Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1922

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/1923
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bij brief van 9 augustus 2002 heeft verweerster geweigerd verzoekster een zogenaamde 'Begeleiderskaart gehandicapten' te verstrekken. In genoemde brief aan verzoekster is geen bezwaarclausule met bijbehorende termijn opgenomen, maar is wel vermeld dat verzoekster met de klantenservice van verweerster contact moet opnemen indien zij het niet met deze beslissing eens is.

Bij brief van 4 november 2002 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de beslissing van verweerster van 9 augustus 2002.

Op 6 november 2002 is verzoekster telefonisch medegedeeld dat zij op basis van de verstrekte gegevens niet in aanmerking komt voor een 'Begeleiderskaart gehandicapten'. In een vervolgens gezonden brief, waarin dit oordeel bevestigd is, is vermeld dat tegen deze beslissing geen verder beroep mogelijk is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet personenvervoer 2000 70
Besluit personenvervoer 2000 45
Besluit personenvervoer 2000 143
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/1923 11 december 2003

40000 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A, te B, verzoekster,

gemachtigde: M.G. van der Linde-de Jager, werkzaam bij de Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie (ANGO), Adviespunt Handicap & Recht te Amersfoort,

tegen

de N.V. Nederlandse Spoorwegen, gevestigd te Utrecht, verweerster.

1. De feiten en het geschil

Bij brief van 9 augustus 2002 heeft verweerster geweigerd verzoekster een zogenaamde 'Begeleiderskaart gehandicapten' te verstrekken. In genoemde brief aan verzoekster is geen bezwaarclausule met bijbehorende termijn opgenomen, maar is wel vermeld dat verzoekster met de klantenservice van verweerster contact moet opnemen indien zij het niet met deze beslissing eens is.

Bij brief van 4 november 2002 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de beslissing van verweerster van 9 augustus 2002. Op 6 november 2002 is verzoekster telefonisch medegedeeld dat zij op basis van de verstrekte gegevens niet in aanmerking komt voor een 'Begeleiderskaart gehandicapten'. In een vervolgens gezonden brief, waarin dit oordeel bevestigd is, is vermeld dat tegen deze beslissing geen verder beroep mogelijk is.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 5 december 2002 bij het College beroep ingesteld.

Bij brief van 21 januari 2003 heeft verweerster het College medegedeeld dat verzoekster alsnog een 'Begeleiderskaart gehandicapten' zal worden verstrekt.

Hierop heeft verzoekster bij brief van 10 februari 2003 het beroep ingetrokken en het College verzocht verweerster bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Bij brief van 28 februari 2003 heeft verweerster het College een schriftelijke reactie op het verzoek om proceskostenveroordeling doen toekomen, strekkende tot afwijzing van het verzoek. Verweerster voert hiertoe aan dat de leden van de organisatie van de gemachtigde van ANGO, zoals verzoekster, recht hebben op gratis rechtsbijstand, alsmede dat de uiteindelijke verstrekking van de 'Begeleiderskaart gehandicapten' heeft plaatsgevonden op grond van pas bij het beroepschrift ingekomen nadere informatie van verzoekster.

Bij brief van 11 maart 2003 heeft verzoekster gerepliceerd. Verzoekster heeft bij deze gelegenheid, onder overlegging van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 april 2000 (97/11014 AAW), betoogd dat rechtshulpverlening van de organisatie van de gemachtigde van verzoekster is aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Voorts heeft verzoekster ten aanzien van het standpunt van verweerster aangevoerd dat de informatie op grond waarvan verweerster alsnog tot afgifte van de 'Begeleiderskaart gehandicapten' is overgegaan, bij het bezwaarschrift van 4 november 2002 is ingediend.

Bij brief van 13 maart 2003 is verweerster verzocht binnen drie weken te reageren op de repliek van verzoekster. Verweerster heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. Wettelijk kader

De artikelen 70 en 105 van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wp2000) luiden als volgt:

"Artikel 70

1. Het is verboden zonder hiervoor geldig vervoerbewijs gebruik te maken van het openbaar vervoer, alsmede, voor zover de vervoerder zulks duidelijk kenbaar heeft gemaakt, van de daartoe behorende voorzieningen.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen.

Artikel 105

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

2. In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten op grond van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid, de rechtbank te Rotterdam bevoegd."

De artikelen 45 en 143 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: Bp2000) luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

"Artikel 45

1. Het verbod, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

(…)

b. één persoon van ten minste twaalf jaar oud en één hond die een persoon begeleidt die is voorzien van een legitimatiebewijs voor gehandicapten,

(…)

2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over een legitimatiebewijs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alsmede over de afgifte ervan.

Artikel 143

Na de inwerkingtreding van dit besluit berusten de hierna genoemde ministeriële regelingen op de daarbij vermelde artikelen van dit besluit:

a. de Regeling aanwijzing instanties afgifte legitimatiebewijs voor gehandicapten berust op artikel 45, eerste lid, onderdeel b,

(…)"

Artikel 1 van de Regeling aanwijzing instanties afgifte legitimatiebewijs voor gehandicapten (Stcrt. 1987, 248) luidt als volgt:

"Als instelling die een legitimatiebewijs voor gehandicapten afgeeft, wordt aangewezen: N.V. Nederlandse Spoorwegen, Moreelsepark 1, Utrecht."

3. De beoordeling van het verzoek

Voorop gesteld dient te worden dat het College slechts bevoegd is van het onderhavige verzoek ex artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennis te nemen, indien het College tevens bevoegd zou zijn geweest op verzoeksters beroep te beslissen, indien zij dit beroep niet had ingetrokken.

Het College is van oordeel dat het bevoegd zou zijn geweest op verzoeksters beroep te beslissen, indien zij dit niet had ingetrokken en overweegt hiertoe als volgt. Ingevolge artikel 105, eerste lid, van de Wp2000 kan een belanghebbende tegen een op grond van de Wp2000 genomen besluit, niet zijnde een besluit als bedoeld in het tweede lid, beroep instellen bij het College. Verzoeksters beroep was gericht tegen een beslissing op bezwaar, waarbij verweerster haar weigering had gehandhaafd om aan verzoekster ingevolge artikel 1 van de Regeling aanwijzing instanties afgifte legitimatiebewijs juncto artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bp2000 een legitimatiebewijs voor gehandicapten af te geven. Deze weigering is een op grond van de Wp2000 genomen besluit, waartegen verzoekster als belanghebbende ingevolge artikel 105 van de Wp2000 beroep bij het College kon instellen, nadat zij tegen dit besluit eerst ingevolge artikel 7:1 van de Awb bezwaar had gemaakt.

Op grond van het voorgaande is het College bevoegd van het verzoek ex artikel 8:75a van de Awb kennis te nemen.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

Het College is van oordeel dat in het onderhavige geval aan de vereisten voor toepassing van artikel 8:75a van de Awb is voldaan en dat een veroordeling van verweerster in de rede ligt. Verweerster heeft immers in beroep alsnog de gevraagde 'Begeleiderskaart gehandicapten' aan verzoekster verstrekt.

Verweersters stelling dat het verzoek moet worden afgewezen omdat zij de 'Begeleiderskaart gehandicapten' eerst heeft afgegeven naar aanleiding van de in de beroepsfase door verzoekster ingediende nadere informatie, mist feitelijke grondslag. Verzoekster heeft immers onweersproken gesteld dat zij ter ondersteuning van het beroep geen andere gegevens heeft ingebracht dan zij reeds in de bezwaarfase aan verweerster had verstrekt.

Verweersters stelling dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de rechtsbijstand van de gemachtigde van verzoekster gratis is, faalt evenzeer. In navolging van hetgeen de Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 25 april 2000 heeft overwogen, staat voor het College immers genoegzaam vast dat verzoekster voor het verlenen van rechtsbijstand aan het Adviespunt Handicap & Recht op enigerlei wijze vergoeding is verschuldigd.

Gelet op de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten vastgesteld op 1 (beroepschrift) x 1 (gewicht) x € 322,-- = € 322,--.

Een kostenveroordeling als hier aan de orde kan niet mede betrekking hebben op het door verzoekster betaalde griffierecht. Tot vergoeding daarvan is verweerster, los van deze procedure, reeds gehouden op grond van artikel 8:41, vierde lid, eerste volzin, van de Awb.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

4. De beslissing

Het College:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;

- veroordeelt verweerster in de kosten die verzoekster in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke

kosten worden begroot op € 322,-- (zegge: driehonderdtwee-en-twintig euro).

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. J.A. Hagen en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2003.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.S. Hoppener