Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2003:AO1788

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-12-2003
Datum publicatie
16-01-2004
Zaaknummer
AWB 99/663 tot en met 99/666, 99/768 en 99/769
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Op 10 augustus 1999 heeft het College van appellante vier beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 5 juli 1999 en een besluit van 16 juli 1999. Deze beroepen zijn geregistreerd onder registratienummers AWB 99/663 tot en met 99/666. Het College heeft op 21 september 1999 twee beroepschriften ontvangen, gericht tegen verweerders besluiten van 11 augustus 1999. Deze beroepen zijn geregistreerd onder registratienummers AWB 99/768 en 99/769.

Bij voornoemde besluiten zijn appellante's bezwaarschriften tegen besluiten tot het opleggen van aanvullende invoerrechten en tot weigering van teruggaaf van deze rechten ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/663 tot en met 99/666, 99/768 en 99/769 19 december 2003

5040 Landbouwheffing

Uitspraak in de zaak van:

B.V. Exportslachterij Juch, appellante, gevestigd te Tiel,

gemachtigde: mr. B. M. Winters, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Inspecteur van de Belastingdienst, het hoofd van het Douanedistrict Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: P. Veringmeijer, werkzaam bij de belastingdienst, douanedistrict Rotterdam.

1. De procedure

Op 10 augustus 1999 heeft het College van appellante vier beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 5 juli 1999 en een besluit van 16 juli 1999. Deze beroepen zijn geregistreerd onder registratienummers AWB 99/663 tot en met 99/666. Het College heeft op 21 september 1999 twee beroepschriften ontvangen, gericht tegen verweerders besluiten van 11 augustus 1999. Deze beroepen zijn geregistreerd onder registratienummers AWB 99/768 en 99/769.

Bij voornoemde besluiten zijn appellante's bezwaarschriften tegen besluiten tot het opleggen van aanvullende invoerrechten en tot weigering van teruggaaf van deze rechten ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 22 oktober en 24 november 1999 in de verschillende procedures een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 25 oktober 1999 heeft appellante haar beroepen aangevuld.

Verweerder heeft op 17 november 1999 gereageerd.

De behandeling ter zitting van deze procedures was voorzien voor 24 januari 2001, maar is uitgesteld in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof van Justitie) van door het College gestelde prejudiciële vragen.

Bij brieven van 10 september 2002 heeft het College partijen een afschrift doen toekomen van het arrest van 13 december 2001, C-317/99, van het Hof van Justitie waarin de aangeduide prejudiciële vragen zijn beantwoord, en hen in de gelegenheid gesteld te reageren. Appellante heeft bij brief van 4 oktober 2002 gereageerd, verweerder bij schrijven van 30 oktober 2002.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 28 maart 2003, alwaar namens appellante mr. W.G. Juch mede is verschenen en de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht. De beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de beroepen onder de registratienummers AWB 99/1030 en 00/43.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad van 29 oktober 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector slachtpluimvee, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3290/94 (Pb. nr. L 349/105), (hierna: de Basisverordening) luidt - voor zover van belang - als volgt:

"1. Om de nadelen voor de markt van de Gemeenschap die het gevolg kunnen zijn van de invoer van bepaalde (…) produkten, te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van een of meer van deze produkten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde recht een aanvullend invoerrecht toegepast, indien wordt voldaan aan de voorwaarden die voortvloeien uit artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw die volgens artikel 228 van het Verdrag in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde is gesloten, behalve wanneer de invoer de markt van de Gemeenschap niet dreigt te verstoren en de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

2. De prijzen beneden welke een aanvullend invoerrecht kan worden opgelegd, zijn die welke door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie worden doorgegeven. (...)

3. De invoerprijzen die in aanmerking dienen te worden genomen voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de zending in kwestie.

De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken produkt op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor het produkt.

4. De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel vast (…)."

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee (…) en houdende vaststelling van deze rechten (…) (PB EG van 29.6.95, nr. L 145/47; hierna de Uitvoeringsverordening) is uitvoering gegeven aan onder meer artikel 5, vierde lid, van de Basisverordening. Artikel 3 van de Uitvoeringsverordening luidt als volgt:

"1. De importeur kan verzoeken om vaststelling van het aanvullend recht op basis van de cif-invoerprijs van de betrokken partij, wanneer deze hoger is dan de toepasselijke in artikel 2, lid 1, bedoelde representatieve prijs.

Het aanvullend recht wordt slechts op basis van de cif-invoerprijs van de betrokken partij vastgesteld, wanneer de belanghebbende de bevoegde instanties van de Lid-Staat van invoer ten minste de volgende bewijsstukken overlegt:

(...)

3. Wanneer niet om toepassing van lid 1 wordt verzocht, is de voor de heffing van aanvullend recht in aanmerking te nemen invoerprijs van de betrokken partij de in artikel 2, lid 1, bedoelde representatieve prijs."

Bij zijn arrest van 13 december 2001, C 317/99 (Jur. 2001, blz. I-9863) heeft het Hof van Justitie onder meer overwogen respectievelijk voor recht verklaard:

"30 Zo blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 5, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 2777/75, dat alleen de cif-invoerprijs van de betrokken zending als grondslag voor de vaststelling van een aanvullend recht mag dienen. Met name moet worden beklemtoond, dat voor de toepassing van die regel geen voorwaarden gelden en dat hij geen uitzonderingen kent. Voorts bepaalt artikel 5, lid 3, tweede alinea, van deze verordening op eveneens ondubbelzinnige wijze, dat de representatieve prijs voor het betrokken product enkel in aanmerking wordt genomen om de juistheid van de cif-invoerprijs te verifiëren.

(…)

Artikel 3, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovoalbumine, en houdende vaststelling van deze rechten en intrekking van verordening nr. 163/67/EEG, is ongeldig voorzover het bepaalt, dat het daarin genoemde aanvullende recht in beginsel wordt vastgesteld op basis van de representatieve prijs bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1484/95 en dat dit recht slechts op basis van de cif-invoerprijs van de betrokken zending wordt vastgesteld, indien de importeur daarom verzoekt."

Bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 22a

1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, van het bedrag aan rechten bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door de inspecteur voor ieder van de rechten afzonderlijk.

2. (…)

3. In afwijking in zoverre van het eerste lid geschiedt het vaststellen van een uitnodiging tot betaling ter zake van landbouwheffingen in door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling aan te wijzen

gevallen, door daarbij aan te wijzen organen."

Bij de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen heeft de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 72

1. De mededeling, bedoeld in artikel 221, eerste lid, van het Communautair douanewetboek, van het bedrag aan landbouwheffingen bij invoer dat voortvloeit uit een douaneschuld geschiedt door het vaststellen van een uitnodiging tot betaling door het produktschap voor ieder van de heffingen afzonderlijk, indien ter verzekering van de voldoening van een dergelijke heffing de zekerheid bij het produktschap is gesteld.

2. In afwijking van het eerste lid geschiedt de mededeling door de inspecteur van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane, in alle gevallen waarin:

a. de aangever tot onmiddellijke betaling van de douaneschuld wenst over te gaan;

b. blijkens de aan de inspecteur van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane, verstrekte mededelingen, bedoeld in artikel 64, en met inachtneming van de aangifte voor het vrije verkeer en van hetgeen bij verificatie is bevonden, aangenomen moet worden dat bij het produktschap geen of onvoldoende zekerheid is gesteld voor de voldoening van de ter zake van het in het vrije verkeer brengen van goederen verschuldigde landbouwheffing bij invoer;

(…) "

De Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB EG L 302, hierna: CDW) bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 235

Wordt verstaan onder:

a) terugbetaling: de volledige of gedeeltelijke teruggave van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer die zijn voldaan

(…)

Art. 236

1. (...) Tot kwijtschelding van rechten bij invoer (...) wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt. (...)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 17 december 1998 aangifte ten invoer in het vrije verkeer gedaan voor een zending bevroren kippenborst zonder been uit Brazilië. De goederen zijn aan de hand van de bescheiden geverifieerd en conform bevonden. Berekend is f. 8.585,60 aan aanvullend invoerrecht en f. 43.006,80 aan douanerecht. Verweerder heeft appellante daartoe een Uitnodiging tot Betaling (hierna: UTB) gedateerd 22 december 1998 doen toekomen. Appellante heeft bij brief van 15 januari 1999 bezwaar gemaakt en verzocht om terugbetaling van het betaalde aanvullend recht.

- Op 30 december 1998 heeft appellante aangifte ten invoer gedaan voor een zending bevroren ontbeend vlees van kuikens uit Brazilië. De goederen zijn aan de hand van de bescheiden geverifieerd en conform bevonden. Berekend is f. 8.800,70 aan aanvullend invoerrecht en f. 44.081,80 aan douanerecht. Verweerder heeft appellante daartoe een UTB gedateerd 30 december 1998 doen toekomen. Bij brief van 15 januari 1999 heeft appellante bezwaar gemaakt en verzocht om terugbetaling van het betaalde aanvullend recht.

- Appellante heeft op 8 januari 1999 aangifte ten invoer gedaan voor een zending bevroren kippenborst zonder been uit Brazilië. De goederen zijn aan de hand van de bescheiden geverifieerd en conform bevonden. Berekend is f. 8.462,30 aan aanvullend invoerrecht en f. 42.875,40 aan douanerecht. Verweerder heeft appellante daartoe een UTB gedateerd 14 januari 1999 doen toekomen. Appellante heeft op 18 februari 1999 bezwaar gemaakt en verzocht om terugbetaling van het betaalde aanvullend recht..

- Op 19 januari 1999 heeft appellante aangifte ten invoer gedaan voor een zending bevroren kippenborst zonder been uit Brazilië. De goederen zijn aan de hand van de bescheiden geverifieerd en conform bevonden. Berekend is f. 9.140,00 aan aanvullend invoerrecht en f. 42.746,70 aan douanerecht. Verweerder heeft appellante daartoe een UTB gedateerd 29 januari 1999 doen toekomen. Appellante heeft op 18 februari 1999 bezwaar gemaakt en verzocht om terugbetaling van het betaalde aanvullend recht.

- Appellante heeft op 3 februari 1999 aangifte ten invoer gedaan voor een zending bevroren kippenborst zonder been uit Brazilië. De goederen zijn aan de hand van de bescheiden geverifieerd en conform bevonden. Berekend is f. 9.167,50 aan aanvullend invoerrecht en f. 42.875,40 aan douanerecht. Verweerder heeft appellante daartoe een UTB gedateerd 16 februari 1999 doen toekomen. Appellante heeft op 9 maart 1999 bezwaar gemaakt en verzocht om terugbetaling van het betaalde aanvullend recht.

- Op 15 februari 1999 heeft appellante aangifte ten invoer gedaan voor een zending bevroren kippenborst zonder been uit Brazilië. De goederen zijn aan de hand van de bescheiden geverifieerd en conform bevonden. Berekend is f. 6.934,00 aan aanvullend invoerrecht en f. 32.429,90 aan douanerecht. Verweerder heeft appellante daartoe een UTB gedateerd 18 februari 1999 doen toekomen. Appellante heeft op 9 maart 1999 bezwaar gemaakt en verzocht om terugbetaling van het betaalde aanvullend recht.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij de bestreden besluiten van 5 en 16 juli 1999 zijn de bezwaarschriften van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat uit door appellante overgelegde bescheiden blijkt dat Brazilië bij de World Trade Organization (WTO) een klacht heeft ingediend tegen de Europese Unie, in verband met het opleggen bij invoer in het vrije verkeer van aanvullend invoerrecht in de sector pluimvee, berekend volgens de Uitvoeringsverordening. Het feit dat Brazilië een klacht heeft ingediend houdt niet in dat de aanvullend invoerrechten ten onrechte zijn opgelegd en dat daardoor de wettelijke basis voor berekening van het aanvullend invoerrecht ontbreekt.

3.2 Bij schrijven van 30 oktober 2002 heeft verweerder het volgende naar voren gebracht.

De door appellante aangegeven cif-invoerprijs ligt onder de representatieve en/of de reactieprijs. Het is derhalve terecht dat het aanvullend invoerrecht is opgelegd. Het arrest van het Hof van Justitie doet daar niet aan af. De bevoegdheid tot het heffen van het aanvullend invoerrecht op zichzelf is immers niet in geding. Het vaststellen van het aanvullend invoerrecht volgens de "cif-invoerprijs methode" zou in dit geval niet tot een andere slotsom leiden.

3.3 Ter zitting is namens verweerder nog het volgende verklaard.

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie dient verweerder de juistheid van de cif-invoerprijs te controleren. Na vaststelling van de juistheid dient hij deze, wanneer deze prijs ligt onder de reactieprijs, af te zetten tegen de reactieprijs van deze goederen. Het verschil tussen de cif-invoerprijs van de zendingen en de reactieprijs is de maatstaf van heffing van het aanvullend invoerrecht.

De reactieprijs bedroeg ten tijde van belang f. 714,00 per 100 kilogram netto. De cif-invoerprijs van de onderhavige zendingen was respectievelijk f. 437,91, f. 474,85, f. 419,88, f. 437,07, f. 435,00 en f. 440,63 per 100 kg. De representatieve prijs, gebaseerd op de wereldmarktprijs voor dit soort goederen, was ten tijde van belang fl. 466,14 per 100 kg. In vijf procedures lag de cif-invoerprijs beneden, in één procedure, geregistreerd onder AWB 99/664, boven de representatieve prijs. Dat betekent dat in vijf gevallen zeker niet te veel, maar mogelijk zelfs te weinig aanvullend recht is geheven. Bij de zending waar de cif-invoerprijs hoger lag, is mogelijk te veel aanvullend recht in rekening gebracht. In deze procedure dient appellante bescheiden te overleggen die zijn genoemd in artikel 3, eerste lid, 2e alinea, van de Uitvoeringsverordening. Indien appellante daar niet in slaagt, zal verweerder zelf de douanewaarde moeten vaststellen.

4. Het standpunt van appellante

4.1 Appellante heeft - samengevat - in haar (aanvullende) beroepschriften het volgende aangevoerd.

De juridische basis voor het opleggen van het aanvullend invoerrecht ontbreekt, gelet op de gegrondverklaring van de door Brazilië ingediend klacht bij de WTO. Derhalve is het aanvullend recht ten onrechte opgelegd tot het moment van inwerkingtreding van de door de Europese Commissie gewijzigde Verordening nr. 493/1999/EG.

Subsidiair zijn de aanvullende rechten strijdig met artikel 4.2 van GATT-agreement on Agriculture. Deze maatregelen suggereren onder meer kwantitatieve importbeperkingen.

4.2 In reactie op het arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2001 is namens appellante nog het volgende naar voren gebracht.

Appellante heeft over een aantal aangiften aanvullende rechten betaald die zijn vastgesteld op basis van de representatieve prijs. Hetgeen het Hof van Justitie in zijn arrest voor recht heeft verklaard, werkt ex tunc en ziet dus ook op het tijdstip van de betaling van de aanvullende rechten. Daarmee staat vast dat de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd waren. Dat Verordening nr. 1484/95/EG is gewijzigd bij Verordening nr. 493/99/EG doet daar niets aan af, aangezien de Verordening geen terugwerkende kracht heeft.

4.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante onder meer nog het volgende verklaard.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest verklaard dat alleen de cif-invoerprijs van de betrokken zending als grondslag voor de vaststelling van een aanvullend recht kan dienen. Het oordeel van het Hof van Justitie is in lijn met het oordeel van de Appellate Body van de WTO en tevens neergelegd in Verordening nr. 493/1999/EG. De aanvullende rechten zijn vastgesteld op basis van een vergelijking van representatieve prijs en reactieprijs. Deze vaststelling is evenwel ongeldig. Het Hof van Justitie heeft er niet voor gekozen om artikel 231, tweede lid, EG van overeenkomstige toepassing te verklaren. Hieruit volgt dat er geen rechtsbasis bestaat voor de berekening van de aanvullende rechten. Het feit dat de representatieve prijs van de betrokken zendingen hoger lag dan de cif-invoerprijs kan daar niet aan af doen. De aanvullende rechten waren niet wettelijk verschuldigd op het moment van betalen, zodat verweerder, gelet op artikel 236 CDW tot terugbetaling van deze rechten dient over te gaan.

Verweerder heeft bij brief van 30 oktober 2002 gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie. Daarbij wordt gesteld dat de aangegeven cif-invoerprijs ligt beneden de representatieve prijs, zodat het aanvullend recht terecht is opgelegd. Deze stelling kan geen standhouden, aangezien uit het arrest van het Hof van Justitie blijkt dat er geen rechtsbasis is voor het opleggen van een aanvullend recht. Het feit dat de representatieve prijs hoger lag dan de cif-invoerprijs kan daaraan niet afdoen.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante voorts verklaard dat hij de door de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven prijzen niet heeft kunnen verifiëren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De bestreden besluiten zijn genomen namens de inspecteur van de Belastingdienst/Douane district Rotterdam, namens wie ook verweer is gevoerd. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Regeling in- en uitvoer landbouwgoederen, in samenhang met artikel 22a van de Algemene wet rijksbelastingen, was deze ten tijde van belang ook bevoegd tot de uitnodigingen tot betaling, waartegen appellante bezwaar heeft gemaakt, waarop is beslist bij de bestreden besluiten.

Het is derhalve genoemde inspecteur die als verweerder moet worden aangemerkt. Daar aan doet niet af dat de (toenmalige) minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is gevraagd om verweerschrift en de op de zaak bettrekking hebbende stukken.

5.2 In geschil is of verweerder terecht heeft besloten de in verband met de in rubriek 2.2 genoemde zendingen opgelegde aanvullende rechten alsmede zijn afwijzing van de verzoeken van appellante tot teruggaaf van betaalde aanvullende rechten te handhaven.

5.3 Ingevolge artikel 5 van de Basisverordening is onder bepaalde voorwaarden een aanvullend invoerrecht verschuldigd, te berekenen op grondslag van de cif-invoerprijs van de betrokken zending. Aan verweerders verplichtingen overeenkomstig genoemd artikel 5 aanvullende invoerrechten op te leggen en aan de wettelijke verschuldigheid daarvan, heeft de ongeldigverklaring van de Uitvoeringsverordening niet afgedaan. Zulks zo zijnde hoefde overeenkomstige toepassing van artikel 231, tweede lid, EG door het Hof van Justitie niet aan de orde te komen.

Derhalve treft geen doel het argument van appellante dat op het tijdstip van betaling geen enkel aanvullend recht bij invoer verschuldigd was zodat ingevolge artikel 236 CDW zonder meer tot volledige terugbetaling moet worden overgegaan.

5.4 Verweerder heeft de bij de bestreden besluiten gehandhaafde aanvullende rechten conform artikel 3, eerste en derde lid, van de Uitvoeringsverordening berekend op basis van de voor de ingevoerde zendingen geldende representatieve prijs. Gelet op voornoemd arrest van het Hof van Justitie kan de conclusie slechts zijn dat verweerder de aanvullende rechten had dienen te berekenen op basis van de cif-prijzen van de in geding zijnde zendingen, en dat verweerder derhalve een onjuiste berekening aan zijn besluiten ten grondslag heeft gelegd. Dat, zoals verweerder terzake heeft aangevoerd, bij vijf van de zes in geding zijnde aangiften de cif-invoerprijs gelegen was beneden de representatieve prijs en dat in deze gevallen het feitelijk per aangifte betaalde aanvullend recht lager is dan het recht dat zou zijn geheven indien het aanvullend recht conform de voorschriften zou zijn berekend, doet daar niet aan af. De beroepen dienen dan ook gegrond te worden verklaard en de bestreden besluiten te worden vernietigd.

5.5 Het College ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of er aanleiding bestaat om zelf in de zaak te voorzien. Gelet op de vaste jurisprudentie kan het College daar in de onderhavige beroepen slechts toe overgaan, indien thans reeds vast staat dat nieuwe beslissingen op bezwaar niets anders zullen kunnen inhouden dan de handhaving van de bedragen van de opgelegde aanvullend rechten, alsmede van de afwijzing van de verzoeken tot teruggaaf.

Niet in geschil is dat in de procedure onder nummer AWB 99/664 de cif-invoerprijs van de betrokken zending hoger was dan de representatieve prijs en dat derhalve niet onaannemelijk is dat het aanvullend recht voor deze zending op een te hoog bedrag is vastgesteld. Ook ten aanzien van de overige procedures ontbreekt evenwel thans de grondslag voor om zelf in de zaak te voorzien. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Verweerder heeft zijn verweer dat in vijf van de zes procedures in ieder geval niet teveel is betaald voor het eerst betrokken in zijn schrijven van 30 oktober 2002. Eerst ter zitting is concreet aangegeven hoe hoog de verschillende prijzen precies zouden zijn, echter zonder deze nader te onderbouwen. Appellanten is door deze handelwijze de mogelijkheid onthouden om de juistheid van de gestelde prijzen te verifiëren en zo nodig met redenen omkleed te bestrijden.

Het voorgaande betekent dat verweerder nieuwe beslissingen op bezwaar zal dienen te nemen, waarbij hij steeds de juiste, op de cif-invoerprijs van de betrokken zending gebaseerde berekening dient te maken en aan de hand hiervan vast te stellen of de bedragen, genoemd in de UTB's, te hoog zijn vastgesteld en in de nieuwe beslissing op bezwaar verlaagd dienen te worden. Het College tekent hierbij aan dat de uitkomst van deze nadere beschouwing nimmer kan zijn dat appellante hogere aanvullend invoerrechten zal worden opgelegd.

5.6 Het College acht termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld. Ten aanzien van de proceskosten overweegt het College overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt.

De zes onderhavige zaken zijn onderling samenhangend, maar hangen niet samen met de - gelijktijdig behandelde - beroepen in de zaken AWB 99/1030 en 00/43, reeds omdat die beroepen zijn gericht tegen besluiten die gedeeltelijk op een andere juridische grondslag berusten. De wegingsfactor voor zes samenhangende zaken is 1,5.

Het te vergoeden bedrag van de kosten van rechtsbijstand is vast te stellen onder toekenning van 1 punt voor de indiening van beroepschriften, 0,5 punt voor de schriftelijke reactie op het arrest van het Hof van Justitie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 322.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beslist op de bezwaren van appellante;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedures aan de zijde van appellante, vastgesteld op € 724,50 (zegge:

zevenhonderd-en-twintig euro en vijftig cent), te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 1207,51 (zegge: twaalfhonderd-en-zeven

euro en een-en-vijftig cent) wordt vergoed door de Staat der Nederlanden.

Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. F.W. Du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr. W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2003.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens