - destijds bedroeg de termijn overigens twee jaar - omdat het aan het internationale goederenverkeer deelnemende bedrijfsleven bij goede trouw ervoor moet zijn gevrijwaard na enige jaren nog steeds te kunnen worden aangesproken door de fiscus (zie de toelichting bij het amendement van Notenboom c.s., TK 1969-1970, 10246, nr. 12).

In het onderhavige geval heeft verweerder, anders dan appellant meent, terecht geconcludeerd dat van goede trouw bij appellant geen sprake was. Met name is niet aannemelijk dat appellant, zoals hij stelt, er steeds vanuit is gegaan dat de melkpoeder uiteindelijk naar Bulgarije zou worden vervoerd.

Hiertoe wordt allereerst overwogen dat (hoofdverdachte) B op 22 september 1994 ten overstaan van twee ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID-ambtenaren) heeft verklaard dat hij aan appellant heeft verteld dat de melkpoeder naar Bulgarije moest, maar daar tenslotte niet terecht zou komen, dat appellant de melkpoeder moest lossen bij L, te Y of Z, dat appellant daar geen probleem mee had, indien hij de kosten mocht declareren voor een rit naar Bulgarije (f 3.750,-) en dat dat (voor B) geen probleem was.

Hiernaast is op geen enkele wijze gebleken dat appellant na aflevering van de melkpoeder te Z of Y handelingen heeft verricht met het oog op het verdere vervoer naar Bulgarije. Appellant heeft weliswaar in beroep aangevoerd dat de firma E, gevestigd aan de F-straat te R, het verdere vervoer zou verzorgen en dat hierover regelmatig telefonisch contact heeft plaatsgehad, maar verweerder heeft in zijn verweerschrift onweersproken gesteld dat er op genoemd adres nimmer een firma E ingeschreven heeft gestaan en dat verzoeken aan appellant om hem met een firma E in contact te brengen op niets zijn uitgelopen.

Voorts heeft appellant op 22 november 1994 ten overstaan van dezelfde ambtenaren verklaard dat er, voorzover hem bekend, door hem, door zijn chauffeurs of door de door hem ingehuurde charters geen melkpoeder is afgevoerd vanaf het op- en overslagbedrijf O te Z. Uit vier CMR's blijkt evenwel dat er met de indertijd bij appellant in gebruik zijnde trucks met kentekennummers *, ** en *** van 12 tot en met 14 mei 1993 vier vrachten melkpoeder zijn vervoerd van Antwerpen naar Z en vervolgens van Z naar Y. Op 14 maart 1995 is appellant hiermee geconfronteerd en heeft hij verklaard dat hij uit de CMR's ziet dat er met bij hem in gebruik zijnde trucks vier vrachten melkpoeder van Z naar Y zijn vervoerd, maar dat hij er niettemin bij blijft geen melkpoeder van Z naar Y te hebben vervoerd. Deze blote ontkenning kan evenwel niet tot de conclusie leiden dat aan de gegevens uit de CMR's geen betekenis kan worden gehecht.

Het College overweegt verder nog dat appellant op 4 oktober 1994 ten overstaan van de AID-ambtenaren heeft verklaard dat B en C er zeer op gebrand waren dat de T1-documenten op het kantoor van B terugkwamen, dat de documenten niet bij de lading te Z of Y zijn gebleven, maar aan B dan wel C zijn afgegeven en dat door deze werkwijze de ontvanger inderdaad niet kon weten dat het hier om douanegoederen ging.

Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder terecht geconcludeerd dat van goede trouw bij appellant geen sprake was.

5.4 Het College is van oordeel dat de meer subsidiaire stelling van appellant, dat verweerder in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld, evenmin slaagt. Voorzover appellant meent dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de verschuldigde bedragen (tevens) van de hoofdverdachte in te vorderen, mist deze stelling feitelijke grondslag. Verweerder heeft immers wel degelijk ook anderen, waaronder hoofdverdachte B, voor de douaneschuld aangesproken. Voorzover appellant zich met zijn stelling, dat het totale bedrag van f 390.127,66 inzake de acht aan hem opgelegde utb's voor hem desastreuze gevolgen zal hebben, op strijd met het evenredigheidsbeginsel beroept, gaat dit beroep niet op. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schuld vloeit immers dwingendrechtelijk voort uit artikel 4, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1031/88. Uit de considerans van deze Verordening blijkt dat de communautaire wetgever voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van meerdere personen heeft gekozen, teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen deze douaneschuld onder zo gunstig mogelijke omstandigheden in te vorderen.

5.5 Gelet op het voorgaande komt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellant. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een totaalbedrag van € 483,- voor onderhavige zaak en de zeven in rubriek 1 aangeduide zaken samen (1 punt voor het indienen van de beroepschriften; wegingsfactor: 1 voor het gewicht van de zaak en 1,5 wegens acht samenhangende zaken; € 322,- per punt). Nu verweerder bij uitspraak van heden in de zaak met nr. AWB 98/51 is veroordeeld om het gehele bedrag voor alle acht zaken samen te vergoeden, is in het dictum van onderhavige uitspraak ter zake niets bepaald.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de Staat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van€ 95,29 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. C.J. Borman en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003.

w.g. D. Roemers w.g. R. Meijer