Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1923

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
AWB 03/490
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Op 25 april 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2003.

Bij dat besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen de intrekking van zijn vergunning ingevolge de Wet personenvervoer 2000 voor het verrichten van taxivervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 03/490 12 december 2003

14914 Wet personenvervoer 2000

Vergunning taxivervoer

Uitspraak in de zaak van:

A h..o.d.n. B, te X, appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. L. van der Vliet, werkzaam op verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 25 april 2003 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 maart 2003.

Bij dat besluit is beslist op het bezwaarschrift van appellant tegen de intrekking van zijn vergunning ingevolge de Wet personenvervoer 2000 voor het verrichten van taxivervoer.

Verweerder heeft op 13 juni 2003 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2003, alwaar partijen de respectieve standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet Personenvervoer 2000 (hierna: de Wet) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 4

(…)

2. Het is verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe verleende vergunning.

(…)

Artikel 6

(..)

2. Een vergunning kan worden (…) ingetrokken.

Artikel 9

1. Een vergunning wordt, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen, slechts verleend aan een vervoerder die voldoet aan eisen van (…) vakbekwaamheid.

2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid bedoelde eis van vakbekwaamheid.

(…)"

Het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) bepaalt onder meer het volgende:

" Artikel 26

1. De vervoerder die (...) taxivervoer verricht, moet aan de eis van vakbekwaamheid voldoen.

(...).

Artikel 28

1. De vervoerder die taxivervoer verricht voldoet aan de eis van vakbekwaamheid indien wordt overgelegd:

a. een door Onze Minister erkend getuigschrift van met goed gevolg afgelegde examens waarbij ten minste de kennis is vastgesteld van de door Onze Minister vastgestelde onderwerpen, of

(...)

Artikel 125

Tot 1 juli 2001, wordt, in afwijking van artikel 28, aan de eis van vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer voldaan indien:

a. een vervoerder die taxivervoer verricht bij de aanvraag van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ten genoegen van Onze Minister aantoont in de periode van 1 juli 1999 tot 1 december 1999 gemiddeld minimaal 30 uur per week per auto taxivervoer te hebben verricht, waarbij is voldaan aan de eisen, gesteld bij of krachtens de artikelen 62 en 63 van de Wet personenvervoer en artikel 159 van het Besluit personenvervoer, zoals deze golden tot 1 januari 2000 en

b. voor 1 juli 2001 aan artikel 28, eerste lid, wordt voldaan, dan wel voor die datum, blijkens een door Onze Minister afgegeven verklaring wordt aangetoond dat een persoon als bedoeld in artikel 26, de laatste 5 jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft op 18 december 2000 van appellant een aanvraag ontvangen voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer.

- Bij besluit van 25 juni 2001 heeft verweerder, met toepassing van artikel 125 van het Besluit, appellant voor onbepaalde tijd een vergunning verleend als bedoeld in artikel 4 van de Wet, voor het verrichten van taxivervoer binnen en vanuit het vervoergebied AZAM. In een onderdeel van het besluit uitmakende bijlage wordt het volgende opgemerkt:

" In deze onderneming wordt door A gebruik gemaakt van de overgangsmaatregel als bedoeld in artikel 125 van het Besluit personenvervoer 2000 door het behalen van de vakbekwaamheid vóór 1 juli 2001."

- Omdat appellant op 1 juli 2001 zijn vakbekwaamheid niet kon aantonen, zoals vereist door artikel 125, onder b, van het Besluit, heeft verweerder het voornemen medegedeeld om de vergunning in te trekken.

- In reactie op door appellant verstrekte informatie heeft verweerder appellant bij brief van 17 september 2001 bericht, dat het voornemen tot intrekking wordt opgeschort tot 1 juli 2002, en dat de vergunning alsnog zal worden ingetrokken als appellant op deze datum niet voldoet aan de eis van vakbekwaamheid.

- Verweerder heeft bij besluit van 3 juli 2002 de vergunning van appellant met ingang van 25 september 2002 ingetrokken.

- Appellant heeft bij brief van 15 juli 2002 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Bij brief van 28 augustus 2002 heeft verweerder appellant bericht dat de intrekking van de vergunning pas in werking treedt zeven weken na de datum waarop op het bezwaarschrift is beslist.

- Appellant is op 23 januari 2003 telefonisch gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij brief van 18 mei 2003 heeft verweerder op verzoek van de toenmalige gemachtigde van appellant de intrekking van de vergunning geschorst tot het College uitspraak heeft gedaan.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - het volgende overwogen.

Omdat appellant in de periode 1 juli 1999 tot 1 december 1999 als taxiondernemer regelmatig taxivervoer heeft verricht, is de overgangsregeling als bedoeld artikel 125, aanhef en sub a, van het Besluit toegepast. Aan appellant is een vergunning verleend onder voorwaarde dat uiterlijk op 1 juli 2001 de vakbekwaamheid kon worden aangetoond. Appellant heeft aangegeven dit te willen doen door het behalen van een erkend vakdiploma. Omdat hij bezig was met de voornoemde opleidingen is besloten de intrekking op te schorten tot 1 juli 2002. Hij voldeed echter op deze datum nog niet aan de eis van vakbekwaamheid en de vergunning is met ingang van 25 september 2002 ingetrokken. Appellant is in ruime mate de tijd geboden en hij is voldoende gewaarschuwd. De door appellant geschetste omstandigheden, faalangst en ziekte in de familie, vormen geen reden om een uitzondering te maken op de gedragslijn dat in principe geen uitstel meer wordt verleend voor het bepalen van de vereiste diploma's.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep het volgende aangevoerd.

" (…)

1) Als ondernemer heb ik alvorens mijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel te bekrachtigen en als zelfstandige van start te kunnen gaan, zoals elke ondernemer (aantoonbaar) een aanloopperiode moeten ondergaan. Dit geldt binnen het kader van ondernemen ook als dagelijks beheer van een onderneming en in mijn geval met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning. Middels deze kom ik dan toch aan het wettelijke gestelde minimum van 5 jaar voor het in aanmerking komen van een vrijstelling op basis van historische vakbekwaamheid.

2) Mijn aankoop van een aansluiting bij de TCA, was niet voor een bedrag van fl. 9000,-. Het aankoopbedrag van een aansluiting bij de TCA is vergelijkbaar met het aanschaffen van een bedrijfsruimte.

3) Ik zit niet in de WAO, maar ben een vakbekwame hardwerkende ondernemer, met als hoofdactiviteit taxivervoer krachtens een geldige vergunning."

Ter zitting heeft appellant onder meer verklaard thans bezig te zijn met de BOV opleiding, maar met minder goede resultaten dan gehoopt en verwacht. Hij heeft voorts gewezen op persoonlijke omstandigheden, waaronder de ernstige ziekte van zijn echtgenote.

5. De beoordeling van het geschil

Gelet op de inhoud van het beroepschrift lijkt appellant zich allereerst op het standpunt te stellen dat de intrekking van zijn vergunning onrechtmatig is, omdat hij aanspraak kan maken op een vergunning op grond van de overgangsregeling historische vakbekwaamheid, zoals neergelegd in artikel 125, aanhef en sub b, van het Besluit.

Het College overweegt dienaangaande dat gesteld noch gebleken is dat vóór 1 juli 2001 aan appellant een verklaring is afgegeven dat hij de laatste vijf jaar het dagelijks beheer van een taxionderneming heeft gevoerd, zoals voorgeschreven in genoemd artikelonderdeel. Ook bij zijn aanvraag voor de in geding zijnde vergunning had appellant zich trouwens niet beroepen op zodanige historische vakbekwaamheid. Reeds wegens het ontbreken van een tijdig afgegeven verklaring van historische vakbekwaamheid, heeft verweerder terecht beslist dat hierin geen grond voor het bezwaar van appellant is gelegen.

Het College begrijpt uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting dat appellant evenzeer van oordeel is dat hem meer tijd had moeten worden gegund om aan het vakbekwaamheidsvereiste te kunnen voldoen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Niet in geschil is dat appellant niet in het bezit is van een getuigschrift als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Besluit.

Aangezien appellant niet heeft voldaan aan het vereiste voortvloeiende uit artikel 125, onder b, van de Wet, en aldus vanaf 1 juli 2001 geen wettelijke aanspraak op een vergunning meer bestond, kwam verweerder de bevoegdheid toe om tot intrekking van deze vergunning over te gaan. Van deze bevoegdheid heeft verweerder gebruik mogen maken, te meer daar in de bijlage bij de vergunning van 25 juni 2001 uitdrukkelijk is vermeld vóór welke datum appellant aan de gestelde eis diende te voldoen. Bovendien is verweerder appellant nog tegemoet gekomen door hem na 1 juli 2001 nog geruime tijd te gunnen om de tekortkoming te herstellen. De door appellant geschetste persoonlijke en zakelijke omstandigheden zijn voorts niet zodanig dat verweerder hierin reden voor verder uitstel had dienen te vinden.

Op grond van bovenstaande overwegingen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2003.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R. Meijer