Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1918

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-12-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
AWB 02/708
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 02/708 16 december 2003

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, kantoorhoudende te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 11 maart 2002.

1. De procedure

Bij brief van 6 april 2000 hebben K, gevestigd te Y, L, eveneens gevestigd te Y, en M, gevestigd te X (hierna gezamenlijk aan te duiden als klaagsters), bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen appellant.

Bij beslissing van 11 maart 2002 heeft de raad van tucht uitspraak gedaan op de klacht.

Op 1 mei 2002 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 22 augustus 2002 hebben klaagsters gereageerd op het beroepschrift.

Bij brieven van 30 augustus 2002, 2 mei 2003 en 20 oktober 2003 hebben klaagsters nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2003. Aldaar waren onder meer aanwezig appellant, zijn gemachtigde mr. M. Ynzonides, advocaat te 's-Gravenhage, en mr. J.A.M.P. Keijser, advocaat te Nijmegen, gemachtigde van klaagsters.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij tuchtbeslissing van 11 maart 2002 heeft de raad van tucht de klacht in voege zoals door de raad van tucht overwogen gegrond verklaard en appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Appellant en klaagsters verschillen van mening over de vraag in hoeverre de raad van tucht de klacht gegrond heeft verklaard. Hierop zal in § 3.1 van deze uitspraak worden ingegaan.

Terzake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de bestreden tuchtbeslissing, die in kopie aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Het College zal allereerst beoordelen in hoeverre de raad van tucht de klacht gegrond heeft verklaard.

In § 5.3 van de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht overwogen dat appellant zelfstandig onderzoek had moeten doen alvorens bijlage 3 bij de (in § 3.3 van de tuchtbeslissing omschreven) koopovereenkomst op te stellen en dat appellant, nu hij dat niet heeft gedaan, onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan. Uit deze overweging, gelezen in samenhang met het dictum van de tuchtbeslissing, maakt het College op dat de raad van tucht gegrond heeft verklaard het klachtonderdeel dat appellant onjuist heeft gehandeld door in bijlage 3 bij de koopovereenkomst aan te geven dat P geen schuld had aan (niet verkochte vennootschappen van) Q.

Naar het oordeel van het College bevat de bestreden tuchtbeslissing geen overweging(en) waaruit blijkt dat de raad van tucht het andere in rubriek 4 van die beslissing genoemde klachtonderdeel, te weten het in een later stadium stellen dat L aan Q fl. 750.000,-- met rente meer zou moeten betalen terzake van een schuld van P aan Q Holding B.V., gegrond heeft verklaard. In § 5.3 van de tuchtbeslissing wordt weliswaar de jaarrekening 1995 van Groothandel Q B.V. genoemd, maar naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht deze jaarrekening genoemd in de context van het opstellen van meergenoemde bijlage 3.

Naar het oordeel van het College bevestigt § 5.4 van de bestreden tuchtbeslissing, waarin wordt gesproken over de "ter zake van het gegrond bevonden onderdeel van de klacht" op te leggen maatregel, dat de raad van tucht niet beide in rubriek 4 van zijn beslissing genoemde klachtonderdelen gegrond heeft verklaard. Nu het in rubriek 4 van de tuchtbeslissing vermelde klachtonderdeel dat appellant onjuist heeft gehandeld door in een later stadium te stellen dat L fl. 750.000,-- met rente meer aan Q zou moeten betalen niet gegrond is verklaard, dient ervan te worden uitgegaan dat de raad van tucht dit onderdeel van de klacht als ongegrond heeft verworpen.

3.2 Gelet op het vorenstaande en aangezien klaagsters geen beroep hebben ingesteld tegen de tuchtbeslissing, is in de onderhavige beroepsprocedure uitsluitend aan de orde of de raad van tucht terecht gegrond heeft verklaard het klachtonderdeel dat appellant onjuist heeft gehandeld door in bijlage 3 bij de koopovereenkomst aan te geven dat P geen schuld had aan (niet verkochte vennootschappen van) Q.

De derde grief van appellant richt zich tegen dit oordeel van de raad van tucht.

Ter toelichting op deze grief is in het beroepschrift onder meer aan de orde gesteld dat appellant vanaf februari 1995 accountant was van onder meer ASON. In de jaarrekening van P werd reeds enkele jaren melding gemaakt van een lening aan Groothandel Q B.V. en appellant had geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze vermelding. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij een samenstellingsopdracht had en derhalve niet tot taak had de door Q aan hem verstrekte cijfers te controleren.

Ter zitting van het College heeft appellant nader verklaard dat aan bijlage 3 bij de koopovereenkomst meerdere versies zijn voorafgegaan, die ter hand zijn gesteld aan hen die betrokken waren bij de onderhandelingen rond de verkoop van vennootschappen van Q en R aan K.

Aanvankelijk zou Groothandel Q B.V. niet worden verkocht aan K, reden waarom in eerdere versies van genoemde bijlage 3 was opgenomen dat P, dat wel zou worden verkocht, fl. 750.000,-- aan Q was verschuldigd. Nadien is om fiscale redenen besloten ook Groothandel Q B.V. te verkopen, zodat terzake van de schuld van P aan Q Groothandel B.V. geen bedrag van fl. 750.000,-- meer aan Q hoefde te worden betaald en de schuldpositie van P jegens Q in bijlage 3 bij de koopovereenkomst op nihil is gesteld.

Volgens appellant heeft geen van de betrokkenen bij de onderhandelingen rond de koopovereenkomst twijfels geuit over de juistheid van de vermelding van de schuldpositie van P jegens Q en de wijziging daarvan naar aanleiding van het alsnog (mee)verkopen van Groothandel Q B.V. aan K, ook Q niet.

3.3 Bij het beoordelen van de derde grief van appellant stelt het College voorop dat uit bijlage 3 bij de koopovereenkomst niet blijkt dat dit stuk door appellant is opgesteld. Appellant heeft evenwel verklaard dat hij de opsteller is van deze bijlage en dat hij daarvoor de volledige verantwoordelijkheid neemt. Gelet hierop kan appellant naar het oordeel van het College tuchtrechtelijk worden aangesproken op (de gang van zaken rond) het opstellen van deze bijlage.

Het College stelt vast dat klaagsters de feitelijke juistheid van de verklaringen van appellant, zoals weergegeven in § 3.2 van deze uitspraak, niet hebben weersproken. Het College acht de door appellant geschetste gang van zaken niet onaannemelijk. Hiervan uitgaande ziet het College op grond van de beschikbare gegevens geen plaats voor een tuchtrechtelijk verwijt aan appellant terzake van het opstellen van bijlage 3 bij de koopovereenkomst. Klaagsters hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat appellant op 24 december 1996 reden had tot twijfel aan de juistheid van de aan hem verstrekte informatie. Het College neemt hierbij in aanmerking dat appellant niet de accountant was van Groothandel Q B.V. en Q Holding B.V.. Evenmin is gebleken dat appellant op 24 december 1996 bekend was of had moeten zijn dat op diezelfde dag de jaarrekening 1995 van Groothandel Q B.V. was uitgebracht, waarin geen vordering van fl. 750.000,-- op P was vermeld.

3.4 Gelet op het vorenstaande treft de derde grief van appellant doel en kan de bestreden tuchtbeslissing niet in stand blijven, voorzover daarbij de klacht gegrond is verklaard en appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing is opgelegd.

Het College kan de zaak zelf afdoen. Uit het vorenoverwogene volgt dat het aan de orde zijnde klachtonderdeel ongegrond moet worden verklaard. Dienovereenkomstig zal worden beslist. De overige grieven van appellant behoeven derhalve geen bespreking meer.

Na te melden beslissing rust op titel II, § 6, van de Wet op de Registeraccountants.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing, voorzover daarbij de klacht gegrond is verklaard en appellant de maatregel van

schriftelijke waarschuwing is opgelegd;

- verklaart het aan de orde zijnde klachtonderdeel ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. C.J. Borman en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. B. van Velzen

zaak R 233

De Raad van Tucht voor Registeraccountants en

Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam

Beslissing in de zaak van

1. K,

gevestigd en kantoor houdende te Y,

gemeente L,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

L,

gevestigd en kantoor houdende te Y,

gemeente L, en

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M,

gevestigd en kantoor houdende te X,

klaagsters,

tegen

A,

kantoor houdende te X,

betrokkene.

1. De stukken van het geding

De Raad heeft kennis genomen van de volgende, telkens aan de wederpartij bekende stukken:

1.1 het klaagschrift d.d. 6 april 2000, met bijlagen, ingediend door Mr J.A.M.P. Keijser, advocaat te Nijmegen, raadsman van klaagsters;

1.2 de brief d.d. 11 mei 2000 van Mr Keijser aan de Secretaris van de Raad;

1.3 het verweerschrift d.d. 5 juli 2000, met bijlagen, inge-diend door Mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam, raadsman van betrokkene;

1.4 de brief d.d. 16 februari 2001, met een bijlage, van Mr Keijser aan de Secretaris van de Raad;

1.5 de brief d.d. 2 maart 2001, met bijlagen, van Mr Keijser aan de Secretaris van de Raad;

1.6 de ter na te melden zitting door Mr Keijser overgelegde pleitnotities; en

1.7 de ter zitting door Mr M. Ynzonides, advocaat te Rotterdam, raadsman van betrokkene, overgelegde pleitnotities.

2. Het geding

De Raad heeft de zaak ter openbare zitting van 12 maart 2001 behandeld. Ter zitting zijn onder meer verschenen de heer F. van Vliet RA, vertegenwoordiger van klaagsters, vergezeld van hun raadsman Mr Keijser, en betrokkene, vergezeld van Mr Ynzonides.

3. De feiten

Op grond van de inhoud van de stukken en het ter zitting verhandelde stelt de Raad het volgende vast.

3.1 Betrokkene is registeraccountant. Hij is directeur van S.

3.2 Sedert haar oprichting in 1991 heeft P een samenstellingsopdracht verleend aan S. Betrokkene fungeerde sedert februari 1995 als accountant van P.

3.3 Tussen Q Holding BV, N, R en Q als verkopers enerzijds en klaagster sub 2 als koper anderzijds is een "Koopovereenkomst van aandelen" d.d. 30 december 1996 (nader te noemen: de Koopovereenkomst) gesloten.

Koper werd bijgestaan door V accountants & belasting-adviseurs nader te noemen: V).

Verkopers werden bijgestaan door S en H. Betrokkene was de vaste accountant van R en diens vennootschappen. H was het vaste accountantskantoor van Q en diens vennootschappen, waar-onder Q Holding en Groothandel Q BV (nader te noemen: Groothandel Q).

De Koopovereenkomst betrof de overname van een zestal vennoot-schappen die tot de Q & R Groep behoorden. Bij deze overeenkomst zijn onder meer alle aandelen in het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal van P door R en Q verkocht aan koper.

3.4 In artikel 4 lid 1 aanhef en sub (ii) der Koopovereenkomst is vermeld:

"4.1 Koper neemt bij de Overdracht over:

(ii) de verplichtingen welke voortvloeien uit rekening-courantverhoudingen met de Vennootschappen en Dochterven-nootschappen, zoals opgenomen in de Specificatie afreke-ning, welke als bijlage 3 aan deze Overeenkomst is gehecht".

3.5 Omdat enkele tot de Q & R Groep behorende vennootschappen niet werden overgenomen, moest een overzicht worden gemaakt van de intercompanyvorderingen van verkochte vennootschappen op niet verkochte vennootschappen en omgekeerd. Dit overzicht is neergelegd in genoemde bijlage 3 bij de Koopovereenkomst. Dit stuk is getiteld: "Specificatie afrekening K met Q/R. Standen per 31-12-1996 (gedeeltelijk bij benade-ring)" en vermeldt voorts "Geen accountantscontrole toegepast" en "Versie: 24 december 1996". Het stuk houdt - zakelijk - in dat P geen verplichtingen had jegens (niet verkochte vennoot-schappen van) Q. Tot die niet verkochte vennootschappen behoort Q Holding. Het stuk is afkomstig van het kantoor van betrokkene.

3.6 Bij telefaxbericht d.d. 14 april 1998 zendt het kantoor van betrokkene een eindafrekening aan V. Hierin staat vermeld dat klaagster sub 2 aanvullend nog ¦ 917.110,00 moet betalen aan Q. In de eindafrekening wordt onder meer melding gemaakt van een door Q Holding aan P verstrekte lening:

"Lening P BV

saldo 1-1-1996 750.000

rente 1996, 5% 37.500

saldo 31 december 1996 na rente 787.500"

4. De klacht

Klaagsters stellen dat betrokkene onjuist heeft gehandeld door in de onder 3.5 vermelde bijlage 3 bij de Koopovereenkomst aan te geven dat P geen schuld had aan (niet verkochte vennoot-schappen van) Q en in een later stadium te stellen dat klaagster sub 2 ¦ 750.000,00 met rente meer aan Q zou moeten betalen als gevolg van de schuld van P aan Q Holding.

5. De gronden van de beslissing

5.1 De meergenoemde bijlage 3 bij de Koopovereenkomst vermeldt dat P geen schuld heeft uitstaan bij een van de niet verkochte vennootschappen van Q. Tot die niet verkochte vennootschappen behoort Q Holding.

5.2 Betrokkene zegt daarover dat eerst later, medio 1997, is gebleken dat P een schuld ad ¦ 750.000,00 had uitstaan bij Q Holding. Voordat dit bleek werd ervan uitgegaan dat het hier een schuld betrof van P aan Groothandel Q, welke vennootschap wel tot de verkochte vennootschappen behoorde. De schuld behoefde deswege niet afgelost te worden en haar vermelding in bijlage 3 kon achterwege blijven. Al in de jaarrekening van P per 31 januari 1993 werd melding gemaakt van de lening van Groothandel Q. Ook in latere jaarrekeningen, samengesteld door de voorganger van betrokkene, werd telkens van deze lening van Groothandel Q melding gemaakt. Voor betrokkene bestond geen aanleiding om aan de juistheid van deze vermeldingen te twijfelen.

Na de overname kreeg betrokkene een eerste aanwijzing dat de jaarrekening van P op dit punt niet juist was; hij nam toen kennis van het rapport van H d.d. 24 december 1996 met daarin opgenomen de balans per 31 december 1995 en de winst- en verliesrekening over 1995 van Groothandel Q. In dit rapport werd geen melding gemaakt van een uitstaande lening aan P.

Nadien werd door hem vernomen dat Q Holding - en niet Groothandel Q - de schuldeiser van P was, aldus betrok-kene.

Betrokkene stelt ten slotte dat zowel zijn voorganger als hij een samenstellingsopdracht hadden en dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de informatie derhalve bij de directie van P berustte.

5.3 Naar het oordeel van de Raad is uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is voorgevallen niet aannemelijk geworden dat betrokkene, toen hij kennis nam van de jaarrekening van Groothandel Q over 1995, zelfstandig onderzoek heeft gedaan naar de vraag welke vennootschap aan P de litigieuze lening had verstrekt. Betrokkene is afgegaan op mededelingen van anderen. Gelet op het grote belang dat in verband met de overname van P met deze vraag gemoeid was, had betrokkene, ook al was aan hem in het verleden slechts een samenstellings-opdracht verstrekt, in het onderhavige geval zelfstandig een onderzoek moeten doen alvorens meergenoemde bijlage 3 op te stellen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is hij onvoldoende zorgvuldig te werk gegaan. De klacht is in zoverre gegrond.

5.4 Ter zake van het gegrond bevonden onderdeel van de klacht dient, gezien de aard en de ernst van de door betrokkene begane misslag en gelet op alle overige omstandigheden die in dit geding zijn komen vast te staan, aan hem de na te melden maatregel als passend te worden opgelegd.

6. De beslissing

De Raad:

Verklaart de klacht gegrond in voege als in het vorenstaande omschreven.

Legt te dier zake de maatregel van schriftelijke waarschuwing op.

Aldus beslist door Mr A. Rutten-Roos, voorzitter, Tsj. Hotsma RA en W. Vliem RA, leden, in tegenwoordigheid van Mr F.R. Hage als secretaris.